De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Overgave!

11 minuten leestijd

»Alzoo zal ik tot den Koning ingaan, hetwelk niet naar de wet is. Wanneer ik dan omkome, zoo kom ik om«. Esther 4 vers 16b.

Een donkere nacht legert zich boven het hoofd van al de nakomelingen Abraham's, die daar gevonden werden in het groote rijk van Koning Ahasveros.
Een donkere nacht — want daar snellen de loopers heen uit de burcht Susan naar al de landschappen van dat onmetelijke wereldrijk.
Een donkere nacht  — want het geschrift, dat daar was in de hand dier loopers, behelsde het bevel: „al de Joden, van den jonge tot den oude toe, de kleine kinderen en de vrouwen, moeten verdelgd worden op éénen dag, op den 13den der twaalfde maand".
Een donkere nacht daalt neder over het zaad Abraham's — en straks zal die donkere nacht al wat den naam „Jood" draagt hebben verzwolgen na den dertienden der twaalfde maand moet uitgeroeid zijn het volk, dat een doorn was in Haman's oog!
Maar ziet, wonderlijke leiding, een dochter van dat gehate, dat ten ondergang gedoemde, dat onder het doodsvonnis liggende volk, is koningin, zit naast Ahasveros op den troon! Esther, de Jodin, koningin! en Mordechaï, haar pleegvader, haar oom, zit voor de poort des konings, gekleed met een zak, bestrooid met asch, als teeken van de diepe verslagenheid, de ontroering der ziel.
Koningin Esther, wie dit bericht werd, doet door Hatach navraag naar de oorzaak en zij ontvangt een afschrift van de geschreven wet, maar tevens, ook een gebod van Mordechaï, dat zij, Esther, tot den koning zal gaan „om hem te smeeken en van hem te verzoeken, voor haar volk".
Zie daar voor u Esther, te midden van de weelde, de heerlijkheid van het hofleven te Susan. Tot haar komt het gebod van Mordechaï, om tot den koning te gaan. Maar in Esther's ziel vermenigvuldigen zich de gedachten: zal zij, mag zij tot den koning gaan? — „alle knechten des konings en het volk der landschappen des konings, weten wel, dat al wie tot den koning ingaat in het binnenste voorhof, die niet geroepen is, hij zij man of vrouw, zijn eenig vonnis zij, dat men hem doode, tenzij, dat de koning den gouden scepter hem toereike, opdat hij levend blijve; ik nu ben deze dertig dagen niet geroepen om tot den koning in te komen''.
Esther weegt tegen elkander op: in de eene hand: haar koninklijke eer, haar heerlijkheid, haar macht, haar luister; in de andere hand: haar verwerping, haar teruggestooten worden onder dat geknechte volk, haar terugkeer tot Mordechaï, haar dood wellicht!
O! als Esther maar een uitweg zag om aan Mordechaï's gebod te ontkomen, een uitvlucht en ja! daar ziet ze er een: „in 30 dagen niet geroepen", de koning heeft klaarblijkelijk geen lust aan haar. Hoe zal ze dan nu, ongeroepen, vermetel tot hem gaan? Neen! 't is onmogelijk. En zoo ontvangt Mordechaï als antwoord, dat ze niet ging.
Maar och! Mordechaï slaat haar dien schijnbaar zoo mooien vond van in geen dertig dagen geroepen te zijn, uit de handen. Want, laat hij haar weder antwoorden: „beeld u niet in, in uwe ziel, dat gij zult ontkomen in het huis des konings, meer dan al de andere Joden". Dat sneed door Esther's ziel; zij ook, óók zij behoorde tot het onder het doodsvonnis liggende volk, ook zij moet sterven!
Vol leering is dit alles. Wij kunnen het toepassen op ieder menschenkind. Daar is een doodsvonnis, uitgesproken door den Koning der koningen: Stof zijt gij en gij zult tot stof wederkeeren. Het doodsvonnis over het volk in Ahasveros' rijk zou op den bepaalden datum voltrokken worden; maar gij, die onder dat algeheele doodsvonnis valt, gij weet niet: dag en uur van uw dood. Maar dit ééne is zeker: eenmaal komt het oogenblik dat gij sterven moet en voor Gods rechterstoel verschijnen.
En dan?!
In Ahasveros' rijk waren er allicht, die zich weinig bekommerden over 't naderend oordeel: tijd genoeg, waarom zich nu al druk gemaakt! Anderen weer, waren als Mordechaï in rouwgewaad gehuld, maar zij deden niet, wat hij deed: zoeken of er ook een weg der ontkoming ware.
Mensch, tot wien het vonnis van den eeuwigen dood komt, („vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in 't boek der Wet, om dat te doen" — ,,er is niemand, die goed doet, ook niet tot één toe") wat vangt gij aan met die oordeelsprediking? Wat doet gij met die ontzaglijke waarheid, die het Woord Gods u gepredikt hééft, u predikt, u zal prediken?
Er zijn er velen, die zeggen: leven is leven, en dood is dood. Laat ons eten, drinken, vroolijk zijn, morgen sterven we en dan is alles voorbij. Behoort ge nog tot hen al is het niet in zoo'n ruwen vorm, 't kan ook beschaafder zijn, in den zin van maar uitstellen, maar verre van zich schuiven den dag des doods, maar opgaan in de dingen dezer wereld: geld, eer, vleeschelijke genieting.
Er zijn ook anderen, die allerlei misbaar maken, klagen over de ellende, gansch den dag en onderwijl rustig voortleven. Tot Esther komt de tijding om tot den koning te gaan — tot u komt de tijding om tot den Koning der koningen te gaan, vragende of het oordeel mag worden afgewend.
Maar nu de overlegging uws harten! „(Mijn zoon. Mijn dochter, geef Mij uw hart!" Ja maar! zoo overlegt het arglistige hart, als ik tot den Koning ga, dan zet ik al 't mijne in de weegschaal, al 't mijne moet er aan! en een ander: zal ik tot den Koning gaan, ik, de vervloekte, tot Hem, den Hoogheilige, Die een verterend vuur is, voor al wat onrein is! Ik moet toch eerst zekerheid hebben van mijn roeping, ik ben niet geroepen, evenmin als Esther geroepen was. Neen, ik kan niet komen, ik ben niet uitverkoren!
Eén antwoord bereikte Esther, n.l. dit, alle vonden uit handen wegslaagde, dit zieleverscheurende antwoord: tóch sterven.
Hoe gij u wringt, goddeloos of vroom, één antwoord  „gij zult toch verdoemd worden". Dat, dat alleen is het eenig antwoord der Wet. Maar daarom moet ge ook nu wederom die tijding lezen, opdat ge tot den Koning moogt gaan, smeekende om genade en geen recht. Alle overleggingen moeten er aan, alle, de goddelooze, maar ook de vrome, de Farizeesche, de eigengerechtige! Tegenover al uw overleggingen, tegenover al uw tegenwerpingen, tegenover al uw „maars" en „ochs", tegenover alles, wat uit het arglistig hart opborrelt, staat de Godssprake: „Gij zult toch sterven". Ontzettend woord! Gij denkt: ik ben nog jong ..... gij denkt: ik ben toch zóó slecht niet ..... gij denkt: ik ben niet geroepen ..... tot u allen komt ook nu het woord: toch sterven!!!
Kent gij die overleggingen niet, hebt ge ze niet meermalen beluisterd? Weerklinken ze niet in uw eigen ziel? Toch sterven!
Alles wordt u ontnomen. O! dit is een afsnijdend woord, o laat u alles ontnemen, opdat uw zonde u tot zonde worde, opdat ook gij, met Esther, hoorende het onherroepelijke, het onafwendbare: toch sterven! opdat die tijding vernemend in het diepst uwer ziel, ook gij moogt spreken, bij aanvang of voortgang: „ik zal tot den Koning ingaan, 't welk niet is naar de Wet. Wanneer ik dan omkom, zoo kom ik om!"
Koningin Esther geeft zich gewonnen. Zij gaat! 
Van te voren echter zal zij — vasten. En na dien vastentijd treedt ze tot den koning om daar voor zijn aangezicht de smeekbede neer te leggen.
„Het geschiedde nu aan den derden dag, dat Esther een koninklijk kleed aantrok en stond in het binnenste voorhof van des konings huis "
Daar staat Esther, vóór den koning, wachtende! bekleed met ootmoedigheld. Gij moet toch sterven! Bereiddet gij u reeds voor om tot den Koning te gaan? Maar ziet, dan is het noodzakelijk, dat gij den voorafgaanden vastentijd kent, doorleefdet! Tot den Koning gaan. Neen, dat is niet naar de Wet. De Wet zegt: zeker! ge moogt tot den Koning gaan, maar dan langs de Wetsladder. En och, arme! dan is het hopeloos. Tot den Koning gaan.
Neen, dat is niet naar de Wet, de Wet spreekt de vervloeking uit. Daarom, in dien vastentijd, rijzen voor uw geestesoog de ongerechtigheden als bergen naar omhoog, 't wordt u benauwd, en Satan fluistert: gij tot den Koning gaan, gij zijt nogal een aanlokkelijk voorwerp! Maar in de benauwenis, in die indaling in eigen verlorenheid, in die kennis der zonde, als zijnde de afval van een Hoogheilig, Liefderijk God, breekt tenslotte door de kreet: tegen de Wet, maar ik ga tot den Koning om genade. Kom ik om, dan kom ik om!
Dat is het einde van het „werken". Dat is: Overgave! Nu mag de Koning het oordeel vellen, de ziel zal het billijken. „Uw doen is enkel recht".
Esther staat daar in het koninklijk kleed, dat was aangenaam in 's konings oog. Dat kleed had Esther niet gekocht, niet geleend, niet gevonden, niet gemaakt — van den koning had zij het ontvangen.
De zich overgevende ziel nadert tot den Allerhoogsten Koning in het kleed van schuldbesef en zondebelijdenis. Dat gewaad is niet te koop, is niet te maken — het is het werk van God den Heiligen Geest: zalig zijn zij, die treuren! Dat is het kleed, dat de tollenaar droeg, waarmede de moordenaar aan het kruis omhuld was, hetwelk viel over de schouders van Saulus van Tarsen.
„God is nabij de ziel, die schreiend tot Hem vlucht".
Hoe is uw nadering, als daar een nadering is?! Zijt gij bekleed met het Gode welbehagelijke kleed der verslagenheid? Kent gij dat ,,Estherkleed"!
Esther verkrijgt genade, 's Konings oog rust vol welgevallen op haar, op haar, die ongeroepen, vermetel doordringt tot 's konings troon. Den dood voor oogen, den dood verdiend en het leven ontvangen.
Want de koning reikt haar den gouden scepter toe: Het Genadeteeken! En zij roert de spits des scepters aan; zij heeft door den scepter, door het genadeteeken, gemeenschap met den koning !
Maar niet alleen dat! Wondere woorden klinken Esther tegen.
„Toen zeide de koning tot haar: wat is u, koningin Esther! of wat is uw verzoek? het zal u gegeven worden, ook tot de helft des koninkrijks". Niet alleen „genade", ook „eere"! Esther wordt „koningin" genaamd. Wat is u, wat hebt ge te klagen? Wat is uw verzoek, wat hebt ge te vragen?  O, als de aan zichzelf ontdekte, als de het recht Gods onderschrijvende ziel in die tollenaars-, in die Esthergestalte-tot de voetbank van Gods troon is genaderd, dan wordt het ondervonden, dat daar is een genadescepter! In Christus nadert de eeuwige God tot het verbroken hart, in Christus wordt daar gesproken: Mijn zoon, mijn dochter, wat is u, wat is uw verzoek?
Ja! te klagen .......... bergen van zonde, diepte van ongerechtigheid.
Ja! te vragen .......... om genade om behouden te worden.
En in de ontroerde, het op genade werpende ziel, daalt de waarheid: wees goedsmoeds, uw geloof heeft u behouden. Maar, waar is dan de Wet? Het is een zaak tegen de Wet! Wel, in Christus is de Wet voorbijgegaan, „alles is volbracht". Het Recht is vervuld in Christus; in Christus genade voor den onder het recht beslotene! Zóó werkt de Heilige Geest dat werk, dat God de Vader in Christus den Zoon schonk, dat Christus, de Zoon, aan het kruis volbracht!
Kent gij dat?
In den Hebreërbrief lezen we: ,,laat ons toegaan met vrijmoedigheid tot den troon der genade, om geholpen te worden ter bekwamer tijd". Zalig, als gij, persoonlijk, dien „bekwamen" tijd leerdet kennen, en als een Esther het Leven ontvingt, waar de dood voor oogen was: Genade voor recht. Zalig, als gij u overgaaft, als gij die wondere „overgave" kent — dan zal het eenmaal zijn: eeuwig in des Konings paleis: genade en eere!
En gij, die daar nog aan komt dragen met veel en velerlei tegenwerpingen, misschien wel heel „vrome" — o, wij bidden van Christuswege: „gaat tot den Koning!" Ja maar, zegt ge, het is tegen de Wet, ik ben niet geroepen, ik ken mijn zonde nog niet diep genoeg, ik moet eerst dit en dan dat hebben doorgemaakt. Wij vragen u echter: als gij in dien tusschentijd sterft, wat dan? Heden! heden!! heden!!!, „gaat tot den Koning", en o, als ge gaat in de gestalte van: „Kom ik om, dan kom ik om", zóo mogen we het u toeroepen op grond van 't Eeuwige Woord onzes Gods: Gij zult niet omkomen, maar eeuwig leven!
Des Konings lust is in het Leven!
Maar! als daar nog geen behoefte is om tot den Koning te gaan, als daar nog geen verbrokenheid wierd gekend — o laat het u dan nogmaals tegenklinken: Gij zult sterven en voor eeuwig buiten des Konings aangezicht verzinken. Het is nog het „heden". Leer u kennen in den Spiegel der Wet als één, die onder het oordeel zijt besloten.
Overgave. — „Kom ik om, dan kom ik om !" — Het zal u gegeven worden.
"Opent uwen mond,
Eischt van Mij vrijmoedig
Op Mijn trouwverbond.
Al wat u ontbreekt
Schenk Ik, zoo gij 't smeekt,
Mild en overvloedig".
„Welzalig, Heer'! die op U bouwt,
En zich geheel aan U vertrouwt".
Amen!
Zegveld.                                                     A. J. WESTRA-HOEKZEMA.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 november 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 november 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's