De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

4 minuten leestijd

Staat en Kerk.
In de schriftelijke behandeling tusschen de Regeering en de Tweede Kamer betreffende de afdeeling „Kosten der Eerediensten" op de Rijksbegrooting van het Departement van Financiën is ook ditmaal de verhouding van den Staat tegenover de Ned. Herv. Kerk even om den hoek komen gluren. Het is uit dien hoofde dan ook niet onmogelijk, dat het kerkelijk vraagstuk bij de openbare behandeling der begrooting in de Kamer een onderwerp van bespreking zal uitmaken.
Het debat zal daarbij vermoedelijk over twee dingen loopen.
In de eerste plaats over het Kon. Besluit van 7 Januari 1816, waarbij de organisatie der Hervormde Kerk door Koning Willem I werd vastgesteld; en in de tweede plaats over de verhooging van de bijdragen van het Rijk in de kosten der eerediensten.
Wat de eerste zaak betreft, is aan de regeering de vraag gesteld, of zij bereid is om het onrecht, dat in 1816 de Ned. Herv. Kerk is aangedaan, te herstellen. Deze vraag werd zelfs nog iets uitgebreid, door het verzoek er aan toe te voegen, om de meening van de regeering te mogen vernemen, ter zake van het rechtstreeks aan de gemeenten, dus buiten het Classicaal bestuur om, verleenen van de handopening.
Het antwoord dat Minister de Geer op deze vragen geeft, lijkt ons niet van belang ontbloot.  De Minister schrijft in zijn Memorie van Antwoord:
Het onrecht, in 1816 aan de Nederduitsch Hervormde Kerk aangedaan, schijnt den ondergeteekende (d.i. de Minister van Financiën) op dit oogenblik meer een historisch te construëeren figuur, dan een practisch gevoeld leed. Herstel wordt dan ook door die Kerk niet gevraagd. En voorts: Sinds 1923 is er in den stand van de kwestie betreffende de handopening geen verandering ingetreden.
Het belangrijke in dit antwoord vinden wij in de mededeeling van den Minister, dat het herstel van .bet onrecht, in 1816 aan de Ned. Herv. Kerk aangedaan, door die Kerk niet wordt gevraagd. Deze opmerking sluit in zich, dat wanneer de Kerk zelf het herstel zou vragen de zaak voor de regeering een ander aspect kreeg en zij zich zeker met dit herstel zou bezighouden. Anders kunnen wij de mededeeling van den Minister niet inzien. De meening van velen, dat het besluit van 1816 niet is ongedaan te maken, lijkt ons door het antwoord van mr. de Geer weersproken.
Maar ook is van belang, dat de Minister zich op het standpunt, in 1923 ingenomen, blijft stellen betreffende de handopening. Op dit punt is wel eens twijfel uitgesproken n.l. dat de regeering van standpunt zou zijn veranderd.
Welk standpunt gold nu in 1923? Het was toen dezelfde Minister van Financiën als op het oogenblik n.l. Minister de Geer, die daarvan in 1923 dit schreef:
Tot dusver was vaste practijk, dat overeenkomstig artikel 40 van het bij Koninklijk besluit van 7 Mei 1857 no. 73 goedgekeurd reglement op de vacatures eene aanvrage om handopening door bemiddeling van het classicaal bestuur werd ingediend. Toen de kerkeraad der Hervormde gemeente te Hagestein zich onlangs een oogenblik op het standpunt stelde, dat hij gerechtigd was deze aanvrage zelf in te dienen, heeft ondergeteekende een onderzoek doen instellen, in hoever de betrokken bepaling van 't reglement op de vacatures met andere bepalingen in strijd kon zijn. Vóór dat dit onderzoek was afgeloopen, heeft de Kerkeraad van Hagestein uit eigen beweging geschreven dat het zijne aanvrage terugnam en dat de handopening door het classicaal bestuur zou worden gevraagd.
Het is altijd nog jammer, dat de Kerkeraad der Hervormde gemeente te Hagestein zijn standpunt destijds niet heeft volgehouden en zijn aanvrage om handopening terugnam, dan toch had de regeering zich moeten uitspreken in hoever naar haar oordeel de bepaling van het Reglement op de Vacatures met andere bepalingen in strijd kon zijn. Wij zouden met wat groote belangstelling de beslissing van de regeering hebben tegemoet gezien en zijn nog altijd nieuwsgierig wat op het stuk van de handopening de houding van de regeering zou zijn. Een uitspraak hier lijkt ons van groote beteekenis.
Dat de landsoverheid bij het beroepen van een predikant handopening moet geven, komt ons voor in strijd te zijn met de waardigheid van de Kerk. Voor zoover wij weten, is de Ned. Hervormde Kerk de eenige Kerk, die zich nog altijd onder de voogdij blijft stellen van den Staat. Rome heeft de vrije beschikking over de toekomende gelden, de Ned. Hervormde Kerk is behalve door de zilveren koorden ook nog in haar inwendige aangelegenheden aan de Overheid gebonden.
Daaraan behoort zoo spoedig mogelijk, in welken zin dan ook de beslissing zou vallen, een einde te komen. Over de verhooging van de bijdrage van het Rijk in de kosten der eerediensten D.V. een volgende week.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 december 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 december 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's