MEDITATIE
Eén wraak voor twee ogen
Toen riep Simson tot den Heere, en zeide: „Heere, Heere, gedenk toch mijner, en sterk mij toch alleenlijk ditmaal, o God! dat ik mij met ééne wrake voor mijne twee oogen wreke aan de Filistijnen!" En Simson vatte de twee middelste pilaren, op welke het huis was gevestigd, en waarop het steunde, den éénen met zijne rechterhand, en den anderen met zijne linkerhand. En Simson zeide: „Mijne ziel sterve met de Filistijnen!" En hij boog zich met kracht, en het huis viel op de vorsten, en op al het volk, dat daarin was. En de dooden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer dan die hij in zijn leven gedood had. Richteren 16 vers 28—30.
Geen mensch op de wereld zondigt goedkoop; en vooral een Christen niet. Inderdaad! zoo iemand duur zondigt, dan is het de Christen. De Heere toch rekent aan deze zijde van het graf geducht met Zijn kinderen af, wanneer zij Zijn wetten overtreden. Hiernamaals niet; alleen de tijdelijke, niet de eeuwige straffen, zullen de wedergeborenen treffen; want na hun sterven gaan ze naar den hemel, waar ze voor immer en altoos van dat allerzwaarste kruis der zonde zullen zijn verlost, en Koning Jezus dienen in vrijheid, blijheid en heerlijkheid. Uit welke oorzaak spruit het voort, dat het volk des Heeren op aarde veel duurder zondigt dan de onbekeerde menschen? Dat komt o.a. hiervan: Ten eerste, de kinderen Gods weten zoo veel beter, wat de zonde eigenlijk is; door Woord en Geest leerden ze dieper het onderscheid peilen tusschen goed en kwaad. Als een vrucht der wedergeboorte is hun de zonde tot zonde geworden. Ten tweede mogen aan een Christen hoogere eischen gesteld worden; hij heeft een betere school bezocht. Voorts zondigt een Christen niet feitelijk tegen God als Wetgever en Rechter, maar, waar de Heere hem in Christus weder aannam als Zijn kind, tegen een goedertieren en weldoend Hemelvader; en dat maakt de zonde grooter in hare verschrikkelijkheid.
Hoe ver echter een Christen afdwalen kan, geheel wegdwalen kan hij nooit. De Heilige Geest brengt hem steeds weer bij zijn God terug met tranen, smeeking, berouw en gebeden. Ook kan hij wel in de zonde vallen, maar er niet in leven. Daarom zal de vijand nooit geheel over hem triomfeeren. Met den profeet mag hij hem in het aangezicht slingeren: „Verblijd u niet over mij! Als ik gevallen ben, zal ik weder opstaan!"
Simson had evenmin goedkoop gezondigd. Deze Nazireër Gods, tevens Richter over Israël, was, wanneer de Geest des Heeren over hem vaardig werd, sterk, heel sterk, zooals nog nimmer een mensch op de wereld geweest was. Dan grensde zijn lichaamskracht aan het ongelooflijke. Een jongen leeuw greep hij aan, en verscheurde dien met zijn handen. Duizend Filistijnen, om niet meer te noemen, versloeg hij met een ezelskinnebakken. Zijn vijanden ontstelden reeds, alleen op het hooren van zijn naam. — Desondanks was Simson zwak, o zoo zwak. Aan de verleiding der zonde kon hij zoo heel moeilijk weerstand bieden. Sterke touwen verbrak hij als vlassnoertjes; versche zeelen rukte hij uiteen; maar het was hem bij tijden, onmogelijk zichzelf te overwinnen; en wie zichzelf overwint, is sterker dan hij die leeuwen en legers verslaat. En daardoor raakte hij verdoold in de strikken van de valsche Delila, die hem vleiend koesterde, liefde voor hem huichelde, doch hem schandelijk bedroog en verried voor den bloedprijs van een weinig geld. Straks in den kerker, blind en een gebroken man, zal hij wel gezucht hebben, gelijk een dichter hem op de lippen legt:
Was dat de liefde, die gij veinsdet,
Delila, met zoo zoeten mond!
Dat ge op uws minnaars onheil peinsdet,
Hoe gij hem best verraden kondt.
Terwijl uw hand mijn voorhoofd streelde,
En met mijn zeven lokken speelde,
Zon 't listig slangenhart op moord.
En ik? In plaats van Gods bescherming
Te zoeken voor uw valsche omarming,
'k Werd door uw zoet gevlei bekoord.
Voor een figuur als Delila kunnen we zonder twijfel niet anders dan verachting koesteren, temeer maar zij blijk geeft, niet alleen van een immoreele levensopvatting, maar bovendien van een buitengewoon laag staand karakter. Desondanks is er ook voor vrouwen van het soort van Delila genade, wanneer zij zich met een oprecht hart tot Jezus bekeeren. Tijdens Zijn omwandeling op aarde heeft de Heiland ook dit soort stumperds gered uit de klauwen van den satan; ja, zelfs eigengerechtige farizeërs gewaarschuwd, sprekend: „Hoeren en tollenaren zullen u voorgaan in het Koninkrijk der hemelen!"
We kunnen naar aanleiding van dezes Nazireërs zonden de kinderen des Heeren niet genoeg waarschuwen om te waken, te bidden en te strijden. Ontvliedt verleiding en gevaar; moordspelonken dreigen van allen kant. De zonde hult zich vaak in onschuldig uitziend kleed, is desondanks overtreding van Gods wil en wet. Het is waar: de zonde zal ons niet uit den hemel houden, maar zij houdt toch den hemel uit ons hart, en doet den Heiligen Geest van ons wijken. Toen Simsons haren afgeschoren waren, bemerkte hij het duidelijk, dat de Geest hem verlaten had; en toen hij zijn God kwijt was, was hij voor dien tijd alles kwijt; een hulpeloos, weerloos slachtoffer des vijands was hij geworden.
Arme Simson!
Inderdaad, ook Simson zondigde niet goedkoop. Gevangen werd de knecht van Jehova genomen door zijn doodsvijanden; en zijn oogen, die zoo vaak van zondigen lust hadden geblonken, groeven zij hem uit, en zij voerden hem af naar Gaza, bonden hem met twee koperen ketenen, sloten hem op in 't kerkerhol; en daar moest hij, deze leeuw der woestijnen, malen met een molen, gelijk de allergeringste slaaf. Wat er toen voor droeve gedachten omgingen in Simsons hart, wie zal het beschrijven? Of hij ook veel op de knieën gelegen heeft voor den Heere? We moeten veronderstellen van ja; immers genade is een onverliesbaar goed, wijkt van een Christen nooit geheel, en tot de werkzaamheden der goddelijke genade behoort ook schuldbelijdenis, oprecht berouw en een aanhoudend smeekgebed om vergeving van zonden. Daarom ondervond hij ook dezen bemoedigenden troost: het haar van zijn hoofd begon wederom te wassen, gelijk het te voren geweest was; en daar mocht hij uit opmaken, dat zijn Verbondsgod niet geheel en voor immer van hem geweken was, en dat zijn ontrouw Gods trouw niet had vernietigd. Maar zijn oogen waren weg, en bleven weg; gelijk alle blinden liep hij in een lichtlooze wereld.
Zoo brengt de Heilige Geest een Christen op 's Heeren tijd weder tot verootmoediging en gebed. Ook werkt middellijk het besef, dat Gods naam om onzentwille door de vijanden gelasterd werd, hierin krachtig mede.
De vorsten der Filistijnen gingen met het volk een groot feest organiseeren ter eere van hun god Dagon, die, naar zij meenden, hen zoo kennelijk bevrijd had van hun angst voor Israels Richter. Op dat feest zongen zij van Dagon, dat hij hun vijand, Simson, in hun hand gegeven had. — Toen de vroolijkheid haar toppunt had bereikt, riepen zij om Jehova's knecht, op eenzelfde wijze als later koning Belsasar in de feestzaal zal roepen om de gouden en zilveren vaten uit 't Huis des Heeren. Spelen moest Simson voor hen, opdat zij daarin Jehova hoonden. De Heere echter laat zich niet bespotten. En, wanneer aan God geduld een einde komt, zijn Gods oordeelen verschrikkelijk.
Als Simson voor het volk gespeeld heeft, doet men hem wat staan tusschen de pilaren van den afgodstempel, om uit te rusten, en straks weer opnieuw te beginnen met het vernederend spel. Daar echter vond hij zijn kracht in zijn God terug. Daar kwam hij door den Heiligen Geest tot een diep ootmoedig smeekgebed. Tot den jongen, die den blinde geleidde, sprak hij: „Laat mij gaan, dat ik de pilaren betaste, dat ik daartegen leune!" Op die pilaren steunde het geheele huis, dat vol mannen en vrouwen was; alleen het dak reeds bevatte drie duizend personen. Toen riep uit de diepte zijner ellende de Nazireër tot Jehova: „Adonai, Jehova, gedenk toch mijner, en sterk mij alleenlijk ditmaal, o God, dat ik mij met ééne wrake voor mijne twee oogen wreke aan de Filistijnen!" En hij was weer de oude Simson van voorheen, de Richter, de IJveraar, de geheiligde Nazireër, de knecht Gods. Duur leergeld had hij moeten betalen; maar zijn trouwen Verbondsgod had hij teruggevonden.
Zoo is de Heere dan een getrouwe God; en Hij verhoort de bede van Zijn schuldbelijdend, berouwhebbend, om hulp kermend kind. De Geest des Heeren werd nog eenmaal vaardig over Simson. Hij vatte de pilaren, den éénen met zijn rechterhand, en den anderen met zijn linkerhand, en roepend; „Mijn ziel sterve met de Filistijnen!" boog hij zich met kracht; en het huis viel op de vorsten en op al het volk, dat daarin was; en de dooden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer dan die hij in zijn leven gedood heeft.
Welkeen zalig wonder, niet waar, lezers, dat de Heere omziet naar dat volk, ook in zijn afdwalingen, welks verwachting is van zijn God! Als dat wonder niet bestond, zou er nimmer één van Gods kinderen in den hemel kunnen komen. Wij toch brengen het er vaak zoo slecht af. We spelen niet zelden met de zonde, en daardoor ook met de genade. Met harde slagen echter brengt de Hemelvader weer tot inkeer en berouw. Het is altijd enkel liefde, als de Heere hard schijnt te zijn voor Zijn volk.
Goddelijk goed is de Heere, dat Hij nog naar de smeekbeden Zijner kindereren hooren wil! Wij verdienen dat niet. Het is enkel genade! En de Heere Zelf legt door den Geest der genade en der gebeden deze smeekingen in de harten Zijner uitverkorenen. Daarom bemoedigt de Heere ook Zijn volk, als het in nood verkeert, aldus: ,,Roept Mij aan in den dag der benauwdheid! En Ik zal u er uit helpen; en gij. zult Mij eeren!" En lezen we op een andere plaats: „In zes benauwdheden heeft de Heere geholpen; in de zevende zal Hij niet achterblijven!"
We gevoelen ons verplicht een bijzondere opmerking te maken: Wat Simson verrichtte, mogen we niet noemen zelfmoord. Dit laatste is nooit geoorloofd. Of beveelt de Wet des Heeren niet: „Gij zult niet doodslaan"? Voor den zelfmoordenaar bestaat geen hope noch verwachting met betrekking tot de eeuwigheid. Wel port Satan dikwijls Gods kinderen tot die wanhoopsdaad aan, en komt het soms tot aan den rand van den afgrond, doch er overheen nooit. De Stokbewaarder van Filippi stond met het zwaard in de hand gereed, om zichzelf van het leven te berooven; als een gevolg van 's Heeren bewarende genade, juicht hij thans voor Gods troon in den hemel. We dienen echter te onderscheiden tusschen zelfmoord- en zelflopoffering. En met dat laatste hebben we in Simsons daad te doen. Het ging om de eere des Heeren. Daarvoor had Simson zelfs zijn leven veil. En hij behaalde eene groote overwinning op Jehova's vijanden; en Dagon, de god der Filistijnen, werd beschaamd gemaakt en vernederd.
De dooden, die Simson in zijn sterven gedood heeft, waren meer dan die hij in zijn leven gedood heeft. De stervende Simson is een voorafschaduwing van den stervenden Christus aan het kruis. Ook Die heeft zichzelf opgeofferd en vernietigd. Maar Hij heeft door Zijn sterven hel en dood overwonnen en een eeuwige verlossing voor Zijn Kerk teweeggebracht. — Welzalig de mensch, die als smeekeling en boeteling aan Jezus' voeten komt neder te liggen! Het zal niet tevergeefs zijn, maar tot zijn eeuwig zieleheil. En straks zal hij het kruis verwisselen voor de kroon!
Geliefden, hoe staat het met ons? Zijn we reeds bereid voor de eeuwigheid? Heeft de liefde van den Heere Jezus reeds wortel geschoten in den bodemgrond van uw hart?
Onbekeerden, bedenkt toch, dat ge niet altijd op deze wereld zult blijven. Gij hebt ook een ziel te winnen of te verliezen voor een eindelooze eeuwigheid. Zoekt toch den Heere in dit kostelijke heden der genade! Nóg is het tijd. Straks zou het kunnen wezen voor eeuwig te laat! Heden, en niet morgen, u voor Jezus op de knieën geworpen en gevraagd om genade, en geen recht! Doet het toch! de Heere Jezus is een Hoorder en Verhoorder des gebeds!
Maar, kinderen des Heeren, groot en klein, jong en oud, gevorderden op den levensweg of pasbeginners, weest bovenal heel bang voor de zonde! Gij zondigt immers steeds zoo duur. Houdt ook de eeuwigheid dagelijks in het oog, en leeft dicht bij uw God! Bidt njet alleen of de Heere u niet in verzoeking leide, maar vliedt en haat ook de verleiding, en houdt Jezus' heilig voorbeeld steeds in het oog! Dan geniet gij een gerust en zalig leven op de aarde. Dan wordt ook uw gebed niet verhinderd. Dan verdient u wel niets; want wat zouden wij verdienen? maar dan zult gij ondervinden dat op een nauw leven volgt een ruim sterven. Dan zult gij God eeuwig verheerlijken voor al Zijn genade, aan uw arme ziel geschonken! Dan zult gij uw ziel baden in het nimmer dalende licht van de Zonne der Gerechtigheid! Zoo is 't ook met Simson gegaan. Terecht beëindigt de dichter zijn lied over hem aldus:
Wie meldt het aantal der gedooden?
Wie meldt der Filistijnen tal?
Het waren duizenden gedooden,
Die stierven in éenzelfden val
Maar bij de neergestorte bende
Was één, die, uit zijn aardsche ellende
Verlost, in 's Heeren armen viel.
Het was na twintig jaren strijden
Na zwaren val en louterend lijden,
't Was Simsons reingewasschen ziel.
Poederooijen. A. PRINS
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 november 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 november 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's