MEDITATIE
De Wijzen uit het Oosten (II)
Matth. 2 vers 1—12.
De gang der Wijzen naar Bethlehem begon bij het schijnsel Gods in de natuur, waarachter de lichtende woorden van de oude Godsmannen stonden, getuigend voor de heidenen van Sions Borg en Middelaar — maar dan worden de Schriftgeleerden in Jeruzalem gebruikt om méér licht te ontsteken uit de Schriften. En Gods getuigenis in de Schrift neemt nu de leiding over, om de Wijzen niet halverwege te laten dwalen en te doen omkomen, maar om hen bij klaar schijnsel te brengen bij den Messias, den Vredevorst. Eerst de onderwijzing Gods in de natuur, dan door de Schriftuur.
Nu óók is er een wachtend uitzien naar een heilstaat. En men grijpt naar het occultisme — magie — sterrenwichelarij — duistere religie — Boeddhisme — theosophie. — Men doet aan spiritisme en spreekt van de Ster in het Oosten, van een nieuwen Heiland der wereld, een Leeraar der wijsheid voor de volkeren. Men verwacht alom een toekomststaat, van licht, warmte, vrede, vreugd, harmonie.
Geen pauperisme dan, noch kapitalisme. Geen prostitutie, noch revolutie. Maar — alles zonder Christus, alles buiten Gods Woord om, alles tegen Gods Woord ingaande.
Wel houdt men met de Kerstdagen een Kerstcongres, om te spreken over den gang van het wereldleven, van de duisternis gaande tot het licht — maar als men de idealen teekent en de lijnen trekt, die naar het geluksland der toekomst voeren moeten — dan is het niet: „velen zeggen wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons Uw aanschijn en laat Gij Uw aangezicht over ons lichten!"
Dan is het niet pleitend op Gods Woord: „Wendt Gij U tot ons en wees ons genadig, Heere." Dan is het niet: „laat ons dan henen gaan naar Bethlehem, om daar Immanuël, God met ons, te ontmoeten tot verlossing en zaligheid." Dan is het veeleer: we redden het zonder God óók wel! Maar die het zeggen: zinken!
De Heere had voor de Wijzen uit het Oosten betere dingen weggelegd, en zoo komen zij dan in aanraking met de Schriften. De Schriftgeleerden verkondigen hun die Schriften. Dat zijn de onderzoekers der Schriften; die weten de bizonderheden; die weten het zóó maar af te lezen van het heilige blad, die weten het uit hun hoofd, die weten het precies en dan laten de Schriftgeleerden, wier harte niet dorst naar den God des heils, de Wijzen alleen staan en gaan. En als de Wijzen worden aangevuurd door de Schriften en zeggen: „laat ons dan heengaan naar Bethlehem en laat ons zien het Woord, dat ons is bekend gemaakt" — dan blijven de Schriftgeleerden koud en ongevoelig en onverschillig achter in Jeruzalem. Handwijzers zijn ze, waarvan anderen voordeel genieten, maar zelf weigeren ze om in te gaan. Er zijn er nog meer, die onverschillig zijn, in Jeruzalem. Erger, die vol vijandschap zich openbaren; vlak bij 't heil, wegzinkend in onbekeerlijkheid des harten, tot een eeuwigen vloek.
Daar is Herodes! Toen die van een jong-geboren Koning hoorde, sloeg hem de schrik om het hart. Een Koning — een mededinger! Zou hij zich nu moeten over geven? hij van den troon af ? hij bukken en buigen? Nooit! Pas had hij nog Joden laten ombrengen, toen men vertelde dat ze een samenzwering tegen hem beraamden. Pas had hij zijn eigen vrouw Marianne en zijn zonen Alexander en Aristobolus laten dooden, omdat hij vreesde dat ze hem lagen wilden leggen en hem van den troon stooten. En nu die raadselachtige tijding, dat er een Koning geboren is, een Koning der Joden. Hij heeft z'n plan al klaar. Het zwaard van den sluipmoordenaar, de dolk van den geslepen woesteling glinstert voor zijn oog en hij weet al wat hij doen zal. Hij zal op informatie uitgaan — hij zal zien te weten te komen waar het pasgeboren Kind is en hij zal het in 't hart treffen met het wapen van een machtswellusteling en dood aan het Kindeke — 't koste wat het kost!
Hooren we het vloeken ook nu niet in onze straten? Weg met Christus! Dood aan den Messias, dien men haat als een indringer, als een bedrieger! Ligt 't scherp geslepen zwaard niet klaar hier — de venijnige dolk daar — om den Heiland der wereld te vervolgen, te verjagen, te dooden.
Wetenschap en kunst veracht Hem, hoont Hem. Vorsten en rijksgrooten werpen Hem uit. Kapitaal en arbeid haat Hem. Geen plaats, geen plaats. Ecrassez l'infame — vertrapt dien ellendeling. En die ellendeling is dan Christus, de Heiland der wereld!
We moeten kroon en troon loslaten — we moeten van onze hoogte of — we moeten naar Bethlehem — naar een Kindeke — God met ons. Die komt in armoede om armen rijk te maken, die komt in nederheid om met God te verzoenen en te bekleeden met goddelijke heerlijkheid, vol van genade en waarheid. Nooddruftjgen zal Hij verschoonen en armen, uit gena. Zijn hulpe ter verlossing toonen.
De Herodessen, ze hebben de Schriften geweten; ze hebben het woord der profeten gehoord. Maar machtswellust, bruut geweld, zondige ijdelheid vervult hen — en ze zullen in hun hoogmoed sterven, tenzij ze zich leeren bekeeren; tenzij ze overweldigd worden door Gods Woord, door de Wet en de Getuigenis; tenzij ze ontdekt worden door Gods Geest aan zonde en verlorenheid, om te roepen, om te schreeuwen, gelijk het moegejaagde hert schreeuwt naar de frissche waterstroomen, om te drinken uit Bethlehems bornput; uit de fontein, die in Christus is ontsprongen, voor de inwoners van Jeruzalem.
Die Christus vermoorden wil, die vermoordt zichzelf. Straks groeit Christus op en Herodes sterft. Christus is de Zaligmaker — en Herodes wordt bij z'n leven gegeten van de wormen en sterft in eeuwige vertwijfeling.
O! ongelukkige wereld, hoort 't Woord des Heeren — merkt op het licht dat van Gods vriendelijk aangezicht straalt. Komt, komt tot de wateren, komt, koopt en eet, zonder prijs en zonder geld, wijn en melk.
De Wijzen brachten goud, wierook en mirrhe. Wat heerlijke geschenken. Want immers het is niet zoo moeilijk te verstaan, wat deze geschenken van die mannen, zóó wonderlijk door Gods Geest en door Gods licht geleid, te beteekenen hebben.
Goud — en dat aan de voeten van Jezus, den jong geboren Koning der Joden. 't Was de erkenning, dat Hij hun Koning was en dat zij 't beste, 't edelste wat zij hadden, in oprechtheid aan Zijne voeten wilden neerleggen, om Hem te eeren. Daar had Hij recht op. Hij, hun Koning, zij Zijn onderdanen. Al het hunne behoorde Hem. Hem wilden zij zich overgeven. Hem dienen. Hem eeren. Hij hun alles, voor tijd en eeuwigheid!
Daarbij past het tweede geschenk: wierook. De wierook der gebeden, op gezonden naar omhoog, voor Hem, die de groote Hoogepriester is. Van Hem is al ons heil. En Hij wil gebeden zijn. Hij is de toevlucht voor de Zijnen. Hij wil gezocht worden. De sterke God wil aangeloopen worden als een waterstroom. De God des heils wil alles wat Hij geeft, wederom aan Zijn voeten vinden, waar Zijn kinderen voor Hem knielen om zichzelf Gode op te offeren als een levend dankoffer den Heere. Gebed en dankzegging. Smeeking en lofoffer. Aanroepen in den nood en vreugdepsalmen Hem wijden. Wierook — 'n brandend hart, dat brandt van liefde, dat zoekt de eere Gods, dat zoekt des naasten heil. Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten — belijdt Gods volk! De Wijzen uit het Oosten knielen er bij neer en aanbidden Hem.
En dan de mirrhe. Ach — 't zwaard van Herodes was reeds getrokken; de vlucht naar Egypte was aanstaande; lijden — het bittere lijden des Heeren, die kwam om zalig te maken, begon reeds; was al begonnen, waar voor Hem slechts plaats was in een herberg, een kribbe tot wieg, van welks hout straks zou worden gemaakt een kruis. Mirrhe — bitterheid — zalven Hem in Zijn lijden — in Zijn dood. Hem volgend in donkere wegen van smart en smaadheid.
O! als Jezus onze Koning mag zijn, door genade; onze Hoogepriester ook; o! dan is Hij ook de Christus, die voor onze zonde, voor onze overtreding zoo zwaar heeft moeten lijden en voor ons de straf gansch heeft willen verzoenen. Dan hebben wij Zijn beker met bitterheid ingeschonken. Dan hebben wij Hem aan het kruis gebracht. Dan hebben wij Hem gedood. Bitterheid!
Maar de vruchten van het lijden zijn lieflijk. Het zijn offeranden des lofs van al Gods kinderen. 't Ligt niet aan aardsche goederen, of wij deze geschenken kunnen brengen. 't Gaat om het hart. Mijn zoon, mijn dochter, geef Mij uw hart, spreekt de Heiland.
M. Gel., is ons hart reeds door Hem veroverd en door Hem ingenomen? Hij onze Koning, wij Zijn onderdanen? Hij onze Heiland, wij Zijn eigendom? Hij onze Hoogepriester, die met de eeuwige offerande van Zijn gehoorzaamheid voor ons eeuwige verlossing heeft teweeggebracht? En dan ons hart een tempel, waarin Hij wonen wil en waar liefde en offer Hem gebracht mag worden! Dan zullen we ook voor Hem, die de schande veracht heeft en het kruis gedragen in den weg des lijdens moeten ingaan; want de wereld heeft Hem gehaat, zij haat ook al de Zijnen, die Zijn Naam belijden en die willen wandelen naar Zijn Woord, doende Zijnen wil.
De dienstknecht is niet meer dan de Meester — de discipel niet meer dan Hij, die is de grootste Profeet. Ze hebben Hem gehaat, ze zullen ook ons haten. Hij is uitgeworpen, ze zullen ook ons uitwerpen. Maar beter dan het tijdelijk leven is de zaligheid, welke Hij voor Zijn Sion heeft verworven. Door lijden tot heerlijkheid!
„Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op aarde; bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is Hij de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid".
Zalig het volk, dat het geklank kent. Dat zóó leeft, dat zóó sterft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's