MEDITATIE
Levensbede
"Vereenig mijn hart tot de vreeze Uws naams".Psalm 86 vers 11b.
Wellicht is het u, waarde lezer, niet onbekend uit Gods onfeilbaar Woord, dat de Heere altijd Zijn volk, in tijden van bangen nood, tegemoet treedt met een belofte van de komst van Christus. Waarmede zou de Heere Zijne kinderen ook anders troosten en bemoedigen dan met den eenigen troost in leven en in sterven? Als zegelen toch hangen alle beloften in deze als aan het Woord. Daaraan vat te krijgen, al ware 't maar aan één van ontelbaar velen, is door de Kerk Gods van alle eeuwen geacht als een bijzonder bewijs van den weg van vrije genade. „Bij deze dingen", roept Jesaja, „leeft men, en in alle deze is het leven mijns geestes" (Jes. 38 vers 16). En stemt David hiermede niet van ganscher harte en volmondig in als hij in Psalm 119 zijn ziel uitstort in de belijdenis: „Uwe toezeggingen hebben mij levendig gemaakt en zijn mij menigmaal zoeter geweest dan honig en honigzeem".
Wij leven snel. Niet anders als in de dagen van Israels grootsten profeet Mozes, die getuigt: „Wij vliegen daarheen!" Wederom spoeden de adventsweken ten einde en zal — voor de zooveelste maal! — de Kerstjubel vanuit Efratha's velden kunnen worden beluisterd en mede worden aangeheven van het „Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde en in de menschen een welbehagen!" Zullen wij, vliegende reizigers, het beleven en belijden? De Heere weet het, Hij alleen! En, zoo ja, ach, mocht het dan zijn met de bede van David in het hart en op de lippen: „Vereenig mijn hart tot de vreeze Uws Naams".
David was in de gunste des Heeren Zijn beminde; een man naar Zijn hart, een verstandig mensch. Hij wist, wat, helaas, niet velen weten, waarin het ware geluk hier en hiernamaals bestaat. „De vreeze des Heeren" was hem „een schat". Dat het zijne roeping was God te vreezen, hij wist het! Dat trouw aan die roeping hem blijdschap schonk, hij wist het! Op de vreeze des Heeren was hij dan ook boven alles gesteld, hij kon er niet buiten, ook al was hij er niet altijd in. Was hij bij tijden en oogenblikken van slaafsche vrees bevrijd, de vrees, die schrikken en beven doet, wat was dan zijne bevinding? Deze ééne begeerte, om in kinderlijke vreeze voor Gods aangezicht te wandelen, te leven. Hem recht te kennen, hartelijk lief te hebben, blijmoedig te gehoorzamen en Zijne daden ootmoedig te gedenken; m.a.w. innig aan Hem verbonden te zijn en daardoor te laten wat Hem mishaagt en te staan naar wat Hem behaagt, was de begeerte van Davids ziel.
Hij bad om dien zegen: „Vereenig mijn hart tot de vreeze Uws Naams".
Hij bad omdat hij bidden had geleerd. Wie toch kan bidden? Van nature kon David het niet, kan of doet niemand het. Wèl vloeken, gelijk Simeï, van wien David uitroept: „Laat hem vloeken!" Wél liegen en bedriegen, gelijk vader Erskine betuigt, dat er als dagelijks een zwarte rol van leugen en bedrog van den hemel op de aarde afhangt van den natuurlijken, onbekeerden mensch. Ja, zegt Paulus, wij, Gods kinderen zelfs, weten dan ook niet wat wij bidden zullen, gelijk het betaamt, n.l. Gode. Nóg eens, David wist het, mocht het weten in en door 's Heeren lieven Geest, die ook in hem bovenstaande verzuchting slaken deed, een en andermaal, ja telkens opnieuw, zijn biddend leven!
Het gebed is zoo schoon vergeleken bij een gouden gesp, die het kleed verbindt aan den man om hem te gorden, te bewaren, te beschermen; bij het zeil, dat het scheepke huiswaarts voert. „Bid", dit is de eisch, en de belofte er aan toegevoegd, luidt „en gij zult ontvangen". Het gebed is het eenige, dat voor Gods kinderen in dagen van zware beproeving, in uren van bange smart overblijft; langs dezen weg zoeken zij Christus. Zoo leven zij als ranken uit den Waren Wijnstok in verborgen en innig samenzijn, in den verborgen wortel des geloofs. Langs dezen weg wordt mede de eere des Vaders, geschonken als zij werd in Adam in het Paradijs, hersteld, ja, tot in de hoogste hemelen, daalt er vrede in hunne ziel en ..... wordt het welbehagen iri het menschenkind in en door het Wonderkind Jezus klaarlijk geopenbaard en verklaard. Zoo zingt dan de hemel en dan mag de aarde niet treuren, Immanuël, God met ons!
Het gebed verbindt met God en Zijn dienst. En daarom roept David uit: „Vereenig mijn hart tot de vreeze Uws Naams!" „Vereenig mijn hart", d.i. „Laat al wat in mij is tot die vreeze geneigd, met die vreeze verbonden zijn; dat ik U ongeveinsd, onverdeeld, vrijwillig en volstandig diene!" David, de man naar Gods harte, kon zeggen: „Tot Uwen Naam en tot Uwe gedachtenis is de begeerte mijner ziel". Gelukkige David, nietwaar! Hij was achter 't groote geheim, in welken weg blijdschap en vrede, rust en kracht, hoop en zaligheid is te verkrijgen. Het was zijn levensbede geworden: „Vereenig mijn hart tot de vreeze Uws Naams".
David bad niet tevergeefs. Gelijk de Heere bij de inwijding van Salomo's tempel Zelf het altaar ontstak en de vlam opsteeg naar omhoog, om als de hand te zoeken, die hier in Zijn huis licht en leven gaf, zoo ook keert het ware gebed tot Hem, die het schonk. „Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen". Het was een bede naar Gods wil. Door en in den Geest. Tot Zijne eer. O, voor hoeveel kwaad is David door deze bede, deze verzuchting behoed! Van nature toch was er in Davids hart, gelijk in de herberg van Bethlehem, voor alles plaats, behalve voor God en goddelijke dingen, niet voor Christus. Dat hart, een onreine, arglistige en troebele bron van allerlei openbare en verborgene zonden, een pakhuis van ongerechtigheid! Geen beter wapen in den strijd tegen dat hart, den sterksten bondgenoot van wereld en satan, dan deze bede. Ook tegen uitwendige vijanden. Of was de groote Napoleon in zijn dagen niet bevreesder voor het bidden van zijne vijanden, dan voor hunne bajonetten?
En wat leert de H. Schrift ons verder? Davids groote zoon Salomo getuigt: „door de vreeze des Heeren wijkt men af van het kwade". In dien weg wordt de zonde gehaat, omdat ze ingaat tegen God en gebod. Bovendien, David was Koning, de „princeps" of de eerste, de voorganger zijns volks. ledere stand brengt zijn eigenaardige verzoekingen mede; vooral de koningen, de grooten der aarde, worden door geestelijke gevaren en booze machten bedreigd. Alles staat hun ten dienste om zondige neigingen gereedelijk in te willigen. Genegenheid èn gelegenheid liggen hier zoo vlak bij elkaar. Pracht en weelde vinden zoo gemakkelijk toegang tot het hart, trots en heerschzucht stijgen zoo lichtelijk ten troon. En ook hier geen beter wapen dan Davids bede. Immers Davids bede om 's Heeren vreeze deed hem als koning beseffen zijne roeping van Godswege om zijn volk te regeeren, te regeeren bij de gratie Gods. Dat in dien weg zijn koningschap zou zijn een schaduw van het komende beeld, het Koningschap van den grooten David, Jezus Christus, den Zone Gods! Aan dien Koning der koningen zou toch ook David als koning eens rekenschap hebben te geven van zijne daden, van wat hij deed èn ..... niet deed. Dan zal alle onderscheid wegvallen tusschen vorsten en onderdanen, tusschen monarch en arbeider, tusschen purper en ruwe pij. Dan zal het onderscheid gezien worden tusschen vrijspraak en veroordeeling door Hem.
De vreeze Gods doet ons waken tegen beroepszonden, gewoontezonden, karakterzonden, tegen de zonde, die ons lichtelijk omringt, die aan de orde is en voor de hand ligt. En, let er op! zij, die tot uitnemende betrekkingen geroepen zijn, worden het meest door den satan aangevallen en bemoeilijkt. De hoogste boomen hebben het meest van den storm te verduren, de zeeroovers azen bij voorkeur op schepen met kostbare lading. Hoe meer de weelde intree doet, hoe meer gevaar voor zelfvergoding. En daarom ook Davids bede voor bestendige vreeze Gods, eenerzijds hem bewarend voor veel kwaad, anderzijds hem bezorgend allerlei zegeningen. Zij gaat gepaard met verlichting des verstands: ,,de vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid". Zij brengt de stem der hartstochten tot zwijgen en vervult met edele gevoelens: „de vreeze des Heeren is rein". Zij sterkt in druk- en proefwegen, als het kruis knellend drukt: „de vreeze des Heeren is een sterk vertrouwen". Zij waarborgt tegen gebrek: „Die Hem vreezen, hebben geen gebrek". Ja, wat al niet, zij is in één woord alles of, gelijk al wederom David getuigt in belijdenis en beleving: „Hoe groot is het goed, dat Gij hebt weggelegd voor hen, die U vreezen!"
En daarom, er was voor David reden te over te bidden, te zuchten: ,,Vereenig mijn hart tot de vreeze Uws Naams!" Hij wil zeggen: Ach, Heere, geef mij toch een biddend leven, een leven, dat voor Uw Naam, Uw Wezen, uitkomt. Want wie toch zal U vreezen, leven, loven en lieven in het zwijgend graf? Niet één! Ach, doe mij dan maar deelen in Uwe herscheppende, heiligende en bewarende genade, die van boven is. Schenk mij daartoe toch de hulp van Uwen Geest. Gij hebt ze toch beloofd: „Ik zal Mijne vreeze in hun harte geven, dat zij van Mij niet afwijken". Welaan dan, waarde lezer, volgen wij, óók wij, Davids voetspoor, of liever, make de Heere ons in onze dagen van afval van God en goddelijke dingen, bekwaam tot Davids bede: „Vereenig mijn hart, ook mijn hart, o Heere, tot de vreeze Uws Naams!" Het zij ons wachtwoord in ons leven, vluchtig als het is, onze bede en verzuchting nu bij het naderend Kerst- of Christusfeest; onze aanbidding zoo aanstonds aan den voet van Bethlehems kribbe; onze bede, na ons laatste Kerstfeest op aarde, in de ure van scheiden, de ure onzes doods!
BIeiswijk (Z.-H.). Ds. A. DEKKER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 december 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 december 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's