MEDITATIE
Het vergankelijke en het blijvende
»Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar zoeken de toekomende«. Hebreen 13 vers 14.
Waarde Lezers, wanneer gij dit leest is het einde des jaars weer aangebroken. Nog slechts luttel tijds en dit jaar met al zijn lief en leed is weer voorbijgegaan. Hoe spreekt ons dit weer van het vergankelijke en voorbijgaande van ons leven! Welk een gedachten roept dit bij ons op, welke herinneringen worden weer levend! Hoe verschillend dit moge wezen bij ieder van ons, toch moeten wij allen komen, zal het wèl zijn, onder den indruk van het woord, dat wij thans mogen overwegen.
Dat het een woord mocht zijn, dat u een wijle tot nadenken en ernstige overweging mocht zetten!
Hoe wordt het ons in het eerste deel van dit Schriftwoord duidelijk, dat de apostel spreekt van het vergankelijke, het voorbijgaande van ons leven. Mag hier de vraag rijzen, tot wie hij dit woord richt, dan luidt het antwoord: tot Christenen uit de Joden, die in de verstrooiing leefden! Maar in dit licht bezien is het een woord, voor alle kinderen Gods van alle tijden en alle plaatsen. Maar, vooral in het eerste deel, geldt het als een woord, dat wij tot wijder kring mogen betrekken. Want dit geldt tenslotte van alle menschen: wij hebben hier geen blijvende stad.
Wat wil dit zeggen? In den grond der zaak dit: wij hebben hier geen vaste verblijfplaats, waar wij ongestoord, immer kunnen blijven verkeeren. En mag dit nu tot vertroosting strekken voor de Kerk des Heeren, het is een woord ook tot hare onderwijzing. Doch anderzijds voor anderen tot verschrikking bij de onderwijzing, die dit woord ook voor hen bevat.
Neen, wij hebben hier geen blijvende stad, doch slechts een tijdelijke, vergankelijke, voorbijgaande woonstede!
Wat toch is eigenlijk een stad, naar de grondbeteekenis? Het is een plaats van versterking en duurzaamheid, al is dit ook maar betrekkelijk. Het is duidelijk te zien, wat wij hier zeggen, reeds bij wat de eerste stedebouwer. Kaïn, bedoelde. In het land zijner ballingschap bouwde hij een stad. Hij kwam daartoe door de gedachte, dat hij voor zich zelf moest zorgen. Hij was beducht voor eigen veiligheid, wijl hij vreesde aangevallen te worden van vijanden, waarmede zijn kwaad geweten de aarde bevolkt waande.
De eerste gedachte dus van een stad, of hier bij Kaïn eigenlijk een versterkte plaats, is die van versterking of duurzaamheid. Deze gedachte zien wij dan ook in latere tijden in de steden, die opkomen, belichaamd. Men wilde daarin sterk staan en beveiligd zijn tegen de vijanden en een duurzaam verblijf bezitten.
En nu zegt de apostel in dit tekstwoord: wij hebben hier geen blijvende stad, geen duurzaam verblijf in dit tijdelijk leven. Wat wij dan wèl hebben? Niets anders dan wat de voorvaderen van deze Hebreen bezaten, een onbeschut, niet duurzaam en gemakkelijk weg te nemen verblijf.
De aartsvaderen woonden in tenten, die nu hier en dan daar werden opgeslagen, slechts met koorden aan pinnen verbonden, die in de aarde waren vastgehecht. Zij boden geen versterking, geen beveiliging voor vijandelijken overval. In een enkel oogenblik waren die tenten weg te nemen en door den stormwind konden zij gemakkelijk worden neergeslagen en van hare steunsels worden beroofd.
Ziet, dit is nu zoo waar van de broze tent van ons leven, van het lichaam, waarin wij verkeeren.
Wordt dit niet schier elk oogenblik bevestigd?
Heeft dit voorbijgegane jaar dit niet weer luide gepredikt! Is 't ook nu niet waar geworden van velen: wij schenen sterk, maar ach, wij vliegen heen? Hoe werd dit waar gemaakt aan ouderen, maar ook aan jongeren, aan zwakkeren, maar ook aan sterkeren! Hebt gij ze niet gekend, die als boomen schenen, vastgeworteld, maar die als rietstengels in een oogenblik of na korten tijd werden geknakt en afgebroken? Hoe gemakkelijk werd hun levenstent inééngerold en weggenomen!
Hoe heeft ook dit jaar het weer te zien gegeven: alle vleesch is als gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Ja, waarlijk, wij hebben hier geen blijvende stad.
Doch, dat geldt ook van alles, waarop wij ons voor dit tijdelijke leven verlaten. Niet enkel dit aardsche leven is van zoo voorbijgaanden aard en vergankelijk karakter, maar dat is ook zoo van alles, wat tot deze tijdsbedeeling behoort. Hier is niets blijvend. Zelfs aan het hechtste en sterkste knaagt de tand des tijds. Ook de aarde zelve, hoevele eeuwen zij ook moge hebben verduurd, zal eenmaal vergaan. En wij zelve zijn als dolende zwervers, die hier voor een wijle verkeeren.
Hoe dwaas is het dan, te meenen en te doen, alsof wij hier een blijvende stad, een vaste woonplaats hadden. Evenwel zoeken wij van nature in dit land der ellende, der ballingschap, een versterkte stad om een duurzaam verblijf, dat we veilig wanen, in te richten. Op hoeveel steunen we en verlaten we ons. Op onze kracht, gezondheid, geld en goed. Maar hoe neemt ook dit dikwijls arendsvleugelen om weg te vliegen. En komt menigmaal die geduchte vijand, de dood, hoe ligt dan de stad, de sterkte, die de mensch meende te bezitten, in een enkel oogenblik als een hopelooze ruïne ter neder. Hoe begeeft het dan alles, wat ontzinkt het onherroepelijk.
Ja, zelfs de eigengerechtige vroomheid, de godsdienst buiten God en Christus, biedt dan geen schuilplaats; alle hope vergaat. Hoe wordt het dan waar met onheilspellende zekerheid: wij hebben hier geen blijvende stad!
Doch, dit woord is een bijzonder woord van onderrichting voor allen, die des Heeren zijn. Het moet hun waarschuwen om dan de pinnen van hun levenstent niet te vast in de aarde en in den grond van dezen tijd te slaan. Zij moeten niet te groote, niet te veel verwachting van dit leven koesteren.
Hoe trof het ons, eens te lezen van een godzalig man, die voor zijn levensonderhoud een kunstvak beoefende en waarmede hij veel stoffelijk voordeel had kunnen behalen, zoo hij dit gewild had, dat hij dit slechts aanzag voor een reisstaf, waar mede hij hier op de levensreis werd ondersteund. Hij gevoelde, dat hij hier niet thuis behoorde, maar hij zag uit naar de bestemming van zijn levensreis, het hemelsch Vaderland. Dus gebruikte en zocht hij ook maar zooveel, als hij voor de reis noodig had.
Zalig voorrecht, die met hem daarnaar uitzien en die met het tweede deel van ons tekstwoord mogen instemmen: maar wij zoeken de toekomende.
De Kerk des Heeren heeft wèl een blijvende stad — maar niet hier. Hier geldt voor hen 't woord: dit land zal de ruste niet zijn. Elders is de rust, de veiligheid, de sterkte, de zekerheid. Elders is de stad te vinden, waarnaar zij zoekende zijn! En wat dit is? Wel, gij antwoordt zelve meteen reeds, dat is die stad, die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is. Het is die plaats der storelooze zaligheid, waar alleen ware veiligheid en onwrikbare vastheid, onwankelbare zekerheid is.
Reeds op zijn zwerftochten in de opneembare tenten, was die stad het doel ook van den aartsvader Abraham, gelijk het dat ook is van allen, die eenzelfde geloof hebben geoefend en ook nu nog bezitten.
Een stad — en hier willen wij op dit beeld terugkomen — was oudtijds de plaats waar men veilig kon verkeeren —, daargelaten nu al het betrekkelijke in dit beeld. Immers, zij was met stevige wallen en hechte muren omringd, met sterke poorten, zwaar gegrendeld, afgesloten, om den vijand buiten te houden.
Dit nu geldt, in overdrachtelijken zin, van deze hemelsche stad, zooals zij geteekend wordt in de Openbaring aan Johannes. Maar welk een sterke en veilige stad is dit! Konden in de meest sterke steden hier op aarde de vijanden door list en geweld toch nog binnen komen, in deze stad zal noch kan ooit eenige vijand binnen dringen, beveiligd als zij is door de sterkte des Heeren. En de vijanden, die haar belagen, blijven daar voor eeuwig buiten.
Hoe waren sommige steden beroemd om hare sterkte, om hare schoonheid, om al hare genietingen. Maar zelfs de schoonste stad, die ooit op aarde is geweest, moet met al haar heerlijkheid verdwijnen bij deze hemelsohe stad. Hier is een schoonheid, een heerlijkheid, die alle denkbeeld verre over treft! Schoon wij hier in alles aan beeldende taal moeten denken, zoo lezen wij daarvan, dat haar straten zijn van goud, haar poorten van paarlen, haar fundamenten van robijnsteenen en van allerlei kostelijk gesteente.
Moge deze of gene stad beroemd zijn om haar voortreffelijkheid uit hygiënisch oogpunt, in deze stad zal geen gebrek ooit gevonden worden en niemand van haar inwoners zal zeggen: ik ben ziek.
Want de zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, vloeit door haar heen, tot verkwikking van haar burgers, die tevens ook genieten van de vrucht van den Boom des Levens, die in het midden van het Paradijs Gods is.
Welk een geriefelijkheden, genietingen en voordeden ook een stad voor den mensch moge bieden, — wij zwijgen nu maar over het zondige, dat daarmee gepaard gaat —, het is alles niets, bij wat in deze.stad te vinden is. Hier is nooit eenig gebrek, want volle verzadiging van vreugde en lieflijkheden zijn hier tot in eeuwigheid.
In deze stad heerscht ware eensgezindheid, die in aardsche steden zoo menigmaal wordt gemist. Hier hebben ze allen eenzelfde doel op het oog — de heerlijkheid van hunnen Koning. Daartoe heeft Hij hen tot burgers gemaakt, hen aangenomen.
Hij heeft zich daarvoor buiten de stad het bloedige Jeruzalem hier op aarde, in diepe versmading en verachting laten uitwerpen. Doch, daardoor ook heeft Hij deze heerlijke stad gegrondvest, gebouwd, opgetrokken, en haar burgers gewonnen.
Dies zullen zij Hem daarvoor eeuwig lof en heerlijkheid toebrengen. Dan zullen zij verstaan, eerst recht en ten volle, wie zij waren, die Hij heeft aangenomen en tot burgers en onderdanen gemaakt. Wie waren zij? Zijne vijanden, die zich aan Hem leerden overgeven! En de pardonbrief, dien zij verkregen, was tegelijk ook de oorkonde die hen waarborgde dat zij met het volste rechf tot burgers van deze stad werden gemaakt.
Oudtijds was het een groot voorrecht en en eer, wanneer een stad een keur, een privilegie van den landsvorst verkreeg, die een andere stad niet bezat. Dat droeg veelszins niet weinig bij aan den bloei en voocuitgang van zulk een bevoorrechte stad.
Maar aan deze hemelsche stad schonk de Koning der koningen alle en allerlei voorrechten en privilegiën. Want wat ligt daar al in opgesloten in die eeuwige vrijheid, beschutting, bescherming, bewaring, rede, eeuwig leven en eeuwige zaligheid en heerlijkheid, die Hij haar heeft verworen en die Hij haar zonder eenige terughouding schenkt.
Was het de glans en heerlijkheid van een dtad, dat de Koning haar tot zijn residentie verkoos, hoe glansrijk en heerlijk is dan deze stad, wijl haar Koning immers in het midden van haar is, die haar nooit verlaat.
Konden de stedelingen soms om een verrijp worden uitgebannen, hier zal nooit én burger worden uitgedreven, noch van ijn rechten ontzet. In eeuwigheid zal Hij op hen noch toornen, noch schelden. Hier is nooit één vijand te duchten, want Hij, de Koning, heeft ze allen overwonnen en ten onder gebracht. Hier is het altijd licht en vreugde, alle leed gebannen, alle smart eeuwig voorbij; want: aldaar zal geen nacht zijn. Geen nacht van zorgen, die er kwellen, van moeiten, die drukken. Daar zullen zij eeuwig wandelen in het vroolijk levenslicht. Deze stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in haar zouden schijnen; want de heerijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is hare kaars.
De heerlijkheid van deze stad is zóó onuitsprekelijk groot, haar veiligheid zóó zeer, haar duurzaamheid zóó gewis, dat er geen woorden zijn om dat recht weer te geven. Het zal alle denkbeeld verre te boven gaan, want het is een zaligheid, die een oog gezien en geen oor gehoord heeft, en die in geens menschen hart ooit is opeklommen.
Deze stad nu, zegt ons tekstwoord, is de toekomende. Zij is hier niet te vinden en moet hier niet worden verwacht. Die een hemel op aarde zoekt, reikt naar het ongrijpbare, schoon de duivel, de wereld, de zonde, vele verleiders en velerlei verleiding het zóó trachten voor te houden. Zij zal dan ook eerst in haar volle heerlijkheid aan het einde des tijds worden geopenbaard. Maar, wel zullen allen, die door haar poorten zullen ingaan en haar straten zullen betreden, haar burgerrecht hier moeten verkrijgen en daarom haar als de toekomstige stad moeten begeeren, zoeken en inwachten.
Ziet, dat zijn nu allen van welke Paulus getuigt. Maar onze wandel — dat ook kan weergegeven door ons burgerrecht — is in de hemelen, waaruit wij ook onzen Zaligmaker verwachten. Zij merken niet aan, de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet. Want de dingen, die men ziet zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig. Het zijn zij, die met het tweede deel van ons tekstwoord mogen instemmen: maar wij zoeken de toekomende.
Deze heerlijke, veilige, deze toekomende stad, met al haar heerlijkheid veiligheid, vrede, rust en zaligheid, wordt gezocht en moet gezocht worden.
Doch, dan moeten wij nagaan wat dit zoeken is en hoe het moet worden betracht.
Dit zoeken is noodzakelijk, omdat wij hier geen blijvende stad hebben. Maar dit laatste leeren wij niet anders dan door de pijnlijke en droeve ervaring, dat zij hier niet te vinden is. Dat wordt evenwel gepoogd, ook door de rechte zoekers, maar zij werden en worden daarin teleurgesteld; ieder zoekt het eerst hier en op verschillende wijzen. Als de mensch eerst maar dit verkrijgen kon en dat maar bereiken, dan zal hij veiligheid, rust, vrede en vreugde hebben, zoo waant hij. En telkens, hoe teleurgesteld, verwacht hij het weer tevergeefs. Ook al is het, dat hij verkrijgt, wat hij zocht, dan blijkt toch de hoop en verwachting ijdel te zijn. Zoo blijft de mensch zoeken, trachten, streven, — tot de dood hem overvalt en al zijn hoop en verwachting doet vergaan. En intusschen heeft hij met dit alles niet gezocht naar de toekomende stad. Dat zoeken van de toekomende stad, stelt hij uit tot de toekomst. Op zijn best zou hij het nog spoedig, in een kort oogenblik, nog op zijn doodsbed willen, hoewel er dan gewoonlijk, geen tijd meer voor overblijft.
Ons tekstwoord bedoelt zulk een zoeken echter niet. Het dringt aan op een naarstig, ernstig zoeken.
Gij zoekt in het dagelijksch leven niets, waaraan gij geen behoefte gevoelt. Zoo ook hier. Daar moet ware behoefte daartoe zijn. Daarom moet gij noodzakelijk uit al uw vermeende rust en veiligheid worden uitgedreven, al uw heerlijkheid verliezen, al uw beschutting en veiligheid, die de ware niet is, moet u ontvallen. Gij moet een rusteloos, reddeloos, radeloos, hulpeloos zondaar worden.
Eerst dan gaat gij zoeken, ernstig en naarstig. Anders is het ook voor u: vrede, vrede en geen gevaar, geens dings gebrek.
Hier wordt misschien een tegenwerping gemaakt. Het is deze: wordt dan niet dit burgerrecht voor deze stad uit genade geschonken?
Wel voorzeker, maar meent gij dan dat dit zonder zoeken ooit gebeuren zal? Gij moet niet maar een zijde van de zaak bezien, maar ook de andere. Die zóó eenzijdig blijft, zoo dor en zoo koud menigmaal, zal eenmaal die toekomende stad niet binnen treden, ook, omdat hij die niet heeft gezocht.
Hoewel, dit zoeken is geen verdienstelijk werk. Hier geldt het: deze belooning geschiedt niet uit verdienste maar uit genade.
Neen, geen enkel ware zoeker zal anders kunnen spreken, dan dat hij of zij door genade, gewerkt door den Geest Gods, voortkomende uit de zoekende zondaarsliefde Gods, tot zulk een zoeker werd gemaakt. Maar zij zullen ook nooit ontkennen, dat zij zoekers zijn geweest.
Wat ging hun dat boven alles ter harte. Daar hadden zij alles voor over en lieten zij alles voor achter. Zulke zoekers laten zich door niets geheel ophouden, al moge dan veel hen belemmeren en in den weg staan.
De tegenstand prikkelt hen niet zelden, schoon zij er anderzijds ook veel over klagen. Nog 't meest klagen zij over hun traagheid, hun lauwheid en lusteloosheid in hun — naar eigen schatting — o, zoo weinig zoeken. Hun betuiging is menigmaal: wijk wereldsch gewemel! Ik moet naar den hemel! Verhinder mij niet!
Daarom zoeken zij veel in ootmoedig smeekgebed aan Gods genadetroon, opdat Hij hen moge aangorden, aanvuren tot naarstig en ernstig zoeken. Dit toch is het geheim van dit zoeken, dat de Heere en Zijn genade daartoe wordt ingeroepen. Zij vragen om wegneming van elken schadeijken weg en om maar steeds geleid en bestierd te worden op den eenigen, eeuwigen weg.
Zij zoeken dit naarstig in Gods Woord, de Reisgids naar de hemelstad, de staf, die hen in 't gaan ondersteunt. Zij zoeken in afhankelijkheid en gedurige inwachting van den Geest des Heeren, die alleen op 't echte spoor hen leiden kan.
Zij leeren alles schade en drek achten, om de uitnemendheid der kennis van Chrisus Jezus, hunnen Heere, en zoeken Hem te gewinnen als de Weg, de Waarheid en het Leven, door Wien alleen behoudenis te vinden is.
Daarvoor willen zij wel Zijn smaadheid dragen, waardoor het redegevend 'want' aan het begin van onzen tekst tot zijn recht komt. Daardoor toch sluit dit woord aan het voorafgaande aan: zoo laat ons dan tot Hem uitgaan, buiten de legerplaats, zijne smaadheid dragende. Dit nu is om met Christus uit de stad van deze wereld en uit het eigengerechtige, vrome Jeruzalem uitgeworpen te worden. Zijn kruis te dragen, zelve gekruisigd te worden, en alzoo met Hem te lijden om ook straks met Hem verheerlijkt te worden.
Doch, intusschen worden zij aangemoedigd door Zijn beloften, toezeggingen en opwekkingen, die Hij door Zijn Woord en Geest aan hun hart levend maakt: Zóékt en gij zult vinden, klopt en u zal worden opengedaan, bidt en gij zult ontvangen.
Waarde Lezers! Waar bracht gij dit jaar mee door? Met het zoeken van de dingen van deze wereld, met alleen het vergankelijke en voorbijgaande? Zoo ja, dan eindige dit oude jaar niet, vóórdat gij zulk een zoeker geworden moogt zijn. Wie weet het, of gij het in het nieuwe jaar nog zult kunnen doen, of u veel tijd nog gegund zal zijn?
Mocht gij een zoeker zijn, of in dit vervlogen jaar worden, ga dan immer voort. Het zoeken naar de toekomende stad mag hier niet verslappen. Welaan dan, in des Heeren kracht u opgemaakt, onder inwachting van Gods genade en den invloed van Zijn Heiligen Geest, om het ook voorts veel in beoefening te hebben: Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.
Is 't zoeken daarnaar reeds zalig, biedt dit reeds veel meer genot dan het jagen naar de wereld en al wat van deze tijd is, wat zal dan eenmaal het vinden zijn voor alle ware zoekers, het ingaan in deze toekomende stad?
»Zalig zijn zij, die Zijne geboden doen, opdat hunne macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad«.
Putten. J. VAN AMSTEL
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 december 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 december 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's