GEESTELIJK OPBOUW
DE GEREFORMEERDE KERKORDE of HOE HET IN DE KERK DES HEEREN MOET TOEGAAN. (39)
Tucht moet er geoefend worden in het midden van de Kerk van Christus op aarde, aan al de plaatsen Zijner heerschappij. Dat heeft Christus aan Zijn discipelen geleerd en de Apostelen hebben het in het midden van al de gemeenten bekend gemaakt in den naam van hun hemelschen Zender. En — als het in de plaatselijke Kerken nagelaten wordt en de leugenleer en de zonde indringt en voortvreet als een kanker, dan toont de verhoogde Heiland niet alleen dat dit Hem smart en Zijn toorn opwekt, maar Hij staat dan Zelf op om te doen wat de plaatselijke Kerk, wat de ambtsdragers en de gemeente schuldig hebben nagelaten te doen. Lees de brieven aan de zeven Klein-Aziatische gemeenten maar! Niemand kan dan, die brieven lezende, zich aan den indruk ontworstelen dat de verhoogde Heiland, Die tusschen de zeven gouden kandelaren wandelt en Zijn oog over Zijn gemeenten laat gaan, tenslotte Zelf straffend optreedt en in 't uiterste geval de gemeente laat wegzinken in den poel van leugen en ongerechtigheid, omdat zij Zijner stemme niet gehoorzaam is geweest!
De Tucht moet dan ook in dienst van Christus staan, moet bedoelen te waken tegen zondig afwijken in leer en leven en moet zoo noodig straffen de overtreders.
Rom. 16 vers 17 en 18 zegt Paulus, dat de gemeente oppassen moet en de oogen goed open moet houden, omdat er vijanden opdagen, die de gemeenten in Galatië, in Corinthe en te Filippi in beroering hebben gebracht (Gal. 3 vers 2; 2 Cor. 11 vers 13; Filipp. 3 vers 2, enz.), Joodsche ijveraars, die Wet en Evangelie, werk en genade vermengden en zoo fellen strijd tegen Paulus' apostelschap en Evangelieprediking voerden. „Ik bid u, broeders! wees bedacht op dezulken, die ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij van ons gehoord hebt. Mijdt die dwaalleeraars, opdat zij geen vat op u krijgen. Als zij als indringers komen, laat ze niet toe en geeft hun geen gelegenheid, dat zij u zouden verleiden. Zij bedoelen niet de eere van Christus, maar zoeken een lekker leventje te krijgen (hebben 't oog op hun buik) en trachten de niets kwaads vermoedende menschen (de eenvoudigen) te verleiden".
Hier geldt dus, dat leugenleeraars en scheurmakers geweerd moeten worden, waarvoor wakend toezicht bij de gemeente noodig is. Die buiten de plaatselijke Kerk nog zijn, maar dreigend naderen, moeten er buiten gehouden worden. En natuurlijk geldt dat nog veel meer voor hen, die binnen de gemeente zijn en leugenleer brengen of een zondig leven leiden. Die moeten afgesneden worden (1 Cor. 5 vers 2, 9—11, 12, 13). Die moeten geteekend worden (2 Thess. 3 vers 14). „Och, of zij ook afgesneden wierden, die u onrustig maken". (Gal. 5 vers 12).
De zondaars moeten dus bestraft worden en desnoods afgesneden „opdat ook de anderen vreeze mogen hebben" (1 Tim. 5 vs. 20). Men moet „gezond in het geloof zijn" (Titus 1 vers 14). Men mag geen „andere leer" brengen. (2 Joh. vers 10, enz.).
Christus, die tenslotte de Koning en de Sleuteldrager is, wil dat door Zijn Apostelen toezicht gehouden wordt op leer en leven en de Apostelen geven dat over aan de ambtsdragers, aan de opzieners en ouderlingen van de verschillende plaatselijke Kerken in Corinthe, Rome, op Creta, te Filippi, enz. Titus en Timotheüs weten het, dat het mee hierom gaat, dat er in de gemeente tucht geoefend zal worden. En Johannes schrijft het, in Christus' Naam, aan de opzieners van de zeven Klein-Aziatische gemeenten.
Christus is hier de Eerste, de Koning, het Hoofd — en Zijn ambtsdragers oefenen de tucht in Zijn Naam, tot opbouwing, bewaring en volmaking van Christus' Kerk. Christus wil Zijn Kerk bewaren en toebereiden als Zijn bruid en doet dat middellijk ook door aan de ambtsdragers toe te vertrouwen opzicht en tucht.
Daarom moet „opzicht en tucht" niet verlaagd worden in de Kerk als een soort maatregel van bestuur. Het is niet een administratieve aangelegenheid, bedoelende te controleeren en des noodig te straffen wanneer er een of andere wetsbepaling overtreden wordt. Want hoezeer inderdaad in de Kerk alles met orde moet geschieden, het gaat toch immers in de Kerk allereerst om de heerschappij van Christus, of men Hem wel gewillig volgt, Zijn Woord predikt, Zijn Sacramenten bedient en voor Zijn Kerk goede zorg draagt, dat Zijn eer niet stout geschonden wordt.
Als tucht alleen een maatregel van orde is, een administratieve maatregel van bestuur is, dan is tucht geen sleutelmacht, waardoor tenslotte de mensch, naar bevel van Christus, buiten de Kerk en buiten het Koninkrijk Gods wordt gesloten. En daarvan moet in Christus' Kerk iets overblijven, als men het heeft over tucht, het moet dan gaan om de Waarheid Gods en het moet dan vastzitten aan het uitsluiten door God Zelf uit het Koninkrijk der hemelen.
Verkondigt dus iemand een ander Evangelie dan het Evangelie van Jezus Christus naar de Schriften, dan komt hij in conflict met den weg der zaligheid en zichzelf misleidend, handelt men dan ook tot misleiding van anderen, ja, om de Kerk af te voeren van haar fundament. En dat mag niet straffeloos worden geduld. Daarop moet in hoogste instantie volgen tucht en uitsluiting uit de Kerk, met de Schriftuurlijke bevestiging, dat een iegelijk die den weg Jezus Christus verlaat en tegenstaat, het Koninkrijk Gods niet kan en niet zal beërven, tenzij men zich van harte komt bekeeren.
Achter de tucht in Gods Kerk moet Christus staan, en de ambten moeten in deze de functioneering zijn van Christus' Koningschap.
Hier staan we dan lijnrecht tegenover de Roomsche leer, dat de Paus, als stedehouder van Christus, de macht van regeering en tucht over de Kerk uitoefent, zonder de gemeente te erkennen. Dat is een hiërarchie die op Schriftuurlijke gronden geheel en al verwerpelijk is. En het is ook een miskenning van de beteekenis van de geloovigen, een krenking van de roeping en de rechten der gemeente. Niet de geestelijkheid is de clerus of het uitverkoren deel des Heeren (clerus = erfdeel of eigendom); dat is de gemeente, dat zijn al de geloovigen. Die gemeente of die geloovigen mogen maar niet als „leeken" opzij gezet worden. We moeten niet een stand van geestelijken hebben, die door tonsuur en wijding tegenover de leeken wordt gesteld, met volstrekte macht over hen; zijnde de noodzakelijke middelaars voor hen.
Niets daarvan! De Heere heeft een priesterlijk Koninkrijk, een heilig volk, waarbij allen de zalving des Geestes deelachtig zijn (1 Joh. 2 vers 27; 1 Petrus 2 vers 5 en 9 enz. enz.).
En dan heeft het primaat van den Paus geenszins steun in de Schrift.
In de breede rij van den clerus zet Rome den Paus bovenaan. Hij is de „vicarius Christi", de plaatsvervanger van Christus op aarde, de opperste priester, de alleenheerschende macht, de bron, oorsprong en regel van alle kerkelijke waardigheidsbekleeders. Bij hem berust de sleutelmacht van het hemelrijk. De gansche Kerk, al hare leden afzonderlijk en tezamen, alle bisschoppen, in Synode vergaderd, zijn aan hem volstrekte gehoorzaamheid verschuldigd, niet alleen in zaken van geloof en zeden, maar ook in die van tucht en regeering der Kerk. Hij benoemt en ontslaat alle geestelijken en kan alle leeken straffen. Wel bisschoppen enz. gebruikend, maar zelf de drager van alle macht. En zoo kent Rome alle macht van regeering en tucht toe aan den Paus, die zijn beambten heeft, zonder eenigen invloed van en geheel in tegenstelling met de gemeente. De Paus zegt wat waarheid is en legt die waarheid uit. Zijn scepter zwaait over alles en allen.
Maar dat is ontwrichting van het Koningschap van Christus. De Vader heeft Zijnen Zoon gezalfd over Sion, den berg Zijner heiligheid en heeft Hem der gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen (Psalm 2 vers 6; Efeze 1 vers 20; Filipp. 2 vers 9—11). Op het fundament Christus wordt de Kerke Gods opgebouwd. Zóó zal de hel haar niet overwinnen. Christus is met haar alle de dagen. En nu heeft Hij de zaken niet overgedragen aan den Paus, als zijn vicarius of stedehouder, maar Zelf is en blijft Hij Middelaar en oefent Zijne Koninklijke heerschappij Zelf uit, èn onmiddellijk door de inwerking met Zijn Geest op de leden van Zijn lichaam, èn middellijk door de ambten, door de bediening van Woord en Sacramenten en door de oefening van de tucht.
Door de ambten, als middelen, voert Hij, de Christus, Zijn Koninklijke heerschappij over Zijn Kerk en blijft dat doen tot op den jongsten dag.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's