Werkgever en werknemer
En ziet, Boaz kwam van Bethlehem en zeide tot de maaiers : de Heere zij met ulieden. En zij zeiden tot hem: de Heere zegene u. Ruth 2 vers 4.
Welk een liefelijk tafreel staat ons hier voor oogen. Op de ruischende korenvelden van Bethlehem komt de rijke grootgrondbezitter Boaz. Hij komt kijken naar het werk van de maaiers. Niet, omdat hij hen niet vertrouwde, hen misschien verdacht van dagdieverij. Neen, zelfs daar, waar door Gods genade een harmonie naar de Schriften mag heerschen tusschen werkgever en werknemer, blijft in de meeste gevallen het opzicht onmisbaar. Dat hij niet tot de bloedzuigers behoorde, bij wie de arbeider niet van tel is, blijkt wel uit zijn vriendelijken morgengroet.
„De Heere zij met u". Welk een liefelijke groet van dezen werkgever tot zijne ondergeschikten gericht.
Die zegen des Heeren hadden ook die akkerlieden zoo noodig in natuur en in genade. Immers aan den zegen des Heeren is alles gelegen. Met den Heere te mogen beginnen, om ook met den Heere de dagtaak te mogen eindigen, is dat niet heerlijk?
Sprak daarvan ook niet het morgen- en het avondoffer. Als de Israëliet naar den akker ging, als het nog duister was, lichtte reeds de gloed van het morgenoffer om het hem te prediken: In het geslachte lam alleen genade voor lichaam en voor ziel en als hij des avonds weer terugkeerde van zijn werk naar huis, dan predikten hem weer de vlammen van het avondoffer; Och o Israël, of ge met de zonde en de schuld van dezen dag moogt eindigen in Mij!
Welk een voorrecht een baas te hebben, die daarmede rekenen wil. Zulke werkgevers zullen er voor bewaard blijven om hunne werklieden te behandelen alsof het maar paarden waren of verlengstukken van gereedschap of machine.
Wat moet dat vriendelijke woord van den meester den werklieden weldadig hebben aangedaan.
Blijkt dat niet duidelijk uit hun wedergroet: „De Heere zegene u"? Zij gevoelen het, ook onze meester heeft dien zegen zoo van noode in alles. En daarom wenschen ze hem den onmisbaren zegen des hemels toe. Dat is nog eens wat anders dan de stille verwenschingen, of de binnensmonds gemompelde vloeken die in menige werkplaats oprijzen naar omhoog. Wat een aangrijpend verschil, den arbeid met gebed of met een vloek en een zucht te beginnen!
Lezers, bemerkt ge wel, dat de Heere ons in Zijn Woord leering wil schenken op alle terrein des levens.
Er wordt in onzen tijd verschrikkelijk geklaagd over de verhoudingen tusschen werkgevers en werknemers. We leven in den grooten strijd tusschen arbeid en kapitaal. Zoo nu en dan heeft de wetgever al beschermend moeten optreden om nu eens de belangen van den arbeid maar dan ook weer die van het kapitaal te verdedigen. Heb echter van dezen wetgever niet te groote verwachting.
Dit alles zal toch niet baten indien niet de enkelingen beginnen met zich de levensnormen uit Gods dierbaar getuigenis voor oogen te stellen.
Daarom nog enkele vragen: Hoe behandelt ge uw personeel? Zegent ge hen of behoort ge tot hen, die misschien door uwe ondergeschikten vanwege uwe wreedheid wordt verwenscht?
Werknemers, zijt ge ook voor uwe werkgevers wat de maaiers van Boaz voor hunnen geachten en beminden heer wilden wezen? Wat een heerlijke arbeidsverhoudingen op de velden van Boaz! Mocht het ook in onze dagen meer gevonden worden, 't Zou een schrede nader wezen op den weg van de oplossing van het zoogenaamde sociale vraagstuk. Maar helaas, duizenden willen van dat woord niet meer weten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's