De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

12 minuten leestijd

Geen recht van verweer.
De „roode" Bond van Nederlandsche Onderwijzers is op de jongste algemeene vergadering bij monde van zijn voorzitter weer eens danig te keer gegaan tegen de gelijkstelling van het Bijzonder met het Openbaar Onderwijs krachtens de Lager Onderwijswet van 1920. In het bijzonder moest het bij deze gelegenheid de scholensplitsing ontgelden, welke met het word „waanzin" werd bestempeld. Ook werd er op gewezen, dat, indien de teekenen niet bedriegen, het in 't voornemen ligt deze splitsing door te trekken voor het voorbereidend, middelbaar en hooger onderwijs, en zal ook het nijverheidsonderwijs daaraan niet mogen ontkomen. Ten slotte — en dit was de klap op de vuurpijl — moesten de voorstanders van het principe der Openbare School op hun hoede zijn, want, zoo zeide de voorzitter van den Bond, de tegenstanders gaan onvermoeid door op den weg, die moet leiden tot algeheele clericaliseering van ons onderwijs.
De aanval van den voorzitter van den Bond van Nederlandsche Onderwijzers ging ditmaal, zooals wij hierboven zagen, voornamelijk tegen de splitsing der Bijzondere Scholen. Ook wij zijn van de versplintering van het Christelijk Onderwijs in allerlei kleine schooltjes geen bewonderaars. Niet alleen om der wille van de vele kosten, die daarvan het gevolg zijn, maar vooral ook terzake van het onderwijs zélf, dat op de éénmans- en tweemansscholen geen voldoende rendement geeft. In een voor verschillende kerkelijke gezindten behoorlijk ingerichte Christelijke School moet het zoo zijn, dat tusschen bestuur, onderwijzend personeel en ouders een goede verstandhouding bestaat.
En dit is mogelijk, zoo de kerkelijke nuanceering maar geen rol speelt. In zulk geval mag niet tot splitsing worden overgegaan. Er bestaat reeds op zoo velerlei terrein verschil van gevoelen en inzicht, en de kloven tusschen de onderscheidene kerkelijke groepen zijn soms zoo breed, dat overbrugging niet mogelijk schijnt. Dit behoeft echter nog geen reden te zijn om ook op het terrein van de school tegenover elkander te staan en verbrokkeling van het onderwijs in de hand te werken.
Is dit zoo onze meening, dan wil dit niet zeggen, dat de Bond van Nederlandsche Onderwijzers gelijk had en dat zijn aanval op de algemeene vergadering door den beugel kon. Integendeel! De Bond heeft alle recht verloren om te spreken, zooals de voorzitter dit op de vergadering deed. Dat het Bijzonder Onderwijs zich nog steeds in sterk stijgende lijn beweegt, heeft de Bond van Nederlandsche Onderwijzers aan zichzelf te wijten. Zijn toetreden tot de Sociaal Democratische Arbeiderspartij, de politieke organisatie, die van geen vaderlandsliefde wil weten, die vijandig staat tegenover 't Oranjehuis en die den klassenstrijd predikt, heeft hem tot het opvoeden van de jeugd in christelijke en maatschappelijke deugden totaal ongeschikt gemaakt. Dit zien ook heel wat vrijzinnigen in, die in stede van hun kinderen naar de Openbare School te zenden, voor dezen gebruik maken van eigen inrichtingen van neutraal onderwijs.
Eenigen tijd geleden schreef een der voormannen van den Bond in het orgaan van deze Onderwijzersorganisatie „De Bode", dat de tijd voorbij is, waarin de godsdienst nog een maatschappelijk belang was. Het gebruik van den godsdienst in vraagstukken van maatschappelijken en staatkundigen aard is — zoo zeide deze opvoeder van de jeugd — nog slechts een verschijnsel van reactionaire strekking tegen de ontwikkeling van Maatschappij en Staat gericht. Zij zijn gekomen — zoo ging hij voort — tot de erkenning van de socialistische stelling: godsdienst is privaatzaak. 
Zij, die zoo schrijven, breken het hardst de Openbare School af en zijn de beste propagandisten — als men dit zoo noemen mag voor de Bijzondere School. In hun mond heeft het dan ook geen waarde om te waarschuwen tegen — wat zij zeggen — de clericaliseering van het nderwijs. Gelukkig, dat ons volk wijzer wordt en deze heeren onderwijzers links laat liggen. 

De Unie van Utrecht. 23 Januari 1579. 
Den 23sten Januari is het 350 jaar geweest, dat de Unie van Utrecht werd gesloten, welke Unie den grondslag gelegd heeft van het Staatsgebouw, waarin wij wonen. Jan van Nassau, de broer van Prins Willem en de eenige zoon van Juliana van Stolberg, die niet zijn leven voor Neêrlands-zaak gegeven heeft, is de man die tot de totstandkoming van de Unie van Utrecht zeer veel heeft bijgedragen. Er was reeds een Generale Unie, voor de Zuidelijke en Noordelijke provincies, door Prins Willem met veel moeite tot stand gebracht. Men zou zich saam verzetten tegen de Spaansche tyrannie. Den Koning van Spanje wilde men blijven erkennen als opperheer, doch hij mocht de Nederlanden niet regeeren in Spaanschen, doch in Nederlandschen geest, 't Spaansche bewind en de Spaansche troepen moesten worden verwijderd.
De Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden waren daarin één. En ook was de zaak van de religie behandeld, doch — niet opgelost. De moeilijkheden waren dan ook vele en zéér groot. Er was bepaald, dat Holland en Zeeland de Hervormde religie zouden hebben en houden en elke daarvan afwijkende godsdienst zou getolereerd, of geduld worden; maar de Hervormde godsdienst zou de heerschende en algemeen erkende zijn. In de overige Staten zou 't echter anders zijn, omdat de omstandigheden daartoe noodzaakten. Daar zou 't Roomsch-Katholicisme de heerschende godsdienst zijn. Wel zou overal geloofsvrijheid heerschen, maar geen godsdienstoefeningvrijheid. Niemand zou om den geloove worden vervolgd, maar openbare godsdienstoefening bleef alleen toegestaan aan de Roomsch-Katholieken.
Natuurlijk moest deze regeling allerlei moeilijkheden scheppen. Want toen geloofsvrijheid was afgekondigd, keerden honderden ballingen naar Vlaanderen en Brabant terug en velen gingen tot de Reformatie over. Maar — vrijheid van godsdienstoefening was er niet. De vraag, om vrij God te mogen dienen en eeren, werd nu sterker. Geloofsvrijheid zonder godsdienstvrijheid was een onding. En weldra werd de eisch gesteld, dat beide vormen van Godsvereering — de Roomsche zoowel als de Protestantsche — overal van gelijken rechte zouden zijn.
De Prins van Oranje heeft hierin gedaan wat hij, als Protestantsche vorst, kon. Hij stelde voor: overal waar 200 gezinnen er om vraagden zou in den eenen of anderen vorm — Roomschen en Protestanten met gelijk recht — de godsdienstoefening mogen plaats hebben. Hiervan wilden echter Holland en Zeeland — waar de Hervormde religie de heerschende was — niet weten; maar evenmin de Waalsche gewesten en vooral niet in Vlaanderen, waar mannen als Petrus Datheen veel invloed hadden.
De Prins kwam hierdoor in den verdachten hoek, omdat hij niet alleen vrijheid van geloof, maar ook vrijheid van godsdienstoefening wilde; en de moeilijkheden hoopten zich op.
Omdat de Prins nu ook wel begreep, dat men in de Zuidelijke Nederlanden eigenlijk anders tegenover Spanje stond dan in de Noordelijke gewesten en het gevaar niet denkbeeldig was, dat de Zuid-Nederlandsche adel, zoo de Koning nog maar iets meer toegaf, gemakkelijk zou terug te brengen zijn onder het Spaansche bewind en nooit om de vrijheid van godsdienst den strijd met Spanje zou voortzetten, was hij op nieuwe plannen bedacht.
Eenerzijds liep Anjou met de gedachte een Unie van Roomsche Zuidelijke gewesten in 't leven te roepen, anderzijds de Prins om een Unie van Protestantsch Noordelijke gewesten te bevorderen.
Anjou slaagde in zooverre, dat 6 Jan. 1579 de Unie van Atrecht gesloten werd, waarbij echter slechts Artois, Henegouwen en de stad Donai 't eens met elkander waren. Men streefde van meetaf naar vrede met Spanje, doch er was nog te veel afkeer van Spanje. Tenslotte zijn de Waalsche provincies, door hun afkeer tegen de Gereformeerden, toegetreden. Hun afkeer van de Gereformeerden was grooter dan hun haat tegen Spanje. Iets, wat Prins Willem juist had willen verhinderen, 't welk hem echter, mee door het optreden van Datheen, mislukt is.
Het tot stand komen van de Noordelijke Unie werd verhaast door Parma's bedreiging van Gelderland in het jaar 1578. Toen was het Holland — en dat in de dagen van het sterke provincialisme — dat Gelderland dadelijk bijsprong.
Prins Willem kon echter de Generale Unie niet ontrouw worden; al dadelijk niet omdat hij als luitenant van Matthias van Oostenrijk, den algemeenen gouverneur tot steun moest blijven. Toch begreep hij, die zelf aan de Generale Unie had meegewerkt, dat een nadere-Unie van de Noordelijke gewesten niet mocht uitblijven, 't Was gebiedend noodzakelijk om een Unie tot stand te brengen, waar de Gereformeerde religie den toon zou aangeven. En daarom werkte de Prins daarop, maar liet zijn broeder Jan van Nassau, den stadhouder van Gelderland, als zijn zaakgelastigde de besprekingen voeren. Met wijs beleid wist die de voornaamste der Noordelijke provinciën voor te bereiden tot het sluiten eener Unie, waarbij deze, veel nauwer dan geschiedde in de Pacificatie van Gent, zich saam verbonden.
Om 't daartoe te brengen moesten groote zwarigheden worden overwonnen. Friesand, Gelderland, Utrecht, zij voelden zich allen zéér zelfstandig! Holland, al was 't veel grooter dan één van deze en al zou t méér lasten te dragen krijgen dan de andere bij elkaar, mocht evenals de andere maar één stem hebben. De privilegiën der onderscheidene gemeenten en steden moesten worden ontzien; aan hun souvereiniteit mocht niet worden geraakt. De stad Groningen wilde, als altijd, juist 't omgekeerde van wat de Ommelanden verlangden. En zoo waren er vele moeilijkheden en perikelen aan allen kant!
Medewerking kreeg Jan van Nassau in deze van den Rotterdamschen stadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt, evenzoo van Hollands raadspensionaris Paulus Buys. In het Noorden was nog al wat oppositie. De Kanunnik Jacob Cuynretorf en de rechtsgeleerde Hendrik van Medemblik spoorden in een schimpschrift tot verzet aan; maar werden er voor in de gevangenis gesloten.
Sinterklaasdag 1578 was het ontwerp-Unie gereed gekomen. De Gedeputeerden van Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht teekenden dit ontwerp, onder voorbehoud, dat hun lastgevers dit zouden goedkeuren. Op den 23sten Januari 1579 kwam de Unie van Utrecht definitief tot stand. Onder groote plechtigheid had toen in het Kapittelhuis van den Dom de onderteekening plaats. Friesland teekende toen niet, wel teekenden Holland, Zeeland, Utrecht en de Ommelanden. Dat waren er dus nog maar vier. Later werd de Unie versterkt. In Mei teekende Prins Willem van Oranje. Weldra volgden de Kwartieren van de Veluwe en Nijmegen, alsmede Venlo. Friesland volgde bij gedeelten. In Augustus 1579 teekende Overijssel, terwijl pas in 1580 het Kwartier van Zutphen en Drenthe zich aansloot. Toen omvatte de Unie eindelijk al de Noordelijke gev^esten.
Eigenaardig is het, dat de Unie óók geteekend werd door Gent, Brugge, leperen en het Vrije, Antwerpen, Breda en Lier. Dat was tegen de oorspronkelijke bedoeling.
Intusschen werd, ondanks het bestaan van de beide Unies, al het mogelijke gedaan om de Generale Unie te redden. Al de Nederlandsche gewesten in één staatsverband was immers het ideaal, dat Prins Willem altijd voor oogen had gestaan.
Nog in het midden van 1579 werd te Keulen een conferentie gehouden van Staatsche en Spaansche gezanten. Men wilde nog trachten een weg ter verzoening te vinden. Doch de poging faalde. 't Stuitte af op Filips' afkeer van den Hervormden godsdienst. Toen kwam feitelijk de scheiding: want de Zuidelijken sloten nu vrede met Filips en de Noordelijken stonden nu alleen!
De Unie was de band, die de Noordelijken bijeen hield.  Dadelijk in Art. 1 werd vastgelegd: „Dat de voornoemde Provinciën zich verbinden, confedereeren en vereenigen om ten eeuwigen dage bij elkander te blijven alsof zij maar ééne Provincie waren" zonder dat zij zich te eeniger tijd zullen scheiden of laten scheiden.
Hier zien wij verrijzen het symbool van den steigerenden leeuw, die met den voorsten rechter-poot een zwaard en met den linkerpoot een bundel van zeven pijlen houdt. Eendracht maakt macht!
Vóór 1648 droeg de leeuw, die op het roode schild voorkomt in het wapen van de Unie, een hoed op den kop, als teeken der Vrijheid. Na 1648 wordt de hoed veranderd in een kroon, als teeken der erkende oppermacht. In den strijd voor vrijheid en recht is men gekomen tot overwinning. En de Unie is de geboorte-ure van onzen Nederlandschen Staat.
Was zoo in Art. 1 neergelegd de unie of vereeniging van de verschillende gewesten, met behoud van ieders bizondere rechten, in de artikelen 4—8 werd gehandeld over de wijze van verdediging en over de kosten. Alle mannen tusschen 18 en 60 jaar zouden worden opgeschreven, om bij de verdediging te dienen. Een landstorm zou worden opgericht. De kosten zouden naar draagkracht worden bijeengebracht. Belasting zou worden geheven op sommige artikelen, o.a. wijn, bier, zout, zijden stoffen, lakens enz.
Artt. 13—15 handelden over den godsdienst en bepaalden, dat Holland en Zeeland vrij waren. De andere provincies waren gebonden aan de Pacificatie. Niemand zou om het geloof vervolgd mogen worden. De religie-vrede moest worden gehandhaafd. Want in art. 13 stond met name „dat een yeder particulier in zijn Religie vry sal moghen achterhalen oft ondersoeken". Toen er later zwarigheid ontstond ten opzichte van het bepaalde in Art. 13. in betrekking tot dien religie-vrede en vrijheid van geloof, verscheen een nadere toelichting, waarin, om alle misverstand en wantrouwen weg te nemen, werd gezegd, dat het allerminst de bedoeling was „steden en provinciën, die sich aen de voorschreven Catholycke RoomsChe Religie alleene sullen willen houden endte daer 't ghetal van de Inwoners derselver van de Ghereformeerde Religie soo groot niet en is" uit te sluiten.
Dwang inzake de religie wilden onze Gereformeerde Vaderen 350 jaar geleden niet. Met Calvijn hadden zij een open oog voor de verschillende omstandigheden en onderscheidene toestanden, waarin landen. volken, provinciën en steden kunnen verkeeren; en zij wisten heel goed, dat niet alles over één kam geschoren kon worden en dat dwang inzake geloof en religie uit den booze is. Ze hadden natuurlijk hun idealen, maar zij wisten heel goed, dat er tusschen de werkelijkheid en het ideaal altijd nog wel eenige afstand is en blijft, soms zelfs een groote afstand.
Daarom geen dwang inzake geloof noch religie. De religie-vrede was nummer één. En er was maar één voorwaarde om in de Unie te worden opgenomen, namelijk zich „als goede Patriotten draghen"! Want, zoo werd er aan toegevoegd, dat de eene provincie of de eene stad de anderen „in 't poinct van de Religie sal onderwinden", was de bedoeling niet. Het was er veeleer om te doen „die principaelste occasie van twist ende tweedracht te vermyden ende wech te nemen".
„Ziehier de politieke idee", zegt prof. Visscher in zijn lezenswaardige brochure „Onze Scheidende Broeders en wij" blz. 13, „die de leidsvrouw geweest is der Vaderen, door wier worstelstrijd de republiek is geboren en tot macht gekomen en onder wier heerschappij de Nederlandsche Gereformeerde Kerken hebben gebloeid. Die mannen, die zoo dicht bij de geboorte onzer belijdenisschriften leefden, die ook Art. 36 hebben beleden, hebben toch zulk een politiek gevoerd, als hierin omschreven werd.
Dankbaar gedenken wij daarom nu den stichtingsdag van de Unie van Utrecht en den Oranjevorst, die dit verbond tot stand bracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 januari 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 januari 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's