De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

8 minuten leestijd

Geestelijke verwildering.
Een der symptomen, van geestelijke verwildering van de bevolking, bijzonder in de groote steden, is ongetwijfeld de moderne dans, welke ontleend is aan de zinnelijke lusten van de zedelijk diep gezonken negervolken, en die vooral voor de rijpere jeugd groote bekoring schijnt te hebben. In dit danskwaad zit een geweldig groot gevaar voor geheel het leven van ons volk.
Ging men in den beginne omzichtig te werk en werden de dansvloeren van de openbare gelegenheden in den aanvang niet anders dan schuchter betreden, daarin kwam spoedig verandering. Het schaamtegevoel werd afgelegd met het gevolg, dat men zich tegenwoordig op de meest brute wijze en met volle teugen aan de zinnenprikkelende verleiding van het dansen overgeeft. 
Wat onlangs een verslaggever van de Nieuwe Rotterdamsche Courant met zekere zelfvoldoening schreef over wat hij met Kerstmis in het grootste hotel in de Residentie zag, zouden we niet gaarne onder de oogen onzer lezers, willen brengen. Niet alleen, dat het ontzettend en gruwelijk is, dat men juist in zoo'n tijd met het heilige spot en Gods toorn over de zonde opwekt, maar ook 't liederlijke en losbandige, waaraan de hoogste kringen der Haagsche burgerij zich overgaven, gaan alle perken der welvoegelijkheid te buiten.
Dat het danskwaad reeds een omvang aanneemt, dat het de uitgaande jeugd geestelijk en zedelijk te gronde richt, daarop wijst ook het rapport dat onlangs door de Tuchtunie, een neutrale organisatie, , werd uitgebracht. In dat rapport wordt niet minder gezegd, dan dat de openbare dansgelegenheid het voorportaal is van de prostitutie. In die dansgelegenheden komen de meisjes op het pad des verderfs en is het kwaad in fijnere vormen gehuld dan ergens elders.
In denzelfden geest spreekt ook 't adres door een Federatie van Jeugdbesturen in 't vorig jaar tot den burgemeester van Haarlem gericht. De onderteekenaars van dit adres vertegenwoordigden dan ook de Jongerenorganisaties van vrijzinnige en socialistische richting. Al de onderteekenaars verklaarden o.m. dat de openbare dansgelegenheden zoo groote gevaren met zich meebrengen, dat 't wenschelijk ware dat de geheele instelling verdween. Het heette verder in het adres, dat men in de dansgelegenheden  de samenrotting vindt van ongunstige jongeren, die niet alleen voor zich zelf, niet alleen voor de gemeenschap, maar ook voor de andere bezoekers en bezoeksters ernstige gevaren scheppen. Kweekplaats voor misdaad en prostitutie, is het meerendeel der openbare dansgelegenheden tot een sociaal gevaar geworden.
Gelukkig zijn 't niet meer alleen degenen, die van christelijke levensbeschouwing zijn, die zich tegen het danskwaad keeren, maar zijn het ook de Jeugdorganisaties van andere levensrichting, die tegen het dansgevaar waarschuwen. Toch gaat de danswoede — een andere naam is aan het tegenwoordig dansen niet te geven ~ ongestoord haar gang.
Daartegen moet de volksconsciëntie worden wakker gemaakt. Want het moge zoo zijn, dat ook uit andere kringen ernstige bedenkingen tegen het danskwaad worden vernomen, dit is niet voldoende. Er mag niet eerder worden gerust alvorens de Overheid ten deze hare roeping bewust wordt en er maatregelen worden getroffen die het gruwelijke en zedenonteerende danskwaad in zijn hart aantast.
Evenals het houden van huizen van ontucht bij de strafwet strafbaar is gesteld, zoo zullen ook de openbare dansgelegenheden moeten verboden worden. Reeds zou een belangrijke stap in de goede richting zijn gedaan, wanneer althans op den Zondag en de algemeene Christelijke feestdagen, als het kwaad het ergst woekert, de danslokalen gesloten werden. Hier ligt voor de Overheid en de Kerk een taak van groot gewicht.
Zoo hebben het ook onze Gereformeerde Vaderen begrepen.
Onder de particuliere vragen die op de Synode van Dordrecht, in 1578 voorgesteld en beantwoord werden, vindt men ook deze vraag: „Wat men doen zal met hen, die zich tot openbaar dansen begeven?"
Het antwoord op deze vraag luidde: „Overmits de danserijen gemeenlijk een lichtvaardjgheid, den Christenen onbetamelijk, medebrengen, en aanlokkingen der vleeschelijke lusten zijn, en ook den Godzaligen verergeren, inzonderheid in tijd van gemeene nooden, zoo zullen zij gestraft worden, die zich daartoe begeven en zoo zij hardnekkig voortvaren, na verscheidene vermaningen, van de gemeenschap des Heiligen Avondmaals afgehouden worden". Dit geschiedde 350 jaar geleden. De Kerk riep de hulp van de Overheid in om maatregelen tegen de „danserijen" te treffen. Terecht zegt artikel 14 van het Antirevolutionair Program, dat van het jaar 1878 dagteekent: „op de Overheid rust de plicht om te waken voor de publieke eerbaarheid op den weg en in publieke plaatsen, waarna o.m. gewezen wordt op het strafbaar stellen van de verleiding van minderjarigen tot onzedelijke daden.
Een gewichtige stap ter bestrijding van het danskwaad werd in September l.l. gedaan door de R.K. Kerk in Utrecht, toen de geestelijkheid in alle kerken ter plaatse den parochianen aanzegden, dat zij zich van 't bezoeken van danslessen en dansgelegenheden hadden te onthouden, waar men, onder welken naam dan ook, zich zou vergrijpen aan een modernen dans. Dezelfde geestelijkheid gelastte bovendien niet slechts de ouders hun kinderen ten strengste te verbieden neutrale of verdachte dansgelegenheden te bezoeken, maar zelfs mogen zij hun kroost niet veroorloven lid te zijn van een z.g.n. Katholieke club, waar men onderricht geeft in de moderne dansen en manen zij de besturen van Roomsch Katholieke organisaties, uit hun vereenigingen de gelegenheid tot dansen te weren, welke wordt aangekondigd onder den naam van gezellig samenzijn. Op die manier verzet Rome's Kerk zich tegen het zedeloos kwaad van onzen tijd.
Hoever het met dit kwaad ook in de Christelijke gemeente gekomen is, daarop wijst hetgeen een predikant in de ,, 's-Gravenhaagsche Kerkbode" schrijft: dat er op zijn catechisaties geen plaats is voor hen, die publieke dansgelegenheden bezoeken. Overheid en Kerk hebben saam te werken om het gevaar, dat ons volksleven bedreigt, te stuiten. Daarop kan niet genoeg de aandacht van ons volk gevestigd worden. 

Een opmerking en een vraag.
Wij verheugen er ons over, dat ds. Kersten in zijn blad „De Banier" kennis heeft genomen van ons artikel van vóór enkele weken, getiteld „Gebrek aan ernst", al spijt het ons, dat in het stuk in ,,De Banier" niet die zelfde broederlijke toon wordt aangeslagen, als waarmede wij de zaak behandelden.
Doch op dit laatste gaan wij niet nader in. Een ieder moet zijn doen en laten voor God verantwoorden.
Waarom wij nu over de zaak, waarover wij destijds schreven, nog iets willen zeggen, zit 'm in het feit, dat ds. Kersten de dingen, die gebeurden, absoluut onjuist aan zijne lezers voorstelt.
Zooals men zich zal herinneren, liep het in ons artikel ,,Gebrek aan ernst" over de motie, welke ds. Zandt in de Tweede Kamer had voorgesteld en waarin hij uitsprak, dat des Zondags de openbare middelen van vervoer behooren stil te staan en dat de regeering de daarto.e dienende maatregelen, heeft te treffen.
Wij lieten bij die gelegenheid de motie zelve onbesproken, maar klaagden wel over de wijze, waarop zij werd ingediend en over het volslagen gebrek aan ernst, dat ook ditmaal weer uit het optreden van ds. Zandt bleek. Woordelijk schreven we daarvan:
Immers had dit lid van de Kamer, als deel uitmakende van de Commissie van Rapporteurs, mede de leiding bij de schriftelijke voorbereiding van de Waterstaats-(inclusief Spoorweg) begrooting. Doch in het Voorloopig Verslag, dat ook de handteekening van ds. Zandt draagt, wordt met geen woord van de noodzakelijkheid van het algemeen stopzetten van de openbare middelen van vervoer op Zondag melding gemaakt. Dat behoefde ook niet, want de kiezers nemen toch geen nota van wat in de stukken staat, echter wèl van het openbaar debat. En de rede van ds. Zandt wordt later in het orgaan van de Staatkundig Gereformeerde Partij woordelijk afgedrukt en daar komt 't alleen op aan. Overduidelijk bleek het de Kamer, dat wat gezegd werd, uitsluitend diende voor de galerij en om dan daarin nog met een breed gebaar het heilige te betrekken, ziedaar wat den tegenzin bij velen opwekte. Is het wonder, dat de Kamer weigerde om aan dit gedoe mee te doen en ds. Zandt alleen liet staan?
Nu is hier 't opmerkelijke, dat ds. Kersten in zijn blad van deze dingen niets schrijft, maar het over een anderen boeg gooit en zijn lezers wijst op den ernst, waarmede ds. Zandt in vele gemeenten als Evangelieprediker optreedt.
Doch daarover hebben wij geen woord gezegd. Daaraan twijfelen wij zelfs niet in het minste. Wij willen ds. Zandt op dit terrein alle eer geven, die hem toekomt. Doch wij hadden het niet over ds. Zandt als Bedienaar des Woords, maar over ds. Zandt als Staatsman. Had ds. Kersten gezegd, dat ds. Zandt in de politiek nog onervaren is, en dat daarom aan den ernst kon worden getwijfeld wij zouden over de zaak geen woord hebben gerept.
Maar nu plaatste ds. Kersten de kous op haar kop. En daartegen mag een woord van verweer niet uitblijven. Evenmin mag een woord van critiek achterwege blijven ten aanzien van wat ds. Kersten aanvoert tegen onze opmerking betreffende het verlaten van de zittingszaal door de beide Staatkundig Gereformeerden, toen een motie in stemming kwam om het betalen van premie door ambtenaren te schrappen. Ds. Kersten geeft volmondig toe, dat die uittocht heeft plaats gehad, doch hij ver­dedigt dit door te zeggen, dat het hier een motie gold van den Communist. Daarom onthielden de Staatkundig Gereformeerden zich van stemming. Doch dan komt de vraag vanzelf naar voren: Waarom dienden de Staatkundig Gereformeerden dan niet zelf een voorstel in?
Misschien hooren wij daarvan later nog wel iets.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's