STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Ds. Lingbeek's beroep op Calvijn.
Zooals wij de vorige week schreven, stemden de Christelijk Historischen zoowel als de Hervormd (Gereformeerde) Staatspartijers in den Haagschen Gemeenteraad vóór de subsidie van ƒ 110.000.— aan het Residentieorkest. Ds. Lingbeek vond er zelfs niets verkeerds in om 's Zondags een stukje muziek te gaan hooren. Er zijn zondiger vermaken — aldus deze rechtzinnige predikant — dan zoo iets te doen.
Een zelfde standpunt als ten aanzien van het Residentieorkest, namen de beide Protestantsch Christelijke groepen in ten opzichte van den schouwburg, voor welks verbouwing een tweede bedrag, thans van ƒ 373.000.—, werd noodig geacht.
De opmerking, van Antirevolutionaire zijde gemaakt, dat de exploitatie van een schouwburg niet tot de taak van de Overheid behoort en dat het veel beter zou zijn, zoo maar tot verkoop van de gebouwen wordt overgegaan .......... deze politieke fracties worden onderschreven, maar er behoorde toch naar hunne meening, met de historie te worden gerekend. De schouwburg was er eenmaal, en daarom bestond voor de gemeente de verplichting hem te onderhouden. Dies stemden èn de Christelijk Historischen èn de Hervormd (Gereformeerde) Staatspartijers vóór het voorstel om tot restauratie van den schouwburg over te gaan.
Een merkwaardig oogenblik in het debat was het moment, toen ds. Lingbeek ter verdediging van zijn houding inzake het schouwburg-vraagstuk zich beriep op den grooten Hervormer Calvijn, en daarbij tegelijkertijd het raadslid den heer Duymaer van Twist, die hem had bestreden, toevoegde, dat hij het jammer vond, dat deze, die zooveel bezwaren maakte tegen het schouwburg-bezoek als tegen de gemeentelijke exploitatie, niet Calvinistisch dacht.
Natuurlijk hadden de woorden van ds. Lingbeek de volle instemming van alle voorstanders van het tooneel in den Raad. De voorzitter van de Hervormd (Gereformeerde) raadsfractie zeide er van:
Toen indertijd aan Calvijn gevraagd werd of hij een schouwburg wilde toelaten in Geneve, heeft Calvijn geantwoord: Ja, zeker, een schouwburg; maar dan onder toezicht van de gemeentelijke Overheid. Zij wake dan, dat niet tegen de eerbaarheid daar worde gezondigd. Men moet dus, als echt Calvinist, niet alles verbieden, maar wel trachten de zaken in de rechte baan te houden. Tot zoover de redeneering van het echt Calvinistische raadslid ds. Lingbeek, die een ruim standpunt weet in te nemen en best de zon in het water kan zien schijnen.
Wat is er nu van het historische feit, dat ds. Lingbeek gaf en waarover de Gemeenteraad zich, blijkens de verslagen, niet weinig vermaakte, waar? De ,,Nieuwe Haagsche Courant", die naar aanleiding van de bewering van ds. Lingbeek de geschiedboeken nog eens nasloeg, voor wat betreft Calvijn's houding ten opzichte van het tooneel, spreekt van twee perioden in het leven van den Hervormer, waarin een tegenovergesteld gevoelen met betrekking tot de comedie valt waar te nemen.
In de eerste periode van Calvijn's verblijf in Geneve was deze geen tegenstander van het opvoeren van een comediestuk. Daarbij valt echter in aanmerking te nemen:
1°. dat toentertijd de vaste of reizende tooneelgezelschappen uitzondering waren en de burgerij of de gymnasiasten zelf speelden, dikmaals gratis in het openbaar, meest op een marktplein;
2°. de stukken, welke opgevoerd werden, door Calvijn moesten worden nagezien en goedgekeurd.
Voegt men daar nu nog bij, dat de Hervormer bij een van zijne beoordeelingen over een tooneelstuk deze opmerking maakte: „Men zou toch beter doen met zijn geld voor liefdewerken, dan voor zoo ijdele dingen te besteden. Er was wel niets slechts in, maar ons geld en goed was ons toch gegeven om het voor ons naasten bestwil te besteden".
Dan kan men toch moeilijk ds. Lingbeek nazeggen, dat toen Calvijn gevraagd werd of hij een schouwburg wilde toelaten in Geneve, Calvijn heeft geantwoord: Ja, zeker! Doch zoo gewis was de houding van den Hervormer omtrent het tooneel niet. En zeker zou hij de vraag beslist ontkennend hebben beantwoord, wanneer de comedievoorstelling in die dagen in een vorm ware opgevoerd als tegenwoordig, met de schrikkelijke uitwassen, welke het tooneel aankleven, en daarmede de Dag des Heeren zou zijn gemoeid geweest.
Intusschen is het afwijzende standpunt van Calvijn jegens het tooneel later wel duidelijk gebleken.
Had Calvijn toestemming gegeven tot de uitvoering van het tooneelstuk: „de handelingen der Apostelen", zijn ambtgenoot Cop, in Geneve, dacht daar anders over. Op den eerstvolgenden Zondag na de opvoering van het stuk trok die prediker in de godsdienstoefening op geduchte wijze openlijk tegen den wereldzin van de spelende heeren en dames te velde. De „Nieuwe Haagsche Courant" zegt daarvan:
Dat gaf een geduchte opschudding in Geneve's kerk. Het was of een lont in een kruitvat was geworpen. De ergernis keerde zich tegen Calvijn en heeft den dienstdoenden ouderlingen heel wat moeite gekost om te voorkomen dat Calvijn door de vertoornde menigte uit de domineesbank werd gesleurd. Eerst toen Cop van den kansel was gekomen en Calvijn zelf een kalmeerend woord had gesproken, eindigde het tumult. Calvijn, die aanvankelijk Cop's optreden niet kon goedkeurern, kwam weldra tot ander inzicht en verklaarde zich geheel aan zijn zijde te stellen. Hij moest erkennen te veel te hebben toegegeven. En tenslotte aanvaardde ook de Senaat de door Cop en Calvijn samen verdedigde strenge opvatting. Aan Farel schreef Calvijn: Ik heb duidelijk verklaard, dat ik tegen de gansche zaak was en tegen mijn zin de oppositie opgaf, om het onschadelijk karakter van het stuk".
De stadsregeering nam afdoende maatregelen door binnen korten tijd op voorstel van Calvijn een besluit te nemen, dat voortaan soortgelijke voorstellingen op het gebied van Geneve niet zouden worden gedoogd.
Hieruit blijkt dus, dat het tooneel door Calvijn niet werd verdedigd, maar integendeel, dat hij het afkeurde. En eveneens blijkt uit de feiten, dat het beroep van ds. Lingbeek op den Hervormer Calvijn hier van nul en geener waarde was. Diens bewering was, naar het Antirevolutionaire blad opmerkte, een soort ,,consciëntiestopper" om tot de conclusie te kunnen komen: nu mogen we de tonnen gouds wel toestaan voor het gemeentelijk schouwburggebouw.
De houding van ds. Lingbeek was in deze raadszitting inderdaad treurig. Vooral betrof dit zijn negeeren van het feit van de ontheiliging van den Dag des Heeren. Het werd door hem bij deze gelegenheid openlijk uitgesproken, dat hij zich daarover niet bekommerde. Een uitspraak van Calvijn had voor hem meer beteekenis dan Gods Woord. Terecht werd dan ook tegen hem in den Gemeenteraad aangevoerd, dat het zijn zaak is of hij aan Calvijn's optreden hooger waarde hecht dan aan wat de Schrift duidelijk leert. Voor ons — zoo zeide de Antirevolutionair — staat Gods gebod om den Sabbath te heiligen, hooger in aanzien dan welke uitspraak van de Gereformeerde Vaderen ook!
Wat wij tegen het optreden van ds. Lingeek hier hebben, is, dat hij niet alléén Calvijn groot onrecht aandeed, maar bovenal dat hij door zijn houding in den Raad openijk aanleiding gaf dat met Gods Woord en met Zijne heilige ordinantiën door Vrijzinigen en Sociaal Democraten werd gespot. Dit moest ds. Lingbeek niet doen. Hij, die als rechtzinnig predikant zoo nu en dan in de Haagsche gemeente en misschien ook in andere gemeenten voorgaat, moest zich van een dergelijk optreden onthouden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's