Gereformeerde Geloofsleer.
HOOFDSTUK 1
De leer van de Godsopenbaring
of
Hoe wij God kunnen leeren kennen.
1. Vraag: Waar moet het in de geloofsleer om gaan?
Antwoord: Het opschrift van onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis zegt, dat het ons moet te doen zijn om de leer van God en de zaligheid des menschen. [Ware christelijke belijdenis, inhoudende de hoofdsom der leer van God en van de eeuwige zaligheid der zielen].
Art. 1 van de Ned. Gel. bel. komt dan ook met het credo der christenheid: „Wij gelooven allen met het hart en belijden met den mond, dat er is een eenig en eenvoudig geestelijk Wezen, hetwelk wij God noemen".
2. Vraag: Hoe zet Calvijn ons dadelijk voor het centrale punt van onze geloofsleer?
Antwoord: Calvijn geeft in den Catechismus van Genève als eerste vraag: „wat is het voornaamste doel van het menschelijk leven?" en antwoordt dan: „God te kennen, door Wien wij geschapen zijn."
Onze Geref. Geloofsleer is sterk theocentrisch. 't Gaat alles om de eere Gods: „Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid". Rom. 11 vers 36. Ook voor de zaligheid des menschen ligt alles in God: „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt". Joh. 17 vers 3. „Wien heb ik nevens U in den hemel? nevens U lust mij ook niets op aarde. Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid". Het eerste artikel van de Apostolische Geloofsbelijdenis is óók: „Ik geloof in God enz." God is voor alles het centrale punt.
3. Vraag: Welke uitspraak van Augustinus is ons bekend, waarin uitkomt, dat voor den mensch God het centrale punt is?
Antwoord: Augustinus heeft gezegd: „Wijl Gij, o God, ons geschapen hebt tot U, is ons hart onrustig in ons, totdat het ruste vindt in U." [Tu fecisti nos ad te, et inquiétum est cor nostrum, donee requiescat in te.] Ds. J.J.L. Ten Kate heeft hetzelfde op de volgende wijze uitgedrukt:
'k Voel een heimwee in de borst,
Dat niet sluimren wil noch slapen.
De Eeuwige Zelf heeft ons den dorst
Naar het eeuwige ingeschapen.
De aard' met alles wat zij biedt,
Stilt dat zielsverlangen niet.
4. Vraag: Is God voor ons te kennen?
Antwoord: De kenbaarheid Gods wordt door velen geloochend (agnosticisme). De Koningsberger wijsgeer Immanuël Kant (gest. 1804), een ernstige rationalist, veroordeelt het platte rationalisme, dat beweende alles te kunnen bewijzen en alles te weten met 't verstand. De rede (ratio) kan alles — zoo zeide men — verklaren, kan alles tot het laatste opnemen „zooals een jongen een koek tot de laatste kruimpjes opeet." Hier tegen kwam Kant op, en leerde, dat de bovenzinnelijke waarheden voor de theoretische rede onbewijsbaar zijn („Kritik der reinen Vernunft" 1781. „Kritik der practischen Vernunft"). Hij gaat in tegen hetgeen het Rationalisme leerde en bestreed de Aufklarungs beginselen. Kant, die zich óók stelde tegenover de Kerkleer, maakte scherp onderscheid tusschen gelooven en weten. Voor hem moet het niet de theoretische rede doen, — daarvoor zijn de bovenzinnelijke waarheden „onkenbaar" — maar voor hem moet de practische rede of het zedelijk bewustzijn het doen. De practische rede of het zedelijk bewustzijn speelt voor hem de voornaamste rol. (De categorische imperatief: Du solist"). Door Kant's filosofie is tegenover het rationalisme de onkenbaarheid Gods gesteld en dat heeft groote en schadelijke verandering gebracht in de oude belijdenis, dat God groot en onbegrijpelijk is. Daarvan heeft men op verstandelijke gronden gemaakt, dat wij van het bovenzinnelijke totaal onkundig zijn en dus van God niets weten. Voor de eerbiedige belijdenis van ouds: „dat God groot is en ons verstand verre te boven gaat", kwam het nuchter agnosticisme. De Zelfopenbaring Gods aan den naar Zijn beeld geschapen mensch in natuur en schriftuur werd geloochend. Het subjectieve kwam in de plaats van het objectieve.
5. Vraag: Is het waar, dat God voor den mensch de Groote Onbekende is?
Antwoord: De H. Schrift leert ons overal, dat God zóó groot is, dat wij menschen, met ons menschelijk verstand Hem niet binnen de grenzen van ons begrijpen kunnen omvatten (tegen het rationalisme); maar dat wil volstrekt niet zeggen, dat wij niets weten en niets kunnen weten van God (agnosticisme). De H. Schrift leert ons, dat de Heere, Die Zichzelf volmaakt kent, Zichzelf aan den mensch, naar Zijn beeld geschapen, wil openbaren voor zooveel noodig is tot Zijn eer en des menschen zaligheid. Hier past gelooven met het hart en belijden met den mond; waarbij de H. Geest wil leiden in alle waarheid.
6. Vraag: Welk karakter draagt de openbaring Gods?
Antw.: Het Geref. Protestantisme belijdt de Zelfopenbaring Gods en gaat daarvan uit. De oorsprong van alle Godsopenbaring ligt in God Zelf, Die zelfhandelend optreedt naar Zijn souverein welbehagen. Dat Hij Zich openbaart, is nergens aan te danken dan aan God Zelf. De inhoud van de openbaring is óók God Zelf; het is niet alleen een werk Gods, maar het is Zelfopenbaring, om Zich Zelf aan ons bekend te maken. En het doel van alle Godsopenbaring is, dat Hij zal worden gekend, gediend en gevreesd. Ook hierin werkt de Heere tot Zijns Zelfs heerlijkheid. We kunnen zeggen, dat zoowel de oorsprong als de inhoud en het doel der Godsopenbaring God Zelf is. Rom. 11:36: „Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen". Spr. 16: 4 : „De HEERE heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil". Jes. 43: 10 : „opdat gij 't weet en Mij gelooft, en verstaat dat Ik het ben, dat vóór Mij geen God geformeerd is en na Mij geen zijn zal" (43: 12).
7. Vraag: Hoe kunnen wij de Zelfopenbaring Gods onderscheiden?
Antw.: De Zelfopenbaring Gods is tweeërlei, n.l. eene algemeene en een bizondere. De algemeene komt tot ons in de natuur, in de geschiedenis en in het geweten; die is overal. De bizondere is daar waar de Heere tot ons komt in Zijn Woord, waarvan de inhoud is Jezus Christus, in Wien het welbehagen Gods in menschen is en in Wien de Heere vrede op aarde wil, geven in den weg des geloofs. De algemeene Zelfopenbaring Gods is overal; de bizondere is ddar waar het Woord, waar het Evangelie gepredikt wordt. De toekomst van de bizondere Godsopenbaring is dat zij algemeen wordt, waarom het bevel van Jezus Christus aan Zijn Kerk is: „predikt het Evangelie allen creaturen" — „gaat heen en onderwijst alle volkeren".
8. Vraag: Hoe omschrijft de Ned. Gel. belijdenis die tweeërlei openbaring Gods?
Antw.: Nadat in Art. 1 van de Ned. Gel. bel. dadelijk als centrale zaak gezegd is, dat het credo der Christenheid is: „Wij gelooven allen met het hart en belijden met den mond, dat daar is een eenig en eenvoudig geestelijk Wezen, hetwelk wij God noemen", wordt dan in Art. 2 gezegd: „Wij kennen God door twee middelen. Ten eerste door de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld, overmits deze voor onze oogen is als een schoon boek, in 't welk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods, n.l. Zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid, te aanschouwen geven. Rom. 1: 20. Ten tweede geeft Hij Zichzelf nog klaarder en volkomener aan ons te kennen door Zijn heilig en Goddelijk Woord, te weten zooveel als ons van noode is in dit leven tot Zijne eer en de zaligheid der Zijnen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's