De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Brief aan de Romeinen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Brief aan de Romeinen.

6 minuten leestijd

Eerstelijk dank ik mijnen God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de geheele wereld. Want God is mijn getuige, welken ik dien in mijnen geest, in het evangelie zijns Zoons, hoe ik zonder nalaten uwer gedenk. Allen tijd in mijne gebeden biddende of mogelijk mij nog te eeniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd, door den wil van God, om tot ulieden te komen. Want ik verlang om u te zien, opdat ik u eenige geestelijke gave mocht mededeelen, teneinde gij versterkt zoudt worden. Dat is, om mede vertroost te worden onder u, door het onderling geloof, zoo het uwe als het mijne. Doch ik wil niet, dat u onbekend zij, broeders, dat ik menigmaal voorgenomen heb tot u te komen, (en ben tot nog toe verhinderd geweest) opdat ik ook, onder u eenige vrucht zou hebben, gelijk als ook onder de andere heidenen. Beiden Grieken en Barbaren, beiden wijzen en onwijzen, ben ik een schuldenaar. Alzoo hetgeen in mij is, dat is volvaardig, om u ook, die te Rome zijt, het evangelie te verkondigen.  Rom. 1 vers 8—15. 

De apostel Paulus stond tegenover de gemeente te Rome als een onbekende. Gelijk we vroeger reeds mededeelden, kende hij er slechts weinigen. Geen wonder, dat de apostel begint met hen op zulk een wijze toe te spreken dat hij daardoor hunne harten moest winnen. Hij schrijft hun, dat aller oog zich op Rome begint te richten. In de groote Zendingswereld van Paulus' dagen hoorde men met belangstelling van den zegeloop des Evangelies in die groote wereldstad. 
Men zegt wel eens, dat in de groote steden eigenlijk de pols van het wereldleven klopt. En dat is ook wel zoo, Amsterdam met zevenhonderd duizend zielen legt meer gewicht in de schaal dan eenige honderden dorpen op het platteland.
Wat is het heerlijk, als in de groote centra van het wereldleven Gods Kerk mag bloeien. Helaas, we kunnen in onzen tijd niet zeggen, dat de dorpen met blijde belangstelling den groei van het Godsrijk in de groote steden gadeslaan. Veeleer het tegendeel. Met weemoed moet worden geconstateerd, dat juist nergens meer dan in de groote steden, de Kerk aan het afbrokkelen is. Zal de tijd nog ooit komen, dat men zich in de centra van ons cultuurleven zal scharen rondom de banier van het Kruis?
En zeg nu niet: Schrijver, weet gij dan niet, dat in het oude Rome Gods Kerk ook maar een kleine kudde was; als schapen te midden van de wolven? Ik weet 't ook wel. Maar dit zult ge me toegeven, dat Gods Kerk in Rome zou gaan groeien en bloeien, gelijk de historie bewezen heeft, terwijl we in de centra van ons cultuurleven telken jare maar grootere afbrokkeling moeten constateeren.
Paulus verblijdt zich in de mate van hun geloof en hunne standvastigheid. Zijn hart wordt vervuld met innigen dank aan den Heere. Den Heere toch alleen de eere voor dat groote wonder, in Rome geschied, dat er zoo velen waren getrokken uit de duisternis tot het wonderbaar licht des Evangelies, door de kracht van Christus' genade.
Zou de groote Zendingsapostel daarvoor den Heere niet dankend grootmaken? Hoe de werken des Geestes, te Rome geschied, den apostel met heilige belangstelling vervullen, blijkt wel hieruit, dat hij hen draagt in den gebede voor den troon van God.
Hij roept den Heere aan als getuige, dat hij de christenen te Rome gedurig in den gebede gedenkt. Zou Gods kind niet blijde wezen, als hij het hoort, dat ook anderen in Sion worden geboren? Leerde niet de Heiland bidden: Uw Koninkrijk kome? O, welk een vreugde, als de palen van het Koninkrijk Gods steeds wijder mogen worden uitgezet. En zou dan ook de bede niet oprijzen: Heere, laat niet varen de werken Uwer handen. Versterk hetgeen Uwe hand begonnen is.
Voorts wil Paulus zijn lezers er van verzekeren, dat hij maar niet buiten zijn hart om dien God dient, dien hij als zijn getuige aanroept. Neen, het is veel meer een dienen in zijnen geest, in het Evangelie van den Zoon Gods. Hoe zou hij ook anders zulk een heilige liefde hebben kunnen koesteren jegens de gemeente te Rome?
Het is de onsterfelijke Kainsgeest, die altijd weer maar getuigt: „Ben ik mijns broeders hoeder?" Maar waar door genade weer de liefde Gods in het verdorven hart wordt uitgestort, daar openbaart zich ook weer de liefde tot God en den naaste als vrucht van het nieuwe levensbeginsel.
Geen wonder, dat Paulus verlangt om naar Rome te reizen.
Men heeft wel eens gespot met de woorden van den ouden Groenewegen, als hij dichtte van de zoete banden, die hem bonden aan des Heeren lieve volk. Neen, lezers, acht het geen vroom gekwezel, maar bedenkt, dat een van de geloofsartikelen de belijdenis van de gemeenschap der heiligen inhoudt. En al komen ze dan uit verre landen, de harten smelten inéén van allen, die den Heere Jezus in onverderfelijkheid leerden liefhebben.
Vandaar dat ook Paulus begeert, dat 't tusschen hem en de gemeente van Rome moge komen tot uitwisseling van geestelijke goederen. Hij wil ook de christenen deelgenoot maken van de gaven, hem door God geschonken. Anderen tot nut en zegen te zijn voor de eeuwigheid, is zijn hoogste verlangen. Wisten we niets meer van Paulus, men zou hem hebben kunnen houden voor een, die altijd maar wil optreden als leermeester van anderen, zelf geen leering van noode hebbend,
Maar neen, hij spreekt het uit, dat hij ook evenzeer van hen begeert te ontvangen. Ook hij wil gaarne luisteren en leeren als anderen zingen:
Komt, luistert toe, gij Godgezinden,
Gij, die den Heer' van harte vreest;
Hoort, wat mij God deed ondervinden.
Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.
Menigmaal heeft de apostel zich reeds voorgenomen om naar Rome te gaan, maar tot nog toe was hij verhinderd. De weg was hem door den Heere nog niet gebaand geworden, Paulus gaat maar niet zijnen eigenen weg, maar hij gelooft, dat op Gods tijd ook voor hem de weg naar Rome zal geopend worden.
Gelukkig de mensch, die in zulk een diepe afhankelijkheid van den Heere zijn weg vervolgt en waarlijk uit des harten diepsten grond leert zingen:
Heer, ai maak mij Uwe wegen.
Door Uw Woord en Geest bekend.
Leer mij, hoe die zijn gelegen
En waarheen g' Uw treden wendt.
Paulus heeft het gevoel, dat hij een taak heeft te vervullen onder alle de heidenen. Onder de Grieken zoowel als onder de Barbaren. De Grieken, prat op hunne beschaving, noemden in die dagen allen, die geen deel hadden aan die Grieksche beschaving, Barbaren. Welnu, hij weet, dat hij een eereschuld heeft af te doen onder Grieken zoowel als onder Barbaren. Hij heeft het gewaagd om te Athene onder de wijzen en de machtigen der aarde 't Evangelie te brengen, op gevaar af, dat men met hem spotten zou. Neen, het is geen ijdele vrees, die hem tot hiertoe heeft terug gehouden om het ook te Rome te doen. Neen, hij gevoelt in het diepst van zijn hart, dat hij het ook Rome niet onthouden mag. Daarom durft hij vervolgen:
Want ik schaam mij des Evangelies van Christat niet, want het is een kracht God tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood en ook den Griek.
Men heeft deze woorden en de woorden, die volgen in het 17e vers, wel eens genoemd het cardinale punt van den brief van den apostel Paulus aan de Romeinen. Ge verwondert u daarom wel niet, als we deze verzen een volgende maal apart hopen te behandelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Brief aan de Romeinen.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's