FEUILLETON
Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
door IDSARDI
43)
„En als ik niet te onbescheiden ben, hoe is het later met dat meisje gegaan", — aldus mevrouw.
„Precies zooals ik gedacht had. Eenige maanden later werd bekend, dat zij in het huwelijk zou treden met dien bewusten boerenzoon. Elk begreep, dat daar iets achter moest zitten en dat dit verkeerd moest uitloopen. Wellicht is zij verlokt geworden door zijn voorspiegelingen, dat zij kans had eenmaal boerin te worden op eigen boerderij. Het is daar echter niet aan toegekomen. Het einde is geweest, dat hij al heel spoedig haar verliet, naar men zegt, door naar Amerika de wijk te nemen. Oneerlijke handelingen maakten het hem geraden, te zien dat hij kwam buiten den greep onzer rechterlijke macht. Zij zelf is met haar kind eveneens in den vreemde gaan wonen, om daar eveneens met naaien of iets dergelijks in haar onderhoud te voorzien. Ik heb haar evenwel niet weer ontmoet".
„Maar kom, het begint aardig te lichten, en in het zuiden ziet de lucht zwart; ik moet maken dat ik op „de Viersprong" kom".
,,Eerst nog een kop thee", — heeft mevrouw toen gezegd; „ik heb onder uw verhaal alles vergeten". „Gelukkig, dat ik ook veel vergeten heb, al spreekt het vanzelf, dat de herinneringen aan het verleden nog wel eens boven komen", — was het antwoord van Sander. „Mijn leven had vroolijker kunnen zijn, maar sinds moeders dood gaat het echter rustig voort en mag ik zeggen met den Psalmist: „De Heer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden en voert mij zachtkens aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijne ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om Zijns naams wil".
Intusschen was in het dorp alles in zoete rust gegaan. Men houdt in Zorgvliet niet van lang slapen, zoodat het 's morgens vroeg dag is. Bovendien bestond de kans, dat men in de nachtrust gestoord werd, omdat de lucht zoo dreigde. Toen de torenklok elf slagen hooren deed, sprong Sander overeind en zei: „wel verbaasd, daar had ik nu heelemaal geen erg in". Met een vluchtigen handdruk nam hij afscheid en spoedde zich huiswaarts.
„Toch jammer, dat hij niet een andere vrouw gezocht heeft; 't lijkt mij zoo'n beste man" — zei mevrouw. En dominé stemde daar volkomen mee in.
Met vasten tred ging Sander op huis aan. Hij zou den weg gekend hebben, ook al had geen enkele ster zijn pad verlicht. Maar nu was het niet donker. Op verren afstand werd het geronk van een motor vernomen. Nu en dan schoot een vuurpijl uit het dreigend zwerk, gevolgd door een zwak gerommel, dat echter steeds nader kwam. De koeien in het land van Rijpkema begonnen onrustig te worden. Een enkele liet een angstig geloei hooren. Soms vloog een verschrikte vogel op uit 't riet langs den slootkant. Sander genoot van de frissche nachtlucht. Wat was Gods wereld toch mooi, niettegenstaande de ellende, die de zonde er in bracht en die menschen vaak veroorzaken. Opnieuw had hij een geschiedenis doorleefd, die slechts bij weinigen bekend was; die zeker elk al lang als in het vergeetboek had beschouwd, maar die dezen avond nog voor zijn geest stond als was zij gisteren gebeurd.
Waar zou zij nu wezen? En hoe zou zij het maken?
Daar voelde hij de eerste droppelen van den komenden regen. Nu, hij was zóó thuis. Hé, wat lekker! Je zoudt je nat laten regenen na zulk een zwoelen dag, als 't geen zonde was voor de kleeren. Nou, maar nu werd het toch al te kras. Maar een stapje harder. Daar zou zeker aardig van komen. En daar was wel behoefte. De regenbakken waren zoo goed als leeg en de veldvruchten snakten naar verkwikking. Verbazend, wat een hemel vuur! Van drie kanten tegelijk. Dat kon wel eens wat worden. Enfin, hij was thuis. Toen Sander de voordeur sloot, hoorde hij het geruisch van een overvloedigen regen. Als in de dagen van Elia, toen de hemel zwart werd en de Heer Zijn volk bezocht. En Sander kon danken, óók voor den regen.
Hoofdstuk VI.
JASPER DE KOSTER.
Onder de vele vrienden die Sander heeft, is er echter niet één, tot wien hij zich zóó voelt aangetrokken als tot Jasper, den koster-doodgraver-klokluider, enz.
Sander en Jasper zijn boezemvrienden. Wat hij niemand vertelt, dat weet Jasper, en omgekeerd, wat Jasper aan geen mensch openbaart, zelfs niet eens aan dominé Randwijk, hoe hij ook met dezen dweept, dat wordt Sander gewaar. Sander en Jasper hebben geen geheimen voor elkaar. Als er eens een gevalletje is, waar Jasper geen raad mee weet, en och, dat gebeurt nog al eens bij het bekleeden van die veelvuldige betrekkingen, dan is Sander de raadsman, die zegt hoe het moet; en omgekeerd, als Sander eens voor een moeilijk geval zit, waar hij verlegen mee is, dan wordt gewoonlijk ten slotte bij den doodgraver de beslissing genomen.
't Kan gebeuren op lieflijke zomeravonden, als de krekels in het gras tusschen de grafheuvels hun knerpend geluid doen hooren en de bijtjes nog zoemend rondvliegen om honing te puren uit de bloemen, die hier zoo weelderig bloeien, en er eene zachte suizing door de popels gaat; — maar óók wel als de herfstwinden waaien of de blanke sneeuw de zwarte aardhoopen bedekt, — dat zij urenlang in gesprek zijn, bij 't licht van de maan, dat precies in het kamertje schijnt
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's