De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE  OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

7 minuten leestijd

John Bunyan
Zijn leven en zijn geschriften. (10)
Bunyan's boek begint aldus:
„Op mijn reis door de woestijn van dit leven leidde mijn weg naar een spelonk, waar ik mij neerlegde om te slapen. En toen ik sliep, had ik een droom. Ik droomde, dat ik een man in vuile en armoedige kleederen zag staan. Zijn gezicht was afgewend van het huis waar hij woonde. Hij had een boek in zijn hand en ging gebogen onder een zwaren last, die op zijn schouders drukte. Toen ik hem aandachtig waarnam, zag ik, dat hij het boek opensloeg en las. Maar onder het lezen begon hij te weenen en te sidderen. Zijn droefheid werd zóó groot, dat hij niet meer zwijgen kon, maar klaaglijk uitriep: wat moet ik doen?"
Als een stille overpeinzing in het hol van zijn gevangenis, wordt 't ons dus geteekend, wat Bunyan hier geeft. Daar heeft hij zitten „droomen", al is 't niet letterlijk; en zijn gepeins heeft hij op schrift gesteld in breed verhaal. Wat ontzaglijk veel is er voor zijn geest voorbijgegaan ? Eerst stond daar één man voor hem — en 't was Bunyan zelf — als een verdoemelijk zondaar, die zich diep ongelukkig voelt in de stad des Verderfs. Aan zijn zonde ontdekt, stond zijn oordeel vast. En hij weent! Wat moet hij nu doen? Waar zal hij 't zoeken? Waarheen zal hij vluchten? Hij gaat haastiglijk uit de stad des Verderfs, omdat zijn ziel gansch benauwd is, te midden van allerlei zonde. Hij verlaat alles en holt voort op den weg, niet wetende waarheen hij zijn schreden zal richten en waar hij zal belanden!
Daar komt Evangelist hem tegemoet — in wien we ds. Gifford herkennen! — en gelukkig heeft de weenende zondaar en bedroefde pelgrim een bijbel in z'n bezit.  Evangelist vraagt hem: waarom weent gij zoo? En de pelgrim antwoordt: ik lees hier in dit boek, dat ik ter dood veroordeeld ben en dat ik daarna voor den Rechter zal moeten verschijnen. En nu is het vreeselijke dit, dat ik niet bereid ben om te sterven.  Evangelist zegt hem dan, dat hij dat boek, waarheen zijn harte trekt te midden van al z'n droefenis, lezen moet en goed bewaren; en dan moet het met den rug naar de stad des Verderfs en met het aangezicht naar het licht, dat voor hem is. ,,Houd dat licht goed in het oog! Ga er recht op af, dan zult gij de poort zien en wanneer gij aanklopt, zal u gezegd worden, wat gij doen moet."
Dan gaat de pelgrim, wiens ziele bitterlijk bedroefd is en die zich telkens in de ooren hoort weerklinken: „vlied den toekomenden toorn" met het Woord als een licht op z'n pad en een lamp voor z'n voet, op reis; „toen zag ik in mijn droom", getuigt Bunyan, „dat de man met alle kracht begon te loopen".
Maar nauwelijks gaat de man er van door of heel de stad komt in beroering; z'n vrouw en kinderen maken misbaar en ze vragen, of hij misschien krankzinnig is geworden; ze doen alle moeite die mogelijk is om hem van zijn plan terug te brengen en van zijn vertrek uit de stad af te houden. Doch het Woord is hem een gids en raadgever en met het zware pak van zijn zonden vlucht hij uit de stad des Verderfs in de richting van het licht, omdat daar van binnen bij hem gehoord wordt: de ziel die zondigt, zal sterven! De dood, de eeuwige dood zit hem op de hielen en vreezende te zullen wegzinken in het eeuwig oordeel van de hel, vlucht hij, alles achterlatende, waarbij hij de vingers in de ooren stopt, om maar niet te hooren de stem van zijn vrouw en van zijn kinderen en van zijn stadgenooten en vrienden, waarvan de één zegt, dat hij niet goed wijs is, en van wie de ander zegt dat hij wel spoedig terug zal komen.
De Pelgrim zet z'n reis moeizaam voort en het pak van zijn zonden drukt hem zwaar, maar juist om de wille van die zonden vindt hij geen vrijmoedigheid om te rusten, nog minder om op z'n weg terug te keeren. Voort moet het, omdat zijn harte iets voelt van den toekomenden toorn. De dood en het verderf kunnen hem elk oogenblik overkomen!
Dan voegt zich een persoon bij hem, dien wij leeren kennen als Meelooper of Plooibaar. Die voelt wel wat voor de ernstige redeneering van Christen, maar de zwaarte van den zondelast kent hij niet, zoodat hij ook vlugger kan loopen dan de vermoeide pelgrim.
Zooals we in Evangelist een teekening krijgen van ds. Gifford, die door Gods genade voor Bunyan tot zoo'n rijken zegen is geweest, omdat hij hem zoo heerlijk heeft kunnen helpen met z'n geestelijke raadgevingen, zoo herkennen we in Plooibaar de figuur van dien anderen dominé, met wien Bunyan in den tijd van zijn bekeering óók in aanraking kwam, maar die voor hem, helaas! niets kon zijn, omdat hij zelf niets had. 't Was de predikant van de Staatskerk, ds. Christopher Hall, die met alle menschen goede vrienden was, alleen kon hij het met het volk van God in de dagen van velerlei vervolging en benauwdheid niet zoo best vinden, omdat zij 't alles veel te ernstig namen. Hij zelf was een vriend van den koning, toen die op den troon zat; maar hij was ook weer een aanhanger en volgeling van Cromwell, toen die in eere was; en wanneer daarna Karel II, een verdrukker van het volk van God, op den troon komt, vindt hij 't óók goed ! Evenals de weerhaan op den toren kon hij nog al gemakkelijk draaien en zich schikken naar de omstandigheden; waarbij hij wel godsdienstig wilde zijn, maar 't moest hem geen moeite geven en geen schade berokkenen.
Fijn geteekend zien wij den waren Christen met zwaren stap moeitevol den weg bewandelen, maar Plooibaar of Meelooper huppelt gemakkelijk over den weg en kan het veel vlugger dan de pelgrim met dat zware pak op z'n schouders en een hart vol verdriet vanwege z'n zonden.
Maar als ze dan samen, al pratend, vallen in een poel Moedeloosheid, dan heeft Plooibaar, die als meelooper was meegewandeld, er genoeg van en kruipt behendig uit den poel uit, juist aan den kant, dat hij weer gemakkelijk naar zijn huis en zijn familie, naar zijn geld en goed en naar de wereld terug kan, zich niet bekommerend, dat hij zijn voeten weer gaat zetten in de stad des Verderfs. Hij heeft daar. wel eens wat vrees en angst gevoeld en door het vertrek van den pelgrim, die getuigde van zonde en oordeel, was z'n geest in z'n binnenste wel wat onrustig geworden, maar het was toch ook weer verre 't gemakkelijkst en 't aangenaamst om rustig met de wereld mee te leven.
Zoo ernstig Iaat Bunyan ons hier, bij 't begin van z'n verhaal, voelen, dat als ons Christendom niet ons eigendom is, maar geleend goed, er niets van ons terecht komt. En als ons gelooven en belijden niet geboren wordt uit eene ziele, die de zonde haat en God mint, is het alles uitwendig, waardeloos, verliesbaar, gelijk bij de dwaze maagden. Mondchristenen en meeloopers, die van de familie Plooibaar zijn, zullen het Koninkrijk Gods niet beërven; dat is weggelegd voor een arm en ellendig volk, dat op den Heere hoopt; voor een zondaar, die schreeuwt naar den levenden God, zooals het moegejaagde hert schreeuwt naar de waterstroomen; voor een doodschuldige, die vlucht naar de vrijstad, achtervolgd door den bloedwreker.
De Mondchristenen zullen afvallen en terugkeeren om de wereld te verkiezen boven den dienst des Heeren, maar die tot Christus gaan, onder de dreiging van de Wet, zullen ervaren dat Hij naar waarheid gezegd heeft: „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven." Doch de eigengerechtigen en die weigeren zondaar te worden voor God, zullen ervaren dit de Heere rijken ledig weg zendt. 
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE  OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's