KERKELIJKE RONDSCHOUW
Om Kerkherstel.
Dat de toestand van de Ned. Hervormde Kerk veel te wenschen overlaat, geoordeeld naar het Schriftuurlijk beginsel, nader ontwikkeld in haar eigen belijdenisschriften, zal wel niemand ontkennen. Onder de Ethischen zijn er velen, die het eerlijk en met groote droefheid bekennen, dat er aan de belijdenis van den Christus en de prediking van 't Evangelie des Kruises, helaas! maar al te veel ontbreekt in het midden van onze Vaderlandsche Kerk. Terwijl de Confessioneelen en de Gereformeerden 't zelfde getuigen, in deze dingen dan nog wat verder gaande om redenen van dogmatischen en kerkrechtelijken aard.
Door velen, zéér velen in de Ned. Hervormde Kerk wordt om Christus' wil uitgezien naar verandering en verbetering en bij zéér velen is de begeerte naar een hartelijke prediking van het heerlijk Evangelie door gansch de Kerk, die van ouds een plantinge Gods is geweest en tot zoo grooten zegen voor land en volk is gesteld geweest.
Zoo'n Kerk, met die geschiedenis en met zoovele duizenden en duizenden, die den Christus belijden, gaat niet verloren! De God des eeds en des verbonds staat ons daar borg voor. En het past ons niet om als de baren der zee heen en weer bewogen, onvast en wankel in onze wegen te zijn. Het is onze hooge en heerlijke en heilige roeping, voor Kerk en Vaderland, in den geloove vast te grijpen en vast te houden den Oversten Leidsman en Voleinder Jezus Christus, die zoo troostvol — ook te midden van zooveel verval Zijner Kerk — gezegd heeft: Ik ben met ulieden, vreest niet.
Maar dan moeten we ook allen, die het wèl meenen met de Ned. Hervormde Kerk welke toch zoo'n groote plaats inneemt in het midden des volks, ernstig er naar staan om voor die Kerk het goede te zoeken naar uitwijzen van Gods Woord. Dat Woord moet ons aller rechter zijn — ook onze gids, om dezen willig te volgen. Gaat Gods Woord als rechter over ons allen en staan we er naar onze kerkelijke wegen naar dat Woord in te richten, dan zal de zegen des Heeren ons niet ontgaan, naar den rijkdom van Zijn verbondsgenade in Christus.
Neen — dan moeten wij niet denken, dat wij volmaakt zijn en dat wij wijs zijn; om alleen voor anderen noodig te achten dat zij worden rechtgezet. Wij moeten ook zelf ons waarachtig willen stellen onder de tucht van Gods Woord en ons willen laten leiden door de waarheid en helderder zal onze roeping ons bewust moeten worden wat wij in dezen tegenwoordigen tijd te doen hebben, om met de schatten onzer Vaderen winste te doen en nieuwe schatten voort te brengen.
Ja — de toestand, waarin de Ned. Hervormde Kerk verkeert, getuigt van diep verval. In de practijk heerscht de meest onbeperkte leervrijheid, hoewel wettelijk verboden. Wat in de practijk geschiedt, is „onwaarachtig geschipper". En zoo zijn er geheele streken van ons Vaderland, waar de doorwerking van ongeloof de kerkgebouwen heeft ontvolkt, waarnaast dan echter niet zelden een krachtige actie in Evangelisatiewerk openbaar wordt onder Hervormde gezinnen, voor zoover die althans niet weggepikt zijn door andere Kerkformaties of godsdienstige vereenigingen, die allen om 't hardst moeite doen de menschen van de Hervormde Kerk af te trekken en weg te lokken, om eigen Kerk te bouwen.
Waarom is men toch niet liever bezig aan den opbouw van het huis der Vaderen, waarover de God des verbonds waakt tot op dezen dag? Waarom laat men het huis des Heeren woest?
Veel is er, dat ons bij den toestand, waar in de Ned. Hervormde Kerk verkeert, bedroeven kan. Haar verval, door ontrouw te worden aan de geopenbaarde Waarheid, die ter zaligheid ons bekend gemaakt is, is groot. Leer en leven is in vele streken van ons Vaderland in diep verval. (Heeft men — 't worde maar even terloops opgemerkt, om ons voorzichtig en billijk te doen oordeelen — heeft men wel eens iets gelezen hoe het vroeger met de Sabbathschending, met vloeken en dronkenschap, met onzedelijkheid, enz. enz. onder ons volk stond in de dagen van de heerschappij der Gereformeerde Kerk? 't Is niet om de zonde te vergoelijken nu; maar we wijzen er even op, opdat we niet onbillijk worden in onze klaagzangen en niet moedeloos worden bij ons werk in het midden van de Hervormde Kerk). Aan het godsdienstonderwijs, aan de prediking, aan de Sacramentsbediening ontbreekt zooveel in tal van gemeenten.
En nu zou dat het ergste nog niet wezen, indien de gedachte maar algemeen was: dat moet beter worden!
Doch daaraan ontbreekt zooveel! We weten wel dat er veel, heel veel gedaan wordt, ook in moderne gemeenten aan Christelijk Onderwijs. De neutrale Staatsschool heeft uitgediend onder de Hervormde menschen. Scholen met den Bijbel worden begeerd overal. Ook wordt door de prediking in rechtzinnigen geest veel, heel veel gedaan. Maarr meer algemeen moest worden gevoeld, dat de Ned. Hervormde Kerk in haar geheel, in haar opzet en inrichting, gemaakt moet worden tot een Kerk — gelijk zij behoort te zijn, ook krachtens haar geschiedenis en haar belijdenis — waar de prediking van het Evangelie der verzoening wet en regel is overal.
Aan de inrichting, den opzet van de Kerk als Kerk, ontbreekt zooveel. En daarin moest meer eenstemmigheid zijn onder rechts-Ethischen, Confessioneelen en Gereformeerden, dat in die inrichting en in dien opzet van de Nederl. Hervormde Kerk als Kerk verandering en verbetering moet komen; dat zij als de Kerk van Christus weer in het midden des volks komt te staan als een Kerk, die niets anders wil en begeert, dan als een getuige van Jezus Christus haar stem te verheffen en haar werk te doen.
Christus mag niet geloochend, Christus mag niet beleedigd worden! En om de wille van den Christus der Schriften, den Heiland en Zaligmaker van zondaren, moeten de handen inééngeslagen worden om te doen wat er gedaan kan worden, om de Kerk als Kerk te helpen er in en door de Kerk ons land en ons volk te dienen, door de liefde van Christus bewogen.
Godsdienstlooze religie.
Godsdienst zonder godsdienst. Ga zoo maar voort: boter zonder boter, enz. Maar — laten we niet onbillijk zijn. Want het opschrift boven dit artikel bedoelt te wijzen op hetgeen de voorganger van de Haagsche Vrije Gemeente geschreven heeft over dat onderwerp. En dus liever dan over „boter zonder boter" en „godsdienst zonder godsdienst" dadelijk iets te zeggen, willen we eerst even meededen wat de Haagsche vrijzinnige schrijver met zijn „godsdienstlooze religie" bedoelt. Hoewel het wel héél vreemd is wat hij schrijft en wij, eerlijk gezegd, geneigd zijn een weinig te blijven spotten. Godsdienst zonder God! 't Kan haast niet dwazer, 't Is tegelijk ergerlijk!
De vrijzinnige voorganger van de Haagsche Vrije Gemeente zegt: ik wil niets weten van een God, die op eenige wijze door den mensch gediend moet worden. „Ik ben verlost" — zegt hij — „van den God uit de Kerk en den God uit het boekje en den God met den opgeheven vinger en ook van den God met den reddenden arm. Aan mij is niets te redden, want ik ga niet verloren, niet in de diepste diepte en niet in de duistere kolken van den dood: mijn leven is een enkele zucht der eeuwigheid door de materie heen" „Het komt niet bij mij op, om „God" te zeggen. Dit zou slechts de deur openen voor misverstand".
Wanneer de schrijver het probleem behandelt, hoe men onderscheidenlijk het kind, den opgroeienden mensch en den volwassene tot religie kan opvoeden — zoo etuigt de N.R.Ct. van Zondag 13 Jan. j.l. is voor hem de traditioneele opvoeding tot „godsdienst" derhalve bij voorbaat reeds uitgesloten.
„Er zijn", zegt hij, „ouders, die meenen, dat het noodig is, om, met de bedoeling hun kinderen religie bij te brengen — alsof dat mogelijk ware! — geregeld en systematisch met hen te spreken op dezelfde wijze als men een kind iets van de Vaderlandsche geschiedenis, van aardrijkskunde of van het Fransch zou leeren." Hij meent niet genoeg te kunnen waarschuwen „tegen de poging om via Bijbelsche verhalen in een kind religieuse gevoelens op te wekken en te ontwikkelen."
Hier voelen we uit welk vaatje deze vrijzinnige voorganger tapt: geen God, geen Bijbel, geen religie enz. Achter deze en dergelijke redeneeringen zit natuurlijk een levens-en wereldbeschouwing. En dat blijkt ook wel, als we verder lezen, dat „de religieuze sfeer van het Oude en van het N. Testament" — dus niet alleen van het O. T. — „zoo geheel anders is dan de onze!" Het menschvormige Godsbegrip „de Heer" buiten de aarde, die ingrijpt, die verbeden kan worden, straft en beloont — hoe vér is dit alles ons geworden; hoe liggen de problemen achter ons, die een dergelijk Godsbegrip onherroepelijk meebrengt". „Gezwegen nog van 't bezwaar, dat de Bijbelsche verhalen ruw en meerendeels door en door immoreel zijn".
„Als ze niet toevallig in den Bijbel stonden, zou toch niemand bij onze fijnere paedagogische begrippen en ons zooveel fijner inzicht in de psyche van het kind zulke verhalen voor onze kinderen durven verzinnen." „Beteekenis had de gewoonte om Bijbelverhalen aan kinderen te vertellen alleen in een tijd, toen men in den Bijbel als het boek der religie bij uitnemendheid, het openbaringsboek geloofde."
Hoewel 't noodig is, dat men jongen menschen onderricht geeft, dat hun den blik kan openen op het verschijnsel der religie in 't algemeen — „is het zeer jammer, dat men voor een dergelijk onderricht bijna altijd bij een predikant terecht moet komen, omdat deze nu eenmaal door zijn studie geacht kan worden, daartoe in staat te zijn." Jammer noemt de schrijver dit, omdat de predikant vaak door zijn verbonden zijn aan een bepaalde kerk met speciale belangen, den schijn krijgt van belanghebbende te zijn, wat jonge menschen, die op dit punt soms zeer fijngevoelig zijn, terstond reeds eenigszins sceptisch stemt en het gevoel geeft, dat men hem in en aan een kerk wil praten. Wat, goed beschouwd, ook meermalen het geval is."
In dien toon gaat de schrijver dan voort, hij maakt de preek bespottelijk, het psalmgezang (de psalmen „met hun barbaarschen archaïstischen inhoud". Berijmde zoetsappigheden noemt de schrijver ook, waarmee hij waarschijnlijk „de Gezangen" bedoelt); en roept dan uit „dan moet men toch wel heel weinig van jonge menschen begrijpen, als men er zich ongerust over maakt, dat zij deze dingen met een luchtig wuivend gebaar voorbijgaan".
Wat men dan te doen heeft ten opzichte van het kind, als zoo God afgeschaft is, de Bijbel opzij gezet, de preek veroordeeld, de psalmen belachelijk gemaakt en de Gezangen als berijmde zoetsappigheden verworpen zijn?
„Het kind", zegt de schrijver, „ligt nog midden in den kosmos, met den heelen kosmos tot zijn erfdeel. Het wil zich openen als een bloemknop. En wat de volwassenen tot plicht hebben, is: die bloemknop niet aanraken. Het eenige wat de bloemknop noodig heeft, is een zuivere, zonverlichte atmosfeer. Als ge u te zeer buigt over het ontluikende leven, sluit ge het misschien in uw eigen schaduw van de zon en de ruimte af." Dan wordt verder den omgang met dieren aangeprezen. Angst moet verdwijnen. En het gevoel van veiligheid is het grondgevoel van alle religie.
Zoo wordt voor den schrijver de religieuze opvoeding van het kind, en straks ook van de rijpende en rijpere jeugd, een proces van bewustmaking van 't geen 't kind in zich zelf heeft, 't geen de jeugd in zich zelf bezit; een leeren luisteren naar „de sprakelooze taal der groote stilte"; „de innerlijke bespeuring van den adem der eeuwigheid" zich eigen maken; een zich gewennen tot een zoo diep mogelijke bezinking in zichzelf, tot een van „zich zelf uitleven", van „met zich zelf in de woestijn" van stilte en eenzaamheid gaan.
Zelf-aanbidding dus ten slotte. Zelf-religie. Zich zelf eeren en dienen. Menschvergoding, waarbij God en Christus wordt uitgebannen. Waarbij Gods Woord verboden waar is.
De pantheïst is hier aan 't woord. De natuuraanbidding. Want als ge vraagt „hoe kan een mensch van onzen tijd, die tot het besef is gekomen van zijn levensuitgang in de ruimte, zichzelf religieus opbouwen? " dan is het antwoord van den vrijzinnigen voorganger van de Haagsche Vrije Gemeente: „doordat hij tracht te zijn, niet iets te zijn, maar zich zelf te zijn; door in zich zelf te zoeken naar den louteren toets, die uit het groote moederhart van alle bestaan straalt". Het blad des levens moet niet door anderen beschreven worden, maar men moet het zelf leeren beschrijven met dat „mystische schrift, dat geen naam draagt, maar waarin de wereld en de zonnestelsels, waarin alle dingen der eeuwigheid staan geschreven."
Zulke ouderwetsche kost wordt nu in en modernen tijd weer eens opgeschept door een vrijzinnigen voorganger uit Den Haag! Wat Godloochenaars als Rousseau verkochten als nieuwe koopwaar voor de jeugd hoewel 't oud was — wordt waarlijk in 1929 nóg weer eens als het nieuwste van het nieuwste voorgedragen met een geleerd gezicht. En daar moet de moderne jeugd, nu mee gevoed en opgevoed worden. Boter zonder boter. Of 't ook versterkend is in dezen slappen tijd! De vrijzinnigheid zal de wereld wel vooruit helpen! Gelijk 't dat trouwens al zoo lang gedaan heeft! Wij willen ons maar liever bij onzen Bijbel houden. Dan hebben we een godsdienst niet zonder godsdienst; een godsdienst niet zonder God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 januari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 januari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's