MEDITATIE
De trappen in het genadeleven
Eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar. Markus 4 vers 28b.
Toen de Heere Jezus nog op aarde rondwandelde, was Hij gewoon te spreken door gelijkenissen. Zoo ook hier. Hij maakt gewag van een mensch, die zaad in de aarde wierp, en voorts sliep en opstond, nacht en dag, terwijl het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist hoe. Want, zegt de Heere Jezus, de aarde brengt vanzelve vrucht voort, eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar. En Hij verklaart er Zelf bij, dat het alzoo toegaat in het Koninkrijk Gods. Hij wijst hier kennelijk op de trappen in het genadeleven.
Eerst het kruid. Het ontluikende geloofsleven, dat bij de wedergeboorte aanvangt. Dit openbaart zich, wanneer het geweten ontwaakt en er een kermen om genade geboren wordt. Wanneer het oog opengaat voor eigen zonde en bederf, en gevoeld begint te worden dat we met een God te doen hebben, Die den schuldige geenszins onschuldig houdt. Dan wordt het met den Tollenaar: O, God! wees mij zondaar genadig; met den verloren zoon, bij den zwijnendraf van de ijdelheden dezer wereld: Ik verga van honger; met de mannen op den Pinksterdag: Wat zullen wij doen, mannen broeders?; en met den Stokbewaarder: Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?
Dan wordt de zielekreet die van den Heidelbergschen Catechismus: Aangezien ik naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend heb, is er nog eenig middel, waardoor ik aan deze straf ontgaan moge, en wederom tot genade kome? Dan is er een verlegen vluchten tot den Heere en een roepen om erbarming omdat de nood der ziel begint te wegen.
Neen, dan durft men in de verte niet te zeggen: Mijn ziel is gered. Jezus is mijn Zaligmaker; maar er mag toch een bewustzijn wezen: Er is een weg des behouds, er leeft een Zaligmaker, er is nog kans om gered te worden; er is nog slechts een o, zoo kleine hoop, maar toch groot genoeg om voor volslagen wanhoop te bewaren.
Dat is de eerste trap des geloofs. Den tweeden duidt de Heiland aan met de woorden: Daarna de aar. Kunnen wij den eersten trap aanwijzen als begeerte, den tweeden zouden we kunnen noemen: strijd, slingering. Bij deze is de ziel nu eens boven in de wolken, dan weder diep in den put. Men wordt geslingerd tusschen hoop en vrees. Heden is het met David: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid, want Gij hebt mijnen berg door Uwe goedgunstigheid vastgezet, maar morgen is ze zeer verschrikt, omdat de Heere zijn vriendelijk aangezicht verbergt. Heden is het: Ik zal al zoetkens voorttreden in het land der levenden, maar morgen: ik zal nog éen der dagen door Saul's hand omkomen.
Bij dezen tweeden trap gaat het als bij Israël, toen het de Doode Zee door was. Dan is het: De Heere is een Krijgsman, Heere is Zijn Naam. Hij heeft Farao met zijn heir in de zee geworpen, maar men weet niet, dat nog een lange en bange woestijnreis wacht. Dan zeggen we met Petrus, en nog wel met volle vrijmoedigheid: AI werden ze ook allen aan U geërgerd, ik zal geenszins geërgerd worden. En al waarschuwt ons dan ook de Heere Jezus: Gij zult Mij driemaal verloochenen, ons antwoord is: Ik zal U geenszins verloochenen, totdat we Hem schandelijk verloochend hebben, en dit met heete tranen moeten beweenen. Heden is het: Mijne groote schuld is verzoend, maar morgen: Ik vrees, dat ik nog voor eigen rekening sta.
Den derden trap wijst Christus aan met de woorden: Daarna het volle koren in de aar. We zouden dezen kunnen noemen: Verzekering. Bij dezen is het met Job: Ik weet, mijn Verlosser leeft; Welken mijn oogen zien zullen, en niet een vreemde, mijne nieren verlangen in mijnen schooy. Met David: God is mijn licht en mijn heil, wien zou ik vreezen; loof den Heere mijne ziel, Die alle uwe ongerechtigheden vergeeft. Die uw leven verlost van het verderf. Dan is het met Paulus: Ik ben verzekerd, dat niets mij zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere. Dan ook begint de eere Gods te wegen. Was het vroeger meer te doen om de zaligheid van de eigene ziel, nu gaat meer ter harte de glorie van Gods heiligen Naam, en is gedurig de vraag, te mogen leven tot Zijne eer.
En dan heeft deze trap van het genadeleven nog een kenmerk: Ootmoed, diepe ootmoed. De uitnemende John Newton beschrijft in zijne brieven ook deze trappen in het leven des geloofs en noemt ze A, B en C. Nu kreeg hij eens een brief van een jongen christen, waarin deze hem schreef dat hij in C zichzelf had herkend; en meende dat hierin juist zijn toestand werd beschreven. Newton schreef hem terug, dat dit moeilijk waar kon zijn, omdat hij één eigenschap van C niet had opgemerkt, namelijk deze, dat C nooit zijn eigen gelaat kende. Inderdaad terecht. Hoe meer genade hoe meer zelfveroordeeling; hoe meer geheiligd, hoe meer zondaar in eigen oog Wanneer de Heere bij Ezechiël Zijn volk belooft, dat Hij rein water op hen zal sprengen en zij rein zullen worden, hun een nieuw hart en eenen nieuwen geest zal geven, dan zal dit volk allerminst zeggen: Genaakt tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij, maar dan kruipt 't als weg van schaamte en berouw. De Heere Iaat op die belofte dan ook volgen: Dan zult gij gedenken aan uwe booze wegen, en aan uwe handelingen, die niet goed waren, en gij zult een walging van uzelven hebben.
Inderdaad, zoo is het. Hoe meer gereinigd en vernieuwd, hoe meer verootmoediging en zelfverfoeïïng; hoe meer ontvangen mag worden van Zijnen Geest, hoe lager en dieper voor God wordt gebukt.
De groote vraag. Geliefde Lezer! is ten slotte maar, hoe het met ons is. Of wij iets van dat leven der genade kennen. De Heere Jezus geeft ons deze gelijkenis kennelijk opdat wij onszelven beproeven. Opdat de kleinste in de genade niet wanhope, en opdat ter anderer zijde zich niemand met een schijnIeven tevreden stelle.
De voornaamste zaak is niet, tot welker trap der genade het bij ons kwam, maar of wij ware genade ontvingen. Niet in welke mate wij het leven mogen bezitten maar of wij van dood levend mochten worden. Neen, de trap en mate is niet onverschillig. Het is, zooals een christen in eene mijner vorige gemeenten wel eens placht te zeggen; Die er 't meeste van heeft, is er het beste aan toe. Hoe meer van dat leven, hoe zaliger. Maar toch is de eerste vraag niet, in welke mate wij het leven mogen bezitten, maar of bij ons waarachtig geestelijk leven is.
De troost, zegt Love, ligt in den hoogsten —, maar onze behoudenis in den eersten trap. Kleine genade is ook genade. Een vonk is zoowel vuur als een geheele vlam; een droppel evengoed water als een geheele volle oceaan.
In de ark van Noach waren drie verdiepingen, en het was zeker aangenamer in de bovenste dan in de onderste; en toch was, wat in de onderste verdieping was, even veilig tegen den zondvloed, als hetgeen zich in de bovenste bevond. De groote zaak is maar, of we in de ark zijn, of we in Christus, de Ark der behoudenis, worden bevonden.
De eerste vraag is niet, of bij ons de aar is, of het volle koren in de aar, maar of bij ons reeds het kruid aanwezig mag zijn.
En hoe we dat ware leven deelachtig worden? 't Land brengt uit zichzelven het nuttige koren niet voort, wèl het onkruid. Daarom moet het eerst omgeploegd worden, en in die omgeploegde aarde het goede zaad gezaaid. De bekende Philpot zegt zoo terecht: De schoone bloemen van onze eigene vermeende deugden moeten bedolven worden onder de zwarte aarde onzer verdorvenheden.
Inderdaad, wat we noodig hebben is de ploegschaar des Heiligen Geestes, opdat we een hart mogen bezitten, verbroken en verslagen door schuldbesef. Zulk een hart zal de Heere niet verachten. De Hooge en de Heilige wil juist wonen bij dien, die eens verbrijzelden en nederigen geestes is, opdat Hij dat verbrokene hart levend make. En waar dat door genade gevonden mag worden, daar wordt straks het kruid openbaar.
Ook de aar? En het volle koren in de aar? Bij alle Gods kinderen dit laatste zeker wel niet. Bij den een hunner is gewis meer geloofsleven dan bij den ander. De H. Schrift spreekt dan ook van groot en van klein geloof, van schapen en van lammeren, van vaders in Christus en van kinderen in de genade, van eikeboomen der gerechtigheid, maar ook van gekrookte rietjes.
En vader in Christus, en een eikeboom der gerechtigheid, dat gevoelt ge, wordt men niet op éénen enkelen dag; en velen van Gods kinderen worden het hier op aarde nooit.
In de natuurlijke wereld zijn meer kleine dieren dan groote, meer musschen dan adelaars; in de zee meer kleine vischjes dan walvisschen. In de geestelijke wereld is 't niet anders. Er zijn meer die een klein, dan die een groot geloof hebben. Er zijn meer gekrookte rietjes dan eikeboomen, en van die zijn er nog zelfs velen, die niet eens durven gelooven dat ze het zijn. Die zeggen: kon ik maar aannemen, dat ik een gekrookt rietje ben, maar, helaas! dat durf ik mij niet toeëigenen. En, welbezien, is hier op aarde alles maar stukwerk. „De allerheiligsten hebben altijd nog maar een klein beginsel van de gehoorzaamheid, die God van hen vordert". Zelfs Paulus moest nog klagen: Nu ken ik ten deele; het goede, dat ik wil, doe ik niet; maar het kwade, dat ik niet wil, doe ik. En Paulus zullen we zeker onder de kleinen niet rekenen.
De groote vraag is daarom maar, of „de wortel der zaak" in ons gevonden mag worden; of het kruid reeds in den akker onzes harten mag wezen. Indien dit wordt gemist, dan is het onkruid, en zijn de schoone bloemen onzer eigene deugden straks de prooi van het vuur, dat nooit wordt uitgebluscht; en de akker, waarop ze groeiden, er bij. Maar mag door genade dat kruid, die wortel der zaak bij ons worden gevonden, dan wacht ons straks de hemelsche schuur. Dan zal al wat ten deele is, teniet gedaan worden. Dan zullen we kennen, gelijk we zelf gekend zijn; dan zal God, de Drieëenige, eeuwig door ons worden gedankt en verheerlijkt, en in dat groot maken van Zijn Naam zal dan onze ziel eeuwig gelukkig zijn.
Kootw.br. Z.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's