De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

12 minuten leestijd

Verdraagzaamheid.
Dat is een mooi woord. Vooral de liberalisten en de modernisten, de menschen, die de vrijheid voorstaan en die het nieuwe hemelhoog verheffen, hebben er niet zelden den mond vol van, als zij in de minderheid zijn. Als ze in de meerderheid zijn spreken ze wel eens anders en doen ze wel eens anders. Dan zeggen ze met prof. dr. H. Brugmans: „Er is in de liberale maatschappij ook eigenlijk weinig plaats voor andersdenkenden". En men zegt dan: „Door voor zichzelf te zorgen, behartigt men ook het best de belangen van anderen"; (Schets eener beschavingsgeschiedenis van Nederland, 1928, blz. 196, 201). Met Kappeyne van de Copello zegt men dan: „Dan moeten de minderheden maar onderdrukt worden". De liberalisten en de modernisten hebben geen plaats voor nachtuilen als rechtzinnigen, gereformeerden, enz. zijn.
We weten dat van onderscheiden terreinen des levens. Hoe hard knalde de zweep der dienstbaarheid. Op politiek terrein, op schoolgebied, ook op de kerkelijke erve. Heeft er pas nog weer niet een staatje in de courant gestaan, dat ongeveer in 1900, dus vóór het christelijk Ministerie dr. Kuyper, boven den Moerdijk 539 liberale burgemeesters waren en slechts 67 uit de drie groote partijen van rechts (Roomsch, Anti-Revolutionair en Christelijk Historisch)? In Zuid-Holland 163 liberale burgemeesteis en 17 niet-liberale; in Friesland 36 liberale en 7 niet-liberale; in Noord-Holland 132 liberale en 12 niet-liberale; Drenthe 32 liberale en één niet-liberaal. Met notarissen enz. was het dito dito. Met schoolopzieners, met leden van voogdijraden enz. niet anders.
Verdraagzaam — — — maar „de christelijken" kon men niet gebruiken. De liberalen zouden 't wel voor ons tegelijk doen! Zij de eerste helft, en ook de tweede helft, en wat er dan van de koek nog overbleef was voor „de christelijken". Dat zijn ook eigenlijk geen menschen — — — .
Op kerkelijk terrein is het nooit anders geweest. Al de verdraagzaamheid werd gevraagd voor de liberalisten en de modernisten. De moderne beginselen moesten een plaats ontvangen. Maar dan was het om ,,de Dordtsche kluisters" te verbreken en in de Kerk de onverdraagzame rechtzinnigen aan kant te zetten. De Kerk moest zóó ruim worden, dat de oude Christusprediking uit den tijd werd verklaard en de moderne leeringen aangaande schepping, val, verzoening, overal zouden heerschen. Die stijl-rechtzinnigen zijn ook zoo onverdraagzaam, die moesten er maar uit; die moesten ergens elders maar een onderdak zoeken!
Dezer dagen hebben we nog weer eens gebladerd in het oude boek: „Onderzoek van het Ontwerp van Verdraagzaamheid, om de leer, in de Synode te Dordrecht ten jare 1619 vastgesteld, met de veroordeelde leer der Remonstranten te vereenigen". ln die Tollerantie wilde men ook zoo verdraagzaam zijn, om de Kerk bewoonbaar te maken voor de rechtzinnige en vrijzinnige leer. Maar de rechtzinnigen hebben wel begrepen van 't begin afaan, dat zulks een onmogelijk pogen was, daar de Kerk dan door de verdraagzamen zou gebracht worden onder het juk van valsche leeringen en aan de heerschappij van het Woord en van Christus schade zou worden gebracht, opdat 's menschen willekeur dan tyranniek zou kunnen regeeren.
Rechtzinnig zegt dan in een van zijn samenspraken met Verdraagzaam het volgende:
„Mijnheer Verdraagzaam! Gij zoudt, naar mijn begrip, door uw wijze van doen eene Kerk verkrijgen van een zonderling maaksel, in welke waarheid en leugen, tegelijk gehoord, licht en duisternis tegelijk gezien, God en de afgoden tegelijk gediend zouden worden. De ware Kerk Gods is immers eene vergadering, een lichaam, dat één Heere, één geloof, éénen Doop heeft, en door belijdenis van de waarheid en betrachting van godzaligheid uitwendig van ongeloovigen en godloozen onderscheiden is, en zich daarvan afgezonderd moet bewaren. Hiertoe dienen nu de wetten en bepalingen, welke zij, volgens het Woord Gods, maakt omtrent de belijdenis en den wandel van alle hare leden; om dezelve in eenigheid des waren geloofs en goede orde te houden, en dezulken, die zich daarnaar niet gedragen willen, buiten hare gemeen­schap te houden, volgens de macht, die alle vergaderingen toebehoort.
Bijaldien nu iemand, in deze vergadering getreden zijnde, op beding van onderwerping aan hare regelen, later de dingen anders gaat zien, of zich verbeeldt beter licht te hebben ontvangen, en daarom niet gezind is derzelver wetten en verordeningen langer onderdanig te zijn, dan is hij even vrij om er uit te gaan, als hij er vrijwillig ingetreden is: de deur staat open; hij kan zich vrijelijk vervoegen tot zulk eene vergadering als hem beter gevalt.
Doet hij dit niet, en wil hij evenwel in de vergadering blijven, die kan hem niet ontslaan van de onderwerping aan de wetten en regels van hare gemeenschap, zonder alle hare banden los te maken.
Ja, oordeelt zij, dat hij in de hoofdzakelijke stukken des .geloofs dwaalt, zoo mag zij niet nalaten hem te vermanen, en, wanneer hij niet hoort, hem hare gemeenschap te ontzeggen, Om het verderf van het geheele lichaam te verhoeden en zulks volgens de bevelen van den Heere Christus en Zijne Apostelen. En in deze handelwijze is even weinig liefdeloosheid, als in het afzetten van een verrot en ongeneeslijk lid van ons lichaam, opdat niet het zuivere deel medegesleept worde".
In het vervolg zegt Rechtzinnig dan nog, dat het Verdraagzaam te doen is om een nieuwen Bijbel, die , den ouden Bijbel tegenspreekt! 't Gaat niet tegen de Formulieren als zoodanig. 't Gaat om een andere waarheid!

Dat is het onderscheid.
In „het Onderzoek van het Ontwerp van verdraagzaamheid" zegt „Verdraagzaam", dat de waarheid, in de Drie Formulieren van Eenigheid vervat, door de rechtzinnigen waarheid genoemd wordt, omdat men het in de Synodale munt van Dordrecht gestempeld heeft! Daarom gelooft men het, omdat de Dordtsche Vaderen het gezegd en geschreven hebben!
„Gij vergist u, mijnheer!" — aldus „Waarheidlievend" — „Gij hadt moeten zeggen: omdat het heeft het stempel van den Heiligen Geest, die in 't Woord daaraan getuigenis geeft. En het fijne zilver, dat van zulk een muntslag is, zal wel waarde houden; zoolang de Bijbel door menschen gelezen wordt".
In een tweede gesprek zegt „Rechtzinnig" dan later:
„Wij schamen ons niet voor onze zuivere en nauwkeurig bepaalde leer en aarzelen niet dezelve te verdedigen en ons pal te zetten tegen de tegengestelde, onder welke gedaante deze zich ook mag voordoen. De waarheid Gods, in het Evangelie geopenbaard, is onze rondas en beukelaar, en daarom zijn onze voeten ter verdediging van die leer, zoolang wij ons roeren kunnen, met bereidheid geschoeid.

De Overheid en de Kerk.
In „het Onderzoek van het Ontwerp van verdraagzaamheid", waarin het Gereformeerd gevoelen onzer Gereformeerde Vaderen ten opzichte van de leer en van de Kerk uitkomt, zien we ook, wat hun gedachte was omtrent de verhouding van de Overheid tot de Kerk. Daar staat b.v. dat „Rechtzinnig" in een gesprek met „Verdraagzaam" zegt:
„Ik ben voor de lijdelijke, dat is, eene Christelijke verdraagzaamheid, gelijk die van David ten opzichte van den vloekenden Simeï. Ik ben ook niet tegen de dadelijke verdraagzaamheid in zaken van Godsdienst; daar ben ik vóór, zoo goed als iemand anders, doch met zekere onderscheidingen en onder behoorlijke bepalingen. Er is eene noodige en nuttige burgerlijke verdraagzaamheid, en deze betreft ten deele de Overheden, ten deele de onderdanen in den Burgerstaat, die leden van de Kerk zijn. Ik heb een afkeer van alle heerschappij, die Zich uitstrekt tot gewetensdwang".
Maar dan volgt verder:
„Evenwel denk ik niet, dat leeringen, welke lasterlijk zijn tegen God, oproerig tegen de samenleving, of strijdig tegen de goede zeden, door een Christelijke Overheid kunnen verdragen worden, dewijl zulks geen ander gevolg zoude kunnen hebben, dan het bederf van Staat en Kerk". Wat hieronder dan nader uitgewerkt verstaan wordt blijkt uit de aanteekening onder aan de bladzijde. Daar staat:
„De Overheid is gelijk een vader des huisgezins, die acht geeft op de opvoeding en den omgang zijner kinderen, en die, vernemende dat het gemoed der kinderen door kwade leermeesters bedorven wordt, of dat zij tot een ongeregeld leven verleid worden, de macht heeft, om dien zielbedervenden meesters en verleiders 't onderwijs en de gemeenschap met zijn kinderen op te zeggen en die buiten de deur te houden".
De Overheid dus vergeleken met een gezinshoofd; met zorg voor zijn kinderen, om kwade meesters en verleiders buiten de deur te zetten. Wat dan nader duidelijk gemaakt wordt door hetgeen de wijdvermaarde Coccejus leerde: „dat het den vader en de moeder toekomt, den valschen Profeet te doorsteken, wanneer hij profeteert. (Zach. 13 vers 3). En dezelfde leert: „Het is niet uit God te leeren, dat de Overheid niet tusschenbeide moet komen; dat is uit u zelven voortgebracht; want God wil, dat de Overheden voedsterheeren van de Kerk zijn. En als de Overheid niet tusschenbeide mag treden, zoudt gij even goed kunnen zeggen, dat de huisvaders moesten stilzitten, zoo menigmaal iemand in het gezin nieuwe leeringen zoude pogen te strooien. (Examen Apol. § 311)".
Men voelt: de Overheid moet dus inzake de leer optreden en wel tegen de personen, die de valsche leeringen verkondigen. Dat blijkt uit wat „Rechtzinnig" verder zegt inzake het niet verdraagzaam zijn van de Overheid: „Zulk eene verdraagzaamheid heeft men van onze Christelijke Overheid niet te wachten, die de lasterlijke leeringen van de Socinianen uit den lande verbannen hebben".
Verder is bekend, gelijk ook in „het Onderzoek van het Ontwerp van. Verdraagzaamheid" gememoreerd wordt: dat „de Vereenigde Gewesten zijn overeengekomen in de goedkeuring van de leer, in de Geloofsbelijdenis, den Catechismus en de Regelen der Synode van Dordrecht bepaald en die leer niet alleen geduld, maar ook goedgekeurd, bevestigd en bekrachtigd en hebben gewild en vastgesteld: dat geene andere leer in de Kerken dezer Landen zal worden geleerd of gedreven, als welke overeenkomstig het oordeel der Dordtsche Synode is".
Dat was de Approbatie van Hunne Hoog Mog. van den 2 Juli 1619. Hier wordt aan de Overheid een taak opgelegd en toebetrouwd, waarop zij geen recht heeft en wat de grootste ellende voor Kerk en godsdienst, voor volk en vaderland meebrengt. De ware leer moest, volgens dat stelsel ,,beide kerkelijk en burgerlijk" vastgesteld worden (Onderzoek: Deel 1, blz. 76 enz.) — en dat is een principieele fout; daarvoor heeft de Overheid geen roeping en geen recht.

Te eng?
Bij de „bevestiging en intree" — welke woorden in dit verband natuurlijk onjuist zijn — van den modernen dominé Bloemhoff, die zich als „leeraar aan de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden te Hillegersberg heeft verbonden", ('t welk in één en dezelfde samenkomst geschiedde), heeft prof. dr. J. Lindeboom van Groningen o.a. gezegd: "Wat hier gebeurt bewijst, dat er iets ontbreekt aan onze Ned. Hervormde Kerk. Dat wij hier samen zijn, zou eigenlijk anders moeten zijn. Er is engheid in onze Kerk, waar ruimte had moeten zijn. Er is in de Kerk te veel benepen dogmatisme, maar al te veel vormendienst".
Wat dat eerste betreft „dat er iets ontbreekt aan onze Ned. Hervormde Kerk" begrijpen we niet goed. Want in Hillegersberg is een kerkeraad en een dominé. Nu bedoelt prof. Lindeboom wellicht: ze hadden er in Hillegersberg nog een dominé bij moeten beroepen en dan een vrijzinnig man als ds. Bloemhoff, en dat hebben ze niet gedaan. Dat is het wat er aan onze Ned. Hervormde. Kerk ontbreekt!
Maar dat begrijpen we niet goed.
We denken aan Rijswijk, bij Den Haag. Daar is een kerkeraad en een dominé. Vrijzinnig op ende op! Daar moet noodig een tweede predikant komen, de tweede predikantsplaats is al gesticht. Maar denken de vrijzinnige heeren te Rijswijk er over om een rechtzinnig predikant te beroepen naast den vrijzinnigen ds. Post?
Geen denken aan!
Wat prof. dr. Lindeboom dus te Hillegersberg gezegd heeft, heeft niet de minste waarde in dien mond.
Waarbij een klein kind kan begrijpen, dat het véél erger van die vrijzinnigen te Rijswijk is om zoo onvrijzinnig te zijn, dan dat het erg is van die orthodoxen te Hillegersberg, die immers, juist omdat ze orthodox zijn, onmogelijk een modernen leeraar kunnen beroepen.
Slechte vrijzinnigen zijn het, die aan de orthodoxen niets gunnen!
Maar prof. Lindeboom heeft óók gezegd: »Er is engheid in onze Kerk, waar ruimte had moeten zijn. Er is in de Kerk te veel benepen dogmatisme«.
Zeker — er ontbreekt ontzaglijk veel aan onze Ned. Hervormde Kerk. We zijn ook nog lang niet „klaar" met alles. Maar prof. Lindeboom, als historicus, weet beter, dan dat eenvoudig, zonder meer, met „benepen dogmatisme" en „vormendienst" mag worden bestempeld, dat de Ned. Hervormde Kerk onder de prediking van het Evangelie van Christus, naar Gods heilig Woord — proponentsformule en beroepsbrief! — niet erkent de prediking van de modernen.
Dat is geen „engheid"; dat is geen „benepen dogmatisme"; dat is geen „vormendienst". Dat is zijn of niet-zijn. Dat is Evangelie of geen-Evangelie. Dat is Jezus Christus of geen-Christus. Dat is levensbrood of geen-brood. Dat is waarheid of loochening van de waarheid.
Het is geen „benepen dogmatisme" het geloof los te maken van den inhoud, van het voorwerp des geloofs: Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, eene verzoening voor onze zonden.
En de prediking èn de bediening van het Sacrament van den H. Doop èn de bediening van het Sacrament van het Heilig Avondmaal, èn het lied èn het gebed in onze Ned. Hervormde Kerk staat of valt hier.
We kunnen natuurlijk hier verschillen, maar men moet het niet betitelen met ,,benepen dogmatisme" of met „engheid" of met „vormendienst", dat de Ned. Hervormde Kerk in bijbelschen zin belijdt: Jezus Christus en dien gekruisigd. Ook wie hiermee vierkant verschilt moet het niet op die manier afmaken.
En vooral een professor, een historicus, weet beter. En het verzwakt, het ontsiert wat men zegt, als men het zóó zegt. Onze Ned. Hervormde Kerk is in deze niet „benepen" en niet te „enghartig"! Gelukkig niet.
Zij poneert het Evangelie van Jezus Christus naar Gods heilig Woord! 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 november 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 november 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's