MEDITATIE
Langs velerlei weg
,,En zij kwamen met haast en vonden Maria en Jozef, en het kindeke liggende in de kribbe".Lukas 2 vers 16.
In de stille eeuwigheid, toen er geen ander leven was dan het leven, dat de Drieëenige heeft bij zichzelve, toen er geen ander licht was dan het licht, dat straalt van het Goddelijk aanschijn, toen er geen andere liefde was dan de zelfliefde Gods, toen alreede heeft het geklonken van de lippen van God den Zoon: Zie Ik kom.
Lieve lezer, wij moeten onze Kerstfeest meditatie met deze gedachten beginnen. Want de begeleiding onzer Kerstgedachten moet zijn het lied, dat de engelen hebben opgezonden in de vlakke velden van Bethlehem Efrata en de zang der Engelen heeft als eerste strofe het: Eere zij God in de hoogste hemelen. Maar dan mag de tweede strofe van den hemelschen zang worden opgenomen, dan mag het: Vrede op aarde worden overdacht.
Wij willen in onze overdenking stil staan bij den velerlei weg, waarlangs de Heere sommige Zijner kinderen heeft geleid tot den vrede, dien Hij in den Zoon Zijner liefde heeft bereid.
Bij de kribbe van Bethlehems stal zijn alle deze wegen tezamen gekomen en bij de kribbe is dan ook de plaats, vanwaar wij deze wegen willen overzien.
't Uitgangspunt onzer gedachten is daarbij Lukas 2 vers 16, waar aldus staat geschreven:
,,En zij kwamen met haast en vonden Maria en Jozef, en het kindeke liggende in de kribbe".
Jozef, Maria, de herders, zietdaar de drie menschengroepen wier weg wij wilden zetten in het midden van onze aandacht.
Zou er, geliefde lezer, ooit eenig mensch zóó dicht hebben gestaan bij de vervulling van de belofte Gods als Jozef?
De eerste werkingen des Geestes, de eerste secondetikken van de volheid des tijds zijn hem geopenbaard. Maar zou er ook ooit een mensch, zóó dicht bij het licht, zoozeer in de duisternis zijn geweest dan diezelfde Jozef? Want hij heeft willen vluchten voor het mysterie, dat de Heere wrochtte in Maria's schoot. Echter, wat is het gedrag van Jozef voor ons verstaanbaar. De mensch toch vlucht voor dat, wat hem vreemd is, en het leven in Maria was buiten Jozef ontstaan, 't was hem vreemd. Als hij er aan dacht dat Maria was zijn ondertrouwde vrouw, dan protesteerde zijn hart, als hij zag op Maria's schuchterheid en aanhankelijkheid, dan protesteerde zijn hoofd tegen dat nieuwe leven. En door alles heen bleef in hem toch nog liefde voor deze vrouw. Wat restte hem anders dan een heimelijke vlucht? Want hierdoor werd de openlijke schande van een rechterlijke scheiding vermeden.
Jozefs gedrag is zeer wel te begrijpen. Ook, neen juist, als wij dieper peilen dan het oppervlakkig geschiedverhaal. Immers nog eens: vlucht de mensch niet voor wat hem inneriijk vreemd is, voor datgene waartegen zijn hart en zijn hoofd protesteeren? Maar juist tegen de wondere ontvangenis en geboorte van Jezus Christus protesteert de natuurlijke mensch met zijn gansche hart en met geheel zijn hoofd. Dat is in het hart van den natuurlijken mensch om zelf zijn weg naar den hemel te banen, daarop zint hij in zijn hoofd om zelf een weg ten leven te plaveien. De mensch wil leven als middelpunt van een vlakken horizon. Binnen dien horizon bouwt hij dan de werken zijner handen. Maar als dan een bliksemstraal van omhoog dat vredige landschap doorscheurt, dan staat de mensch ontzet en dan richt hij de voeten op den weg der vlucht.
Welnu, Kerstfeest is het feest van den bliksemstraal van Gods heiligheid, die den dampkring der zonde doorscheurt. Daarom, niet minder dan Golgotha is Bethlehem, als het wel wordt verstaan voor den natuuriijken mensch een ergernis en een dwaasheid.
Och, geliefden, wij doen allerlei moeite om dit geweldige van het Kerstfeest te verzachten. Wij begeeren geen bliksemstraal, maar het zachte licht van een lamp. En wij komen met onze dogmatiek om ons verstand in slaap te sussen. Wij prevelen het zoo nauwkeurig na: die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria. Wij geven ook slaapmiddeltjes aan ons gevoel en stellen het geweldig gebeuren van Bethlehem voor als een lieflijk tafereel in een stal. Een met glinster-dingen versierd boompje is ook een gewild middel. dat helaas ook in onze kringen al hier en daar gebruikt wordt. 's Avonds wordt kaars licht ontstoken (dat is nog gevoelvoller als lamplicht) en het klinkt bij het orgel: Eere zij God. Zoo hebben wij het geweldig gebeuren in den Kerstnacht pasklaar gemaakt voor ons.
Maar wat is Jozef dan toch een aantrekkelijke figuur. Hij zag nog het mysterie en hij vluchtte er voor. Maar vóór de vlucht is hij gegrepen door den Engel Gods. Toen is door het woord van den Engel Jozef klaar gemaakt voor het Kerstfeest. Dat wil zeggen, hij heeft hoofd en hart gevangen gegeven onder den raad Gods. Zoo mogen wij Jozef wel zien als de eerste der gekenden des Heeren, die Kerstfeest heeft gevierd. Och, Jozef verdwijnt spoedig uit de heilige historie. Naar veler meening is hij jong gestorven. Maar zijn korte leven is geweest een voorbereiding voor de eeuwige heerlijkheid.
Jozef is klaar gemaakt voor het Kerstfeest, dat is de les van Jozefs weg. Die les hebben wij te overdenken in dezen tijd. Lezer, kent gij deze les? Weet gij waarin het gereed maken voor 't feest bestaat? Hierin, dat de ontdekkende Geest van God werkt in het hart. O, als dat geschiedt dan krijgt de mensch oog voor de geweldige gebeurtenis in Bethlehems stal. Maar dan worden de voeten ook gericht op de vlucht. Dan roept de ontdekte ziel het uit: neen, in Bethlehem kan ik niet komen, want ik moet het uitroepen: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch.
Lezer, leeft dit soms in uw hart? Zegt gij ook: ik kan geen Kerstfeest vieren. O, weet het dan, juist voor u is een plaats bij de kribbe bereid. Want ook Jozefs weg was terug naar dat leven, dat de Heere wrochte in Maria's schoot.
Zou er ooit iemand de vervulling van Gods belofte zoó innig hebben doorleefd dan Maria? Immers zij beleefde de komst van God in Christus niet alleen naar den geest, maar ook naar het lichaam. Maar zou er ooit een mensch zoo hebben moeten worstelen om tot den Christus te komen, dan diezelfde Maria? Want tusschen Maria en haar Christus stond de zoon, dien zij gebaard had, stond haar lijflijk kind.
Lees het maar na op het gewijd historieblad. Hoe grooter Maria's zoon wordt, des te verder staat de moeder af van den Christus. Och, in de stalle van Bethlehem, als de jonge moeder zich buigt over haar jonge kind, dan is Maria nog toegankelijk voor wonder-woorden over haar eerstgeborene. Dan ontsluit zich haar hart, dat voor de eerste maal van moedervreugde klopt, voor de woorden van herders en wijzen. Maar reeds als de twaalfjarige is in den tempel, heeft moeder Maria het juiste inzicht in Zijn wezen niet. En als de Leeraar Israels staat in Zijn ambt, staat moeder Maria aan de deur om hem weg te lokken van zijn plaats.
Nog eens, tusschen Maria en haar Christus staat haar lijflijke zoon, en eerst als Maria haar zoon verliest, zal zij haar Christus vinden. Dat is eerst op Golgotha geschied.
Ook Maria's weg, lieve lezer, is zoo vol leering. Zoo vol leering, als wij ons in dezen tijd opmaken om naar Bethlehem te gaan. Want ook tusschen ons en Christus staat een voortbrengsel van onszelve, staat het Christus-beeld, zooals wij dat gevormd hebben met ons hoofd. Och, het is zoo waar dat het kind van Adam God schept naar zijn eigen beeld. Het is ook waar dat de mensch van het historisch geloof Christus schept met zijn verstand.
Lieve lezer, wij weten zoo veel, inzonderheid wij, Calvinisten, weten zooveel van Christus. Wij kennen de Schriften. Wij lezen èn in het Oude èn in het Nieuwe Testament de deugden van Christus. Wij weten het: Hij is de lijdende Knecht des Heeren, Hij is de Leeuw uit Juda's stam. Wij weten het: Hij is de groote Triumphator over dood en hel. Om Zijnentwille heeft Paulus zijn zegeroep doen schallen over het oppervlak der aarde. Maar nu is er het gevaar, dat wij met het hoofd vol van alle deze dingen zullen opgaan naar Bethlehem. Och, dat zal in deze dagen menigvuldig geschieden. Dan zal het uitgeroepen worden, dat bij Christus leniging te vinden is voor allen nood. Dan zal het allicht worden uitgeroepen dat bij Hem ook leniging te vinden is voor den socialen en cultureelen nood. En dat is allemaal waar en schoon. Maar alle deze dingen kunnen een beletsel zijn voor de ware Kerstfeestviering. Want aan de kribbe van Bethlehem is geen plaats voor hen, wier hoofd gevuld is met denkbeelden, ook al zijn het christelijke denkbeelden. Maar in Bethlehems krib is alleen plaats voor menschen met een vol hart. Voor menschen met een verslagen geest en een verbroken hart. Wij kunnen het kort zeggen: over de kribbe van Bethlehem valt de schaduw van het kruis.
Lezer, vergun ons de vraag in deze dagen vóór het Kerstfeest: kent gij de schaduw des kruises over uwe ziel? Is alles bij u afgebroken, ook de schoone denkbeelden, die daar welgeordend stonden in uw hoofd? Die denkbeelden, die gij hadt over God en Christus, over tijd en eeuwigheid? Is het zoover met u gekomen, dat gij zijt verslagen van geest en verbroken van hart; Zoover, dat gij zijt arm en naakt en ellendig? Zoover, dat gij niet meer weet waar gij het zoeken zult? O, dan is voor u een plaats bij Bethlehems kribbe, waar 't Kindeke in ligt in doeken gewikkeld. Dan is voor u een plaats bij Hem, Die gekomen is op deze donkere aarde om te lijden en te sterven, Die gekomen is om alle gerechtigheid te vervullen.
Zouden er, geliefde lezer, ooit menschen zijn geweest met zulk een zinrijk beroep als de herders in de vlakke velden van Bethlehem-Efratha? Zouden er ooit menschen geweest zijn, die zoozeer in het verleden konden leven, maar voor wie het verleden zoo plotseling overging in het heden, als juist deze herders? Die herders, zij zetten de traditie voort, de traditie van vader Abraham en van koning David. Ja, in hetzelfde oord als David dreven zij het vee door de vlakten. Och, het beroep van herder leidt tot een peinzende levenshouding. Het langzame vee en het wijde veld maken de overleggingen des harten vele. Wat moet het dan geweest zijn met de herders in Bethlehems veld? Moeten hunne gedachten niet dikwerf zijn uitgegaan naar de beloften van Abraham, de weldadigheden van David? Moet de psalm van den goeden herder niet meer dan eens geruischt hebben door hun ziel? Maar dan breekt door de schaduw van het verleden plots het licht van het heden, en door den duisteren nacht heen heeft om de herders geschenen dt heerlijkheid des Heeren. Dan worden zij door den Engel des Heeren gelokt naar de stad Davids, omdat thans de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, geboren is. En de herders zijn gegaan. Zij zijn gegaan gezamenlijk, zij zijn gegaan met haaste, en zij vonden het gelijk de Engel gesprokenhad.
De herders zijn gegaan gezamehlijk. Ja, in ons derde punt hebben wij stil te staan bij een groep personen. Maar juist daarom zijn de herders zulk een duidelijk beeld van het volk des Heeren. Immers de Heere heeft Zijn volk gegrepen in één greep, want Hij greep ze in den éénen Christus. Was ook de boodschap aan de herderen niet, dat de blijdschap zou zijn voor het gansche volk? Daarom, kinderen des Heeren, wij willen u niet bij name noemen in den tijd van het Kerstfeest. Waar gij ook gelegerd zijt op dezen tijd, wij willen u zien als een geheel, één éénig volk in Christus gegrepen. Maar dan ook voor u de vraag: vindt gij iets van uzelve in de herders terug? Och, aan hunnen weg hebt gij wel kennis. Gij hebt ook gekend een tijd van schaduwen en een tijd van nachtelijke duisternis. De heerlijkheid des Heeren heeft ook u omschenen toen het den Heere behaagde het ook voor u tot een Kerstfeest te maken. En dat stond in geenerlei verband met den kerkelijken feestdag, dat geschiedde op Gods tijd. Maar nu, kinderen des Heeren, hoe is het nu met u gesteld? O, de ware Kerstvreugde is geen zaak van het verleden, is ook geen zaak van een bepaalden dag, maar dat is een zaak van het nu, van het heden. Daarom, nog eens, hoe is het heeden met u gesteld? Hebt gij een trekkenden band aan den Heere? Zijt gij bereid om als de herders gezamenlijk en met haaste te gaan naar Bethlehems stal om daar de altijd nieuwe goedertierenheid des Heeren te smaken? Of ziet gij soms te veel op de menschen en op u zelve? O, als gij op de menschen ziet, dan kunt gij niet gezamenlijk opgaan, want misschien hebt gij oneenigheid met een van Gods meest ingeleide kinderen. Als gij ziet op u zelve, dan zal de haast ontbreken, want wie zijt gij, dat gij naar Bethlehem zoudt kunnen gaan?
Richte de Heere daarom uw oog op Christus en op Christus alleen, dan zult gij nog onwederstaanbaar getrokken worden naar Bethlehem om daar uw Borg te aanschouwen aan het begin van den smartenweg, dien Hij voor u heeft geloopen. Maar dan zult gij wederom, ziende op dat groote werk Gods in Christus, niet kunnen zwijgen en het uit moeten zingen:
Komt, laat ons samen Isrels Heer,
Den rotssteen van ons heil, met eer
Met Godgewijden zang ontmoeten.
Z. v. N.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 december 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 december 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's