De Romeinenbrief.
Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen, apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God, hetwelk Hij te voren beloofd had, door zijne profeten in de Heilige Schriften, van zijnen Zoon, namelijk Jezus Christus, onzen Heere (die geworden is uit het zaad van David naar het vleesch, die krachtiglijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar den Geest der heiligmaking, uit de opstanding der dooden), door welken wij hebben ontvangen genade en het apostelschap, tot gehoorzaamheid des geloofs onder al de heidenen, voor zijnen naam, onder welke gij ook zijt, geroepenen van Jezus Christus. Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods en geroepene heiligen, genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus. Rom. 1 vers 1—7.
Hebt ge wel eens opgemerkt dat de vorm waarin een brief thans geschreven wordt, heel anders is dan in de oudheid? Als we een brief van iemand ontvangen, wiens handschrift ons nog onbekend is, moeten we eerst aan het slot van den brief naar zijn handteekening zien om te weten wie zich in het schrijven tot ons richt. Of hij moest reeds dezen beginvorm hebben gekozen: Ondergeteekende .......... die en die .......... heeft de eer u mede te deelen, enz. enz.
In de brieven uit den tijd van Paulus was het echter de gewoonte, dat de naam van den schrijver vooropgesteld werd, dan volgde de naam van hem of hen, aan wie de brief geadresseerd was, en dan ten slotte de groet. In vers 1—5 kondigt zich de schrijver aan. In 6—7a vernemen we den naam van de geadresseerden, en ten slotte volgt in vers 7 de groet.
Met verwondering vraagt misschien de lezer, waarom de schrijver zich zelf zoo breed aankondigt. Toch meene niemand, dat de apostel ook maar eenigszins de bedoeling heeft gehad om daarmee zichzelf voorop te zetten en te verheerlijken. Wie, die de brieven van Paulus gelezen heeft, zou nog durven beweren dat de apostel in zijn zendingsarbeid ook maar eenigszins zichzelf heeft gezocht?
Neen, de reden moet veel meer gezocht worden in het feit, dat de apostel zich richt tot een gemeente, die hem nog onbekend was. 't Was noodig voor de lezers van zijn brief in de gemeente Rome toch eenigszins te weten, wie het was, die zoo stoutmoedig een schrijven aan hen durfde richten.
Hij dient zich dan aan met den naam van Paulus. Reeds de groote Kerkvader Origenes (op zijn voetspoor ook Calvijn) heeft aangenomen, dat Paulus twee namen had, n.l. Saul en Paulus. Juist met den Romeinschen naam Paulus noemt hij zich overal in de zendbrieven, omdat deze naam den heidenen wel aangenamer in de ooren zal hebben geklonken dan de Hebreeuwsche naam Saul.
Spraken we boven van mogelijke zelfverheffing bij zoo breeden opzet over zichzelf, de naam „een dienstknecht van Jezus Christus" leert ons wel anders. We zouden zelfs kunnen vertalen: een slaaf van den Heere Jezus. Hij is immers iniet meer van zichzelf, maar het eigendom van den Heere Jezus, die hem met Zijn dierbaar bloed heeft vrijgekocht van de slavernij der zonde. Van nature is toch de mensch een dienstknecht der zonde, een knecht van den Satan. Het is alleen genade, die hem van koning doet veranderen.
Lezers, past hier niet de vraag: „Wiens dienstknecht zijt gij?" Nog in de wereld, of in dien zaligen dienst van Koning Jezus?
Paulus heeft nu geen andere begeerte meer dan om dien dierbaren Heiland, die hem kocht met Zijn bloed, te kunnen dienen tot den doodssnik toe. Voor dien zaligen dienst heeft hij alles over. Zijn geld en zijn goed, zijn lichaam, zijn leven. Hij wenscht er voor te sterven. Niet zelf heeft hij zich maar als zendingsapostel aangediend. Hij weet zich van God geroepen tot apostel, afgezonderd tot het Evangelie Gods. Eens was hij Farizeër, 't welk ook beteekent: afgezonderd. Toen was het echter een afzondering vol eigen gerechtigheid. Toen leefde hij vol haat tegen het Kruisevangelie. Nu wordt hij opnieuw afgezonderd, doch nu door den Heere. Nu afgezonderd om zich geheel te geven aan dat heerlijke werk om een wereld, die bezig was onder te gaan in den nacht van zonde, nog te brengen het rijke Evangelie dat in Christus het licht ter redding was opgegaan. We hebben groot gebrek aan dienaren des Woords. Zende de Heere er nog velen uit in Zijnen wijngaard, die na inneriijke zielsworstelingen als Paulus zich geroepen mogen weten en op de bevestigingsvragen mogen antwoorden: Ja ik, van ganscher harte.
Evangelie! Weet gij de beteekenis van dat woord wel, lezers? Dat beteekent blijde boodschap. Laten alle bedienaren des Woords het blijven bedenken, dat bediening des Woords maar niet enkel bestaat in het aanzeggen van hel en eeuwige verdoemenis, maar ook in de aanbieding van genade en zaligheid in Christus aan arme verlorenen in zichzelf.
Was het zendingswerk daar iets geheel nieuws? Het werk van een nieuwen sectariër, zooals ook in onze dagen telkens weer nieuwe valsche profeten opstaan om de menschen te verleiden? Neen, het was geen Evangelieprediking, die hij zelf maar had verzonnen, maar een Evangelie, hetwelk de Heere tevoren beloofd had door Zijne profeten in de Heilige Schriften. Paulus beroept zich op de heilige schriften der profeten. Hij is geen ervaringstheoloog, maar wortelt zijne prediking in den Christus der Schriften. Neen, hij put niet uit de Grieksche mythologieën of uit de opkomende mysteriën-godsdiensten. Hij heeft geen ruggesteun noodig in de Stoïcijnsche wijsbegeerte. Het Woord, aan de Vaderen geschonken, is hem een licht op het pad en een lamp voor den voet.
Maar toch Iaat de apostel ons gevoelen, dat het evangelie des Ouden Verbonds haar vervulling bereikt heeft in den gekruisigden Christus. Daarom zegt hij het ook „het evangelie van Zijn Zoon Jezus Christus, onzen Heere, die geworden is uit het zaad van David naar het vleesch, die krachtiglijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar den Geest der heiligmaking, uit de opstanding der dooden. De Messias moest wezen de Davidszoon, gelijk ook de geslachtslijsten van Jezus het bewezen hebben. Maar de Messias zou oneindig veel meer, Hij zou Gods Zoon wezen. Maar Israël heeft Hem verworpen. Men heeft Zijn woord niet geloofd. Men schold Hem uit voor den zoon van Jozef den timmerman. Men ergerde zich aan Zijn knechtsgestalte. Men riep om bewijzen. Hij moest dan maar eens toonen Zijne goddelijke heeriijkheid. Maar neen, dat vermocht Hij immers niet, zoo dachten alle Schriftgeleerden en Farizeen. En toch, nadat Hij aan het kruis was gestorven, zou Hij een bewijs geven van Zijn Zoonschap, verpletterender dan al de geëischte bewijzen. Of is Zijne opstanding geen doorslaand bewijs van Zijn goddelijkheid? Wie is ooit vóór Hem opgestaan, of wie zal ooit na Hem in eigen kracht uit den doodsslaap verrijzen? Vrijwillig legt Hij het leven af, maar zelf neemt Hij het ook weer terug. Hij had immers de kracht in zich zelf om op te staan. Hij was Gods Zoon.
In den grondtekst staat eigenlijk niet „krachtiglijk" maar in kracht; zoodat er eigenlijk van den Heere Jezus, die zich gedurende Zijne omwandeling op aarde wel als Zoon Gods openbaarde doch in zwakheid, staat geschreven, dat Hij zich na Zijn opstanding als Zoon van God heeft bewezen in kracht. Neen, de Zoon van God heeft in den dood Zijn einde niet gevonden. Juist door dien dood is Hij ingegaan in een nieuw leven van kracht en heerlijkheid. Maar juist in dat nieuwe leven van kracht en heerlijkheid zou de Geest heiligheid werken en met zich brengen.
We vertalen dan ook liever niet door de woorden „met den geest van heiligmaking", maar „met den geest der heiligheid".
Dat het ook gedurende Zijne omwandeling op de aarde Hem aan dien Geest der heiligheid niet ontbroken heeft, spreekt van zelf. Maar ge geeft onmiddellijk toe, dat in de dagen van Zijne vernedering het vleesch meer dan de geest der heiligheid de maat aan Zijn leven gaf. Dat we bij het gebruik van het woord „vleesch" hier niet te denken hebben aan de zonde, behoeft eigenlijk niet te worden opgemerkt. Wat gaat er van den verrezen Heiland veel kracht uit. Welk een geest van heiligheid bezielt een Thomas, als hij den Verrezene aanschouwend, het uitroept: Mijn Heere en mijn God.
Maar Paulus noemt Hem niet slechts een spruit uit 't Davidische geslacht, hij noemt Hem niet alleen Zoon van God, neen, meer nog, hij noemt Hem onzen Heere. Kurios, Heere, was in de vertaling der zeventigen het woord voor Jehova. Het is een naam boven allen naam. Schoon zegt de apostel het in zijn brief aan de Philippenzen: Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd, en heeft Hem een naam gegeven, welke boven allen naam is, opdat in den naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel en die op de aarde, en die onder de aarde zijn en alle tong zoude belijden, dat Jezus Christus de Heere is tot heerlijkheid Gods des Vaders.
Welaan van dezen Jezus heeft Paulus de genade en het apostelschap ontvangen. Kan hij zich op grooter autoriteit beroepen? Is er ooit verhevener zender mogelijk? Die zich in waarheid aandient in dezen naam bij eenige gemeente, voorwaar de zoodanige mag niet worden afgewezen. Van dien machtigen Heere gevoelt zich Paulus de dienstknecht, de slaaf. Door Hem werd hij begenadigd maar ook verkoren tot apostel der heidenen. Dat moeten de christenen te Rome weten, 't Is immers zijn voornemen om van uit Rome als middelpunt het evangelie te verkondigen in het geheele Westen.
Vers 5 (onder welke gij ook zijt, geroepenen van Jezus Christus) is natuurlijk geen bewijs dat de christenen te Rome niet van Joodschen oorsprong waren, wat de meerderheid betreft. Paulus wil alleen maar zeggen, dat er in het middelpunt van het heidensche Westen reeds een gemeente bestond van geroepenen in Jezus Christus. Met vers 5 kwamen we reeds toe aan de geadresseerden, die in vers 6a nader worden genoemd: allen, die te Rome zijt, geliefden Gods en geroepene heiligen.
De woorden „te Rome" komen in verscheidene handschriften niet voor. We hebben eerder al opgemerkt, dat de oorspronkelijke brief, dien de apostel aan de gemeente te Rome schreef, verloren is gegaan. We hebben te doen met afschriften, die enkele eeuwen ouder zijn dan het oorspronkelijke schrift. Geen wonder, dat er onder de verschillende handschriften niet altijd overal woordelijke overeenstemming heerscht. Doch ook al zouden met sommige handschriften de woorden „te Rome" moeten vallen, in vers 15 staan om allerlei redenen, die we hier nu maar niet vermelden, deze woorden onomstootelijk vast, zoodat uit de weglating in vers 7 de critiek nooit kan opmaken dat de brief niet aan de gemeente te Rome zou geschreven zijn.
Dan volgt in vers 7b de eigenlijke zegenbede: Genade zij u en vrede van God onzen Vader, en den Heere Jezus Christus. Geen blijdschap, noch wereldvreugde maar genade wenscht Paulus den lezers toe Maar daarop volgt ook de vrede. Zonder genade geen vrede. De eerste pericoop van den brief is daarmee ten einde. Het was slechts de aanhef van den brief, maar toch, het kan niet gemist worden. Een volgend maal hopen we vers 8—15 samen te lezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's