De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

De levende hoop

11 minuten leestijd

Geloofd zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, die naar zijn groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden, tot een onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u, die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten tijd.1 Petrus 1 vers 3—5

Hoop doet leven. Leven en hoop behooren bij elkander. Wij menschen leven niet bij het verledene; het heden is menigmaal vol zorgen; neen, naar de toekomst breiden wij verlangend de armen uit. We turen in het verre verschiet en onze verbeelding maalt ons zoo menigmaal een lichtenden horizont met gouden bergen. Ja, hoop doet leven. Doch nu is er tweeërlei hoop. Daar is een levende hoop en daar is een ijdele hoop. De Spreukendichter zegt: „De hoop der rechtvaardigen is blijdschap, maar de verwachting der goddeloozen zal vergaan".
IJdele hoop is er machtig veel. Als kind hebben we onze luchtkasteelen gebouwd. Och ze zijn als een zeepbel uiteengespat. Als jongeling en jongedochter hebben wij gehoopt op een leven vol zonneschijn. Maar zie, voor de zon van ons geluk kwam de donkere wolk van lijden en smart. En na weinige jaren stamelen wij bij onze gebroken idealen: „IJdelheid der ijdelheden, het is alles ijdelheid".
IJdele hoop, ja die is er vooral veel in het geestelijk leven. Hoevelen bouwen het huis van hun zaligheid op wankelen bodem. Zoo zijn er, die rusten op hun groote kenis van Gods Woord, en meenen daarom eenmaal God te zullen zien. Ach, ijdele hoop is het, want daar is wel geen genade zonder kennis, doch wel kennis zonder genade. Weer anderen verheffen zich op de gaven, waarmede de Almachtige hen sierde. Alweder een ijdele hoop, als men meent daardoor te zullen leven tot in eeuwigheid, want de gaven kunnen vergaan. Weer een derde hoopt in te gaan tot de eeuwige rust, omdat hij strijdt tegen de zonde. Ook dat zal blijken een ijdele hoop te zijn, indien er niets meer gekend wordt dan een strijd, dien ook Pilatus streed tegen de zonde. Een vierde hoopt de stad met de paarlen poorten te betreden, omdat hij eens een visioen zag in het nachtelijk uur. Ach arme, het is alweder een ijdele hoop, die gij koestert, want gij meent misschien vergevorderd te zijn en ge zijt in werkelijkheid, ondanks uw inbeelding, nog evenver van het Konkrijk Gods als Bileam's ezel. Een vijfde hoopt — — — Maar neen. Wij willen u niet langer melden van de ijdele hoop. Liever bepalen wij onze aandacht bij de levende hoop, zooals Petrus ons die teekent in 1 Petrus 1 vers 3—5:
Geloofd zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, die naar zijn groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden, tot een onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u, die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten tijd.
In dit Schriftwoord worden wij gewezen op de levende hoop. Vragen wij ons dan achtereenvolgens af:
1e. Waarop de levende hoop rust;
2e. Waarnaar zij uitziet;
3e. Waardoor zij volhardt;
4e. Waarvan zij roemt.
Het is geen wankele grond, waarop de levende hoop rust. Petrus noemt ons hier een drievuldige, hechte grondslag. De levende hoop toch is vrucht van genade over ons en vrucht van genade voor ons en tenslotte ook vrucht van genade in ons.
Wij worden wedergeboren tot die levende hoop „naar Gods groote barmhartigheid". Gods groote barmhartigheid is het, waaruit een gansche stroom van zegeningen over ons, ellendigen, wordt uitgestort. Alles hebben wij toch door de zonde verbeurd. Geen beweegoffer kunnen wij den Heere meer brengen, opdat Hij ons zoude genadig zijn. De Heere is echter een God van vrije genade. Hij neemt redenen uit zichzelven. Aan Gods groote barmhartigheid zijn dan ook te danken alle goede gaven en volmaakte giften en daaronder niet in het minst ook: de levende hoop. Ieder begenadigd hart weet dan ook van die groote barmhartigheid Gods over ellendigen te gewagen. Als God daarvoor het oog opent dan fluistert Gods kind, in aanbidding nederknielend: „Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch". 
Maar die levende hoop is ook vrucht van genade voor ons. Wedergeboren tot een levende hoop „door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden", zegt het tekstwoord. De Zone Gods, „gestorven om onze zonden, opgewekt om onze rechtvaardigmaking", is het door Wien God de Vader het hart van Zijn volk bezielt met de levende hoop. In de opstanding van Jezus toch ligt het bewijs, de zekerheid, dat het offer des Heilands is aangenomen en de schuld volkomen betaald is. O, als twijfel uw ziel doorvlijmt, geve de Heere u dan te vluchten naar Jozefs hof. Daar bij den afgewentelden steen wordt uw doffe oog weer helder en richt zich uw gebogen gedaante weer vol veerkracht omhoog.
Tenslotte is de levende hoop vrucht van genade in ons. We worden wedergeboren tot die levende hoop, zoo schrijft Petrus aan de gemeente des Heeren. Met hoop in het hart worden wij geboren, doch dat is de ijdele hoop. Zal ons oog ooit spreken van levende hoop, dan is dat alleen omdat God door de wedergeboorte een nieuw levensbeginsel in ons hart heeft gelegd. 
Vragen wij ons thans af, waarnaar de levende hoop uitziet. Ze ziet uit volgens het woord van den tekst naar de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd". Het is dus de zaligheid, die door den Vader bereid is in den eeuwigen Vrederaad om eenmaal geopenbaard te worden in de voleinding der eeuwen, als de gouden lichtstad van God uit den hemel op de aarde zal nederdalen. Dat is dus niet alleen de zaligheid, waarin de ziel zal mogen deelen, doch tevens de heerlijkheid, waarmede het uit de dooden opgewekte lichaam zal worden bekleed. 
Die zaligheid nu wordt nader aangeduid als een erfenis. Dat woord stemt ons tot weemoedig nadenken. Met een erfenis is immers steeds gemoeid de dood van den erflater. Die zaligheid van het Nieuw-Jeruzalem nu is inderdaad niet gekocht door zilver of goud, doch door het dierbaar bloed van den Heere Jezus Christus. Met geen geringer prijs toch dan met den zoendood des Zoons kon die zaligheid voor Gods erfvolk worden verkregen.
Het is een erfenis. Dat wil ook zeggen: men kan dien schat niet verdienen. Neen, het burgerschap van de Godsstad is een gave van Gods vrije genade.
Bezien we nu de erfenis eens nader. Petrus duidt haar alleen in ontkennende termen aan. Het is een onverderfelijke, een onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis. Geen wonder. Het hemelsche is het onuitsprekelijke. Onze menschelijke taal is te arm om te beschrijven de zaligheid, die God voor Zijn keurlingen heeft weggelegd.
Het is een onverderfelijke erfenis. Alles hier op aarde, van het simpelste tot het kostbaarste, is aan het verderf onderworpen. Alles wast den ondergang tegemoet. Wat uit stof is, neemt een end, door den tijd, die alles schendt. De worgengel, die eenmaal verderfspreidend Egypteland doorging, is nog niet van de aarde geweken.
Wat God echter Zijn keurlingen bereidt, is een zaligheid, die geen verderf kent. De dood heerscht in de gouden lichtstad niet meer. Het kleed der rouwe is er onbekend. Daar is alles eeuwig. Een eeuwige vrede.
Het is ook een onbevlekkelijke erfenis. Hier is alles bevlekt, misvormd door duizend zonden. Alles draagt hier het merkteeken der zonde. Vooral wanneer Gods ontdekkend genadelicht onzen blik verheldert, wordt het met smart en schaamte beleden: „melaatsch, gansch melaatsch, van den voetzool tot den schedel toe". Welk een zegen voor de keurlingen des Heeren. Voor hen schittert aan het eind van de baan een onbevlekkelijke erfenis. Aan die bezoedeling en dat leed komt een einde, het is maar voor een korten tijd.
Het is een onverwelkelijke erfenis. Hier verwelkt alles. Onze levenskracht, onze levensmoed verwelken. Onze idealen, waarnaar wij zoo verlangend de handen hebben uitgestrekt, verwelken, zoodra wij ze aanraken met onze grove vingers. De sprankelende geestdrift, waarmede wij ze najaagden, verflauwt spoedig tot de matte stemming van het alledaagsche, zoodra wij ze gegrepen hebben.
Zoo blijft het niet altoos. U wacht, o keurlingen des Heeren, een onverwelkelijke erfenis. Daar, aan het eind der baan, is een eeuwige, frissche jeugd. De engelen in Jozefs hof waren nog jongelingen en toch waren ze reeds meer dan veertig eeuwen oud. Een eeuwige lente.
Een drievuldige schittering straalt u tegen, o kinderen Gods. Als gij daarvoor een oog moogt krijgen, dan welt er een traan van aanbidding in uw oog, terwijl uw mond fluistert:
"De schoonste plaats mat Gij met ruime snoeren,
O, heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren". 
In de derde plaats vragen wij ons af, waardoor de levende hoop volhardt. Menig gekende des Heeren zal zich bij de gedachte aan zijn wankelend geloof angstig afvragen, of deze schitterende heerlijkheid wel inderdaad eenmaal zijn deel zal worden. Het is te groot, te heerlijk. Voor den Heere zijn echter de worstelingen in het geloofsleven niet verborgen. Daarom wijst de Heere in den tekst aan een dubbelen waarborg. Zal een verwachte erfenis inderdaad ons bezit worden, dan moet aan twee voorwaarden worden voldaan. Vooreerst deze, dat de erfenis niet verloren gaat en vervolgens, dat wij niet sterven, voordat de erfenis onze is geworden. Welnu, de glansrijke erfenis kan niet verloren gaan. „Ze is in de hemelen bewaard voor u", zoo deelt Petrus ons mede. Die erfenis ligt dus niet vast in eenig Sacrament of in eenige Kerk. Ze wordt in de hemelen bewaard. Geen dief kan er doorgraven en stelen. Satan, dood en hel kunnen de erfenis niet ontrooven aan Gods erfvolk. Veilig bewaard is ze.
Maar zouden Gods kinderen niet kunnen omkomen in den kwaden dag? Geen nood. Gij wordt, o gekenden des Vaders, „in de kracht Gods bewaard door het geloof". Jezus zegt: „Mijn Vader, die ze mij gegeven heeft, is meerder dan allen en niemand kan ze rukken uit de hand mijns Vaders". Wel kan er in den geloovige allerlei twijfel vallen, doch dat de keurlingen des Heeren verloren gaan, neen, dat is onmogelijk. Alle deugden Gods vormen tezamen een vurigen muur rondom hen.
Waarvan de levende hoop roemt, is de laatste vraag die ons ter beantwoording rest. Hoop doet leven. Doch de ware hoop doet meer. De levende hoop doet loven. „Geloofd zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus".
De grootmaking van den Naam des Heeren, dat is het groote einddoel van schepping en herschepping beide. Het gaat in 't leven van Gods gekenden niet om den hemel, doch om den Heere, niet om de woning, doch om den Koning. Welke bekoring toch heeft voor een rechtgeaard kind het huis des vaders, zoo vader zelf er niet is. Zoo zal Gods kind in de eeuwigheid niet gelukkig kunnen zijn, als de Heere daar niet zelf met Zijn heerlijkheid en schoonheid zijn hart geheel vervult. De aanbidding Gods is de zaligheid voor Gods kind van nu aan tot in alle eeuwigheid.
We leven allen met de hoop in het hart. Doch welke hoop is het, waarmede wij voortgaan op des levens enge pad? De levende hoop of de ijdele hoop?
We gedenken dit jaar den 300sten geboortedag van den bekenden schrijver John Bunyan. In het slot van zijn mooiste werkje „de Christenreize", beschrijft hij ons het sterven van Christen. Met welk een benauwdheid ging Christen al worstelend en biddend de Doodsjordaan door. Doch heerlijk werd hij daarbij ondersteund door broeder Hopende. Daar aan de overzijde van de Doodsjordaan werd Christen opgewacht door twee engelen, die hem henenleidden naar de gouden lichtstad, naar de bruiloft des Lams. Toen zongen de engelen: ,,Dankzegging, eer, heerlijkheid en kracht zij Hem, die op den troon zit en het Lam tot in eeuwigheid". De eeuwige glorie.
Bunyan meldt ons ook van een broeder Onkunde, die rustig en kalm zonder eenige moeite de Doodsjordaan overvoer rnet veerman IJdele Hoop. Geen worstelingen of strijd had broeder Onkunde ooit gekend. Doch aan de overzijde waren geen lichtgestalten om hem henen te leiden naar de paarlen poort. Zoo ging broeder Onkunde alleen op weg naar de gouden lichtstad. Bij zijn aankomst vond hij de poort gesloten. Toen op zijn herhaald kloppen werd opengedaan, vroeg men om zijn pas. Een pas voor de eeuwigheid! Neen, die had broeder Onkunde niet! Hij was overgevaren met veerman IJdele Hoop. En wat geschiedde nu met broeder Onkunde? Wel, de Koning van de Godsstad gaf bevel aan de lichtende gestalten, die Christen zoo feestelijk hadden ingehaald, om broeder Onkunde aan handen en voeten te binden, hem ver weg te voeren en te werpen in de plaats des verderfs, waar is weening en knersing der tanden — — — De eeuwige smart.
Nijkerk.                                                      C.J. VAN DER GRAAF

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's