STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Een principiëele kwestie.
De Minister van Financiën heeft bij de Tweede Kamer een wetsontwerp aanhangig gemaakt tot herziening van de financieele verhouding tusschen het Rijk en de gemeenten. Er zou voor ons geen reden zijn om dit wetsontwerp, dat hoewel op zichzelf om zijne groote beteekenis voor den financieelen toestand van de gemeenten een bespreking overwaard is, onder de oogen onzer lezers te brengen, ware het niet, dat bij wat de regeering voorstelt een belangrijke principieele kwestie betrokken is.
Om aan de klachten van vele gemeenten, die onder zwaren belastingdruk gebukt gaan, tegemoet te komen en een meer gelijkmatige behandeling van 's Rijks ingezetenen mogelijk te maken, stelt de regeering in het genoemde wetsontwerp voor, om de gemeentelijke belasting naar het inkomen, welke zij ondoelmatig acht, af te schaffen en daarvoor in de plaats te doen komen een fonds, waarvan de inkomsten naar zekere regelen onder de gemeenten zullen worden verdeeld.
De vorming van dit fonds, in het wetsontwerp genaamd „gemeentefonds", maakt het hoofdpunt van het voorstel der regeering uit, al worden ook nog andere regelingen voorgesteld, die niet van beteekenis ontbloot zijn.
Van hetgeen hier voor ons van belang is, hebben wij alleen met dit gemeentefonds te maken, waaruit, zooals hierboven gezegd werd, aan de gemeenten, ter vervanging van de gemeentelijke belasting naar het inkomen, uitkeeringen worden gedaan. Naar de bepalingen van het wetsontwerp wordt bij deze uitkeeringen alleen gerekend met het totaal-bedrag der zuiver ten laste van de betrokken gemeente blijvende gewone uitgaven voor politie, lager onderwijs en armenzorg, met inbegrip van de voorziening tegen werkloosheid.
Het totaal-bedrag van deze uitgaven zal naar zekere regelen aan de gemeenten uit het gemeentefonds worden gerestitueerd. Nu bestaat er geen bezwaar om in het bedrag der uitkeeringen te betrekken de uitgaven voor politie en lager onderwijs, maar wèl is er bedenking, zelfs ernstige bedenking om op gelijke wijze te handelen met de uitgaven voor armenzorg.
En hier komen wij aan de principieele kwestie, die onze aandacht vraagt. Ten aanzien van de armenzorg valt te rekenen met de bemoeienis van de Overheid, van de Kerk en van de particulieren. In een gemeente, waar het kerkelijk leven bloeit, zal het voornamelijk de Kerk zijn die zich met de armenzorg bezighoudt; de gemeentelijke Overheid zal dan met haar steun slechts aanvullend hebben op te treden. Gansch anders staat het, wanneer de Kerk zich hare roeping niet bewust is, of niet in staat is met ruime hand weldadigheid te bewijzen, dan is het de Overheid die het leeuwendeel van de armenzorg voor hare rekening krijgt.
Blijft nu in het wetsontwerp van Minister De Geer het beginsel gehandhaafd, dat de gemeente hare uitgaven ten behoeve van de armenzorg ook uit het gemeentefonds uitgekeerd krijgt, dan zal in een gemeente, waar de Kerk haar plicht doet, en dus aan gemeentelijke armenzorg weinig wordt gedaan, de uitkeering aan die gemeente uit het gemeentefonds gering zijn. Men betaalt in zijn belasting aan het fonds dan wel het volle pond, maar krijgt zelf slechts een bagatel terug.
Daarentegen ontvangt de gemeente, die de geheele armenzorg voor hare rekening krijgt en waar de Kerk aan de liefdadigheid niets doet, tengevolge van het feit, dat zij een hooge rekening aan armengelden heeft, ook een groot bedrag uit het gemeentefonds. De Kerk, die dus haar plicht doet en naar behooren haar taak verricht, wordt hier geldelijk gestraft.
Het gaat met deze aangelegenheid, als destijds met het onderwijs. De voorstander van christelijk onderwijs mocht vroeger eerst mede betalen aan de uitgaven voor de openbare school, en daarna de noodige gelden opbrengen ten behoeve van eigen onderwijs.
Terecht is tegen dit beginsel van meetaf met klem geprotesteerd. Daarom kan ook met het voornemen van de regeering niet worden ingestemd om de uitgaven van de armenzorg in de gemeentelijke huishouding als object te beschouwen voor uitkeering uit het gemeentefonds.
Dan toch bewandelt men een even onrechtvaardigen weg als in de dagen toen tweemalen voor het onderwijs moest worden betaald. De regeering zal naar een uitweg moeten zoeken om uit deze moeilijkheid te geraken. Misschien zou een poging, om uit de impasse te geraken, kunnen zijn, dat bij het vaststellen der uitkeering uit het gemeentefonds ook rekening werd gehouden met wat de Kerken en de particulieren aan de armen uitkeeren. Echter, hoe dit zij, tegen de regeling, zooals deze in het wetsontwerp is getroffen, beslaat ernstige bedenking.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 november 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 november 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's