De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

10 minuten leestijd

Onlangs — 't is al enkele maanden geleden — heb ik 't eens gehad over „bloeiende gemeenten" en heb toen zoo terloops, gevraagd aan mijn geachten collega — zoo mag ik hem toch nog wel noemen, al werd hij Tweede Kamerlid — Dominee Lingbeek, of naar zijn oordeel een z.g.n. „Bondsgemeente" ook nog „bloeiend" kon zijn.
Voor enkele weken heen hij nu getracht in „de Vragenbus'' van „de Gereformeerde Kerk" die vraag te beantwoorden. Ik zeg: hij heeft dat getracht, want werkelijk beantwoord, laat staan goed beantwoord. heeft hij haar niet. De gulden, dien ik hem in dat geval beloofd had, zend ik dus nog niet weg. Immers wat had ik gevraag? Ik nad eenvoudig gevraagd: meent ds. L. dat een „Bondsgemeente", waar een predikant, die lid van den Geretormeerden Bond is, in de bediening des Woords en den sacramenten arbeidt, nog kan bloeien, of meent hij dat dit beslist onmogelijk is? Dat was heel duidelijk de bedoeling van mijn vraag. Maar wat heeft mijn brave collega nu gedaan? Hij heeft net gedaan alsof ik gevraagd had: Wat verstaat u, collega, onder een bloeiende gemeente? En dan gaat hij over enkele dingen praten die ik op zich zelf roerend met hem eens ben. Hij zegt b.v. — ik zal het nu maar met m'n eigen woorden zeggen — kenmerk van een bloeiende gemeente is voor mij niet dat er veel volk in de kerk komt. Neen, dat ben ik volkomen met hem eens, net zoo goed als hij het met mij eens is als ik zeg: maar ook niet dat er weinig of heelemaal geen volk in de kerk komt. Zoo zegt hij ook: kenmerk van een bloeiende gemeente is voor mij niet dat zij een dominé hebben die van 's Maandagsmorgens tot 's Zaterdagsavonds het vuur uit zijn sloffen loopt voor allerlei vereenigingen en vergaderingen. Neen, dat ben ik weer volkomen met hem eens, net zoo goed als hij het weer met mij eens zal zijn als ik zeg: maar ook niet als zij een dominé hebben die 's zomers van 's morgens tot 's avonds in zijn tuin werkt en 's winters van 's morgens tot 's avonds met de kachel tusschen zijn beenen zit. En zoo had hij nog wel enkele dingetjes kunnen noemen. Hij had b.v. ook nog kunnen zeggen: kenmerk van een bloeiende gemeente is voor mij niet dat zij groote collecten stuurt. Dan zou ik dat natuurlijk ook weer volkomen met hem eens geweest zijn, net zoo goed als hij het dan weer met mij eens geweest zou zijn, als ik gezegd had: maar ook niet als zij geen cent voor de dingen van Gods Koninkrijk over hebben.
Gij merkt dus wel, dat wij het over de vraag wat géén kenmerken zijn van een bloeiende gemeente, volmaakt met elkaar eens zijn. Dat hadt ge misschien niet gedacht, dat een H.G.S.-er en een Anti-man nog zoo op één aanbeeld zouden slaan. Maar er blijkt tusschen ons nog veel meer overeenstemming te zijn. Immers nadat ds. L. eerst gezegd heeft wat voor hem geen kenmerken zijn van een bloeiende gemeente, gaat hij vertellen wat voor hem wèl het kenmerk is. Hij zegt — 'k zal het maar weer met m'n eigen woorden zeggen — kenmerk van een bloeiende gemeente is voor mij, dat het in zoo'n gemeente alles om Christus gaat en dat het net is als bij Johannes den Dooper: „Hij moet wassen, maar ik minder worden". En ziet, ook in dat opzicht ben ik het met mijn besten collega weer volkomen eens. Dat onderschrijf ik geheel, net zoo goed als hij het natuurlijk weer volkomen met mij eens is als ik zeg dat dat bekende woord van den Doo­per dan ook maar niet alleen beleden, maar ook beleefd wordt.
Nu, wat zegt ge er van? Neen, dat hadt ge niet gedacht, dat we samen zoo in één schuitje zaten.
Maar nu komt de eigenlijke vraag, die ik gesteld had. Immers gij gevoelt wel, al die dingen waarin we het met elkaar eens zijn, zijn nu wel heel mooi, maar gelooft ds. L. nu dat er ook onder de „Bondsdominé's" zijn die dat belijden en beleven, dat het alles om Christus gaat; gelooft hij nu dat er ook „Bondsgemeenten" zijn voor wie Christus alléén de Weg, de Waarheid en het Leven is. Of is dat nu alléén maar mogelijk onder de „Vereenigingsdominé's" en in de „Vereenigingsgemeenten", of misschien alléén maar bij die Vereenigingsdominé's en in die Vereenigingsgemeenten, die in politicis aangesloten zijn bij de H.G.S.?
Ziet, dat zou ik nu wel eens graag van ds. L. willen weten. En neen, nu moet hij daar eens niet omheen draaien. Nu moet hij eens niet weer gaan praten dat er toch maar geen partijen mogen zijn en dat het allemaal één moet wezen. Dat liedje kennen we nu wel. En dat ds. Lingbeek geen enkel partijhaar op zijn hoofd heeft, dat gelooft natuurlijk ieder. Alle andere partijen zijn partijdig, maar de H.G.S. is het meest onpartijdige wezen dat er op den aardbodem Is. Ja, dat weten we nu wel en daar zijn we 't allemaal nu ook wel van harte mee eens. Daarover behoeft dus geen woord meer verspild te worden. Laat hij nu alléén maar eens zeggen of een Bondsgemeente in dien zin waarin wij het samen bedoelen, bloeiend kan zijn.
En neen, nu moet hij zijn vraag ook niet met een wedervraag gaan beantwoorden ten opzichte van de „Vereenigingsgemeenten", want dan wil ik hem wel vóór zijn. En dan wil ik al aanstonds zeggen dat ik overtuigd ben dat een gemeente, waar een predikant, die lid is van de Confessioneele Vereeniging, in den dienst des Woords en der Sacramenten arbeidt, heel goed een gemeente kan zijn die belijdt en beleeft dat Christus moet wassen en dat zij zelve minder moet worden. Ik beweer daarmee natuurlijk niet, dat alle Confessioneele gemeenten bloeiende gemeenten zijn, net zoo min als ik aan ds. L. vraag of hij dat van alle Bondsgemeenten gelooft. Het gaat hier niet over de werkelijkheid, maar alléén over de mogelijkheid. En dan herhaal ik, dat ik met heel mijn hart geloof dat een gemeente onder een Confessioneelen Vereenigingsman bloeien kan. Gelooft gij, waarde broeder, dat nu ook van een gemeente die bearbeid wordt door een Gereformeerden Bondsman? Of moet zoo'n Bondsman eerst verklaren dat hij het eens is met Assen, o neen, pardon, met de verklaring van Artikel 36 door de politieke Synode van de H.G.S.? Kom, beste collega, zeg nu eens, zonder er om heen te praten, hoe ge hierover denkt. Houd nu maar geen ellenlange betoogen over de „narigheden", waarvan ge wel eens gehoord hebt dat ze in sommige Bondsgemeenten bestaan. In de Vereenigingsgemeenten is 't och zeker ook niet alles goud wat er blinkt. Laten we dus te dien opzichte een ieder maar in onzen eigen tuin wieden. Maar wil nu maar eens onomwonden zeggen hoe gij over ons denkt. Moeten wij, om verkondigers van „Jezus Christus en dien gekruisigd" te zijn, 't eens wezen met uw verklaring van Artikel 36 onzer Ned. Geloofsbelijdenis — aangenomen zelfs dat dat de, dat dat je verklaring is — of kunnen we dat ook als we 't wagen in deze dingen van u in meening te verschillen? Met een korte maar duidelijke beantwoording van deze vraag zult ge niet alleen mij, maar meerderen een genoegen doen. 
Maar kom, laat ik nu eens gaan denken dat ik bezig ben de rubriek „Financiën" te vullen. Als je zoo'n appeltje met een van je collega's te schillen hebt, zou je haast gaan vergeten om te kijken of er nog appeltjes voor den dorst in 't laadje zijn gekomen. Nu, dat valt ook nog weer niet heelemaal tegen van de week. Het mag dan op zichzelf geen kenmerk van bloei zijn dat onze gemeenten de hand niet op den zak houden, maar ik heb toch maar liever — hoe een ander hierover denkt, weet ik niet, ik spreek alleen voor mezelf — dat je zoo gemiddeld iedere week met 'n paar honderd gulden voor den dag kunt komen, dan dat je zoo gemiddeld wekelijks met een paar rijksdaalders voor het voetlicht treedt.
Welnu, ook deze week geef ik mijn appeltjes alweer voor geen ƒ 200.—. Laten we maar eens zien wat er is.
O u d e w a t e r, van den heer H. Schinkel de collecte gehouden bij een spreekbeurt van ds. Dekking van Bergambacht, ƒ 33.68.
G o u d r i a a n, van den heer E. de Graaff de collecte gehouden bij een spreekbeurt van ds. Schimmel van Ameide, ƒ 26.59.
L e i d e n, van den heer J. Serdijn, Penningmeester der afdeeling, de collecte gehouden bij een spreekbeurt van ds. Pott van Bodegraven, ƒ 31.19 en nog ƒ 2.50 van den heer H., samen ƒ 33.69. Bovendien van den heer C. v. 't Riet namens de Chr. Jeugd Vereeniging van wijlen ds. Beekenkamp
ƒ 7.—.
B l e i s w ij k, van ds. Dekker de collecte gehouden bij een spreekbeurt van ds. Keek van Heteren,
ƒ 35.30.
D i r k s l a n d, van ds. Van der Wal, deel eener extra gift in de collecte gevonden voor het Studiefonds,
ƒ 25.—, nog in de collecte gevonden ƒ 2.50 en uit de catechisatiebus ƒ 20.—; samen een bedrag van ƒ 47.50.
P u t t e n, van ds. Bouthoorn ƒ 5.— voor de Bondskas.
O u d  B e ij e r l a n d, van ds. Van Hof twee nagiften van ƒ 1.— op de onlangs aldaar gehouden collecte,
ƒ 2.—.
M a a s s l u i s, van den heer A. T. Langeveld, Penningmeester der afdeeling, contributies over 1928, een bedrag van ƒ 11.—, en een boete, die deze Penningmeester zich zelf had opgelegd, omdat hij niet tijdig aan zijn verplichtingen jegens den Bond had voldaan van ƒ 5.—. Samen dus ƒ 16.—. Zacheüs gaf wat hij met bedrog ontvreemd had vierdubbel weder. Maar hier hebben we een Zacheüs die datgene wat hij niet ontvreemd en heelemaal niet met bedrog ontvreemd heeft, toch met bijna 50% wedergeeft. Als er onder de Penningmeesters onzer afdeelingen meerdere zulke Zacheüssen zijn, dan vind ik het heelemaal niet erg hoor, dat ze wat laat komen.
V l a a r d i n g e n, van ds. A. Luteijn van een beweldadigd echtpaar voor het Studiefonds ƒ 2.50.
M o o k h o e k, van den heer D. Verbaan de volgende giften: van ds. Crousaz te Strijen ƒ 3.50; van H. Br., B. G. R., L. R. en P. C, allen te Strijen, resp. ƒ 2.50, ƒ 2.—, ƒ 1.— en ƒ 2.—. Van H. v. S. te Mookhoek ƒ 2.50 en van D. Verbaan ƒ 6.50 (met inbegrip van contributies), tezamen een bedrag van ƒ 20, —.
Nu, had ik geen gelijk, toen ik mijn „appeltjes" voor geen ƒ 200.— geven wilde? Tel maar eens op. Dan komen we weer aan
f 229.26,
een bedrag, voor menigeen om van te watertanden en waarvoor ik dan ook weer mijn zeer hartelijken dank betuig.
De Penningmeester, Ds. M. JONGEBREUR.
Veenendaal.

Nieuwe abonné's tot 12 Februari: Hoogeveen 2, Rotterdam 5, Noorden 2, Den Ham 2, Benschop 1, Oud Beijerland 1, Maarssen 1, Puttershoek 4, Maasland 1, Genemuiden 1, Tienhoven 1, Veenendaal 4, Nieuw-Leusen I, Oud-Leusen 1, Onstwedde 1, Stellendam 1, Hazerswoude 1, Vlaardingen 1, Rijssen 1, Melissant 1, Mastenbroek 1, Hilversum 7, Suawoude 1, Ambt-Hardenberg 5, Utrecht 1, Ouderkerk a.d. IJssel 2, Groningen 1, Middelburg 1, Doorn 1, Driebergen 1, Ridderkerk 1, Hillegersberg 1, Nieuwveen 1, Noordeloos 1, Delft 1. Totaal 59.

POSTZEGELS, CAPS. EN ZILVERPAPIER
Ontvangen van:
1e. J. van Vierzen, Vlaardingen, een doos postzegels;
2e. Mevr. van Slijpe, Goudriaan, een doos zilverpapier;
3e. Mej. M. Reitsma, Exmorra, postzegels, capsules en zilverpapier;
4e. Mej. T. Streefkerk, Den Haag, postzegels, capsules en zilverpapier;
5e. Everdienus de Vaal, Beesd, capsules en postzegels;
6e. Th. van der Pligt, Oud Beijerland, een doos zilverpapier;
7e. L. Sluker, Rotterdam, een zak zilverpapier, verzameld door de kinderen van de Zondagsschool, Toepad;
8e. A.P. Ment, Rotterdam, een partijtje postzegels, verzameld door „eenige verzamelaars".
Met hartelijken dank en aanbeveling.
Mejuffr. J. DEN HARTOG.
Krommedijk 60, Dordrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's