Brief aan de Romeinen
Want ik schaam mij des evangelies van Christus niet, want het is een kracht Gods tot zaligheid, een iegelijk die gelooft, eerst den Jood en ook den Griek. Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven is: maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.
Het lag zoo voor de hand, om te denken dat Paulus zich schaamde om het Evangelie van Christus te verkondigen in zulk een groote wereldstad als Rome. Denkt maar eens aan uzelf, lezers. Het valt soms reeds moeilijk om te getuigen in den kring onzer bekenden. Valsche schaamte weerhoudt soms mannen om met hunne vrouwen, die hun lief zijn, het aangezicht Gods te zoeken. Welk een schroom om over het ééne noodige te spreken in eigen huiselijken kring! Maar nog moeilijker wordt het als men zulks heeft te doen tegenover baas of heer. Gods kind moet er maar eens voor gesteld worden om tegenover de grooten en de machtigen en de wijzen der aarde te getuigen van zijnen God. Zoo moet nu ook Paulus naar die groote wereldstad Rome, om daar van zijn Koning te getuigen. Wat een goddelooze stad! Wat een goddelooze regeering ! Was het niet om voor terug te deinzen? Maar neen Paulus schaamt zich niet. Hij is slechts met ééne begeerte vervuld, om ook daar door zijnen Goddelijken Zender te worden gebruikt om dat heerlijk Koninkrijk van Christus uit te breiden.
Als we Paulus hooren zeggen dat hij zich niet schaamt om ook in Rome het Evangelie van Christus te brengen, bemerkt ge toch wel, dat achter deze negatieve wijze van uitdrukking een vurig verlangen en begeeren zonder weerga verborgen ligt.
De nood is hem opgelegd. Zwijgen mag hij niet. Zijne medereizigers naar de eeuwigheid moeten het weten, welke verschrikkelijke gevaren hen bedreigen. Hij moet hun 't Evangelie brengen, de blijde boodschap, dat er in Christus nog redding te vinden is voor den ellendigste onder de ellendigen.
Misschien hebben velen in Paulus' dagen wel bij zichzelf gedacht: „Paulus, hoe waagt ge het bij vernieuwing om in zulk een groote, vijandige wereldstad het Evangelie des Kruises te gaan brengen?" Hebt ge in Athene niet genoeg ondervonden, dat men u toch niet voor veel meer acht dan een ijdelen klapper? Wat zal een mensen beginnen tegen al die vijandige machten?
Ik kan mij indenken dat sommigen, die hooren van de groote moeilijkheden waarmee de zendelingen hebben te worstelen op den grooten zendingsakker, bij zichzelf beginnen te zeggen: Staak dat werk maar. Het is immers toch alles tevergeefs. Maar neen, Paulus weet beter.
Had het door zijne zwakke krachten moeten geschieden, gewis, hij zou zich zeker hebben teruggetrokken. Wat zou een mensch beginnen tegen die drie machtige vijanden: satan, wereld en eigen vleesch? Wat moet Paulus alleen beginnen in die groote wereldstad? Maar neen, hij brengt een Evangelie, hetwelk een kracht Gods is tot zaligheid, een iegelijk die gelooft, eerst den Jood en ook den Griek. In den grondtekst is 't lidwoord voor 't woord „kracht" weggelaten. Ge gevoelt, met opzet! Om maar des te sterker te laten uitkomen wat de bedoeling is! Zelf gevoelt Paulus zich slechts een zwak instrument, maar het Evangelie van Jezus Christus is een sterke kracht. De natuurlijke mensch begrijpt dat niet. Hij begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn, want zij zijn hem een dwaasheid; en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden. Maar laat het dan den Jood een ergernis wezen en den Griek eene dwaasheid, maar hun, die gelooven, is het eene kracht Gods tot zaligheid.
Ja, dat Woord Gods is als een hamer, die het steenharde hart weet te verbrijzelen. Maar het is ook als een lieflijke harp der vertroosting, die zingt van genade voor arme verlorenen. Alleen dat Woord brengt redding. Het modernisme mag aansporen tot vervulling der wet en tot deugd en plichtsbetrachting, de wonden te heelen van het hart, hetwelk schreeuwt als een hert naar de waterstroomen, vermag het niet. Alleen de blijde boodschap, dat er genade en redding te vinden is in het Kruis van Golgotha voor verbrokenen en verslagenen van geest, kan waarlijk blijdschap schenken. Straks, als de jongste dag den snik zal geven, zal het openbaar worden voor allen voor hoe groote schare dat Evangelie van het Kruis geweest is een kracht Gods tot zaligheid. Zaligheid reeds aan deze zijde des grafs, als door het geloof de gerechtigheid van dien volkomen Borg werd omhelsd. Volkomen zaligheid, als bij 't sterven het lichaam der zonde voor altoos wordt afgelegd om voor eeuwig te mogen blikken op Christus' gerechtigheid.
Wat dunkt u, kon Paulus het met zulk een Evangelie, hetwelk een kracht Gods is tot zaligheid, niet wagen om naar Rome te vertrekken? En toch, alleen die het in den geloove, hebben omhelsd, hebben er de kracht van mogen ervaren. Wat is het al aan duizenden en nog eens duizenden verkondigd, die bij het hooren van deze woorden van den apostel de schouders optrekken. Het lag niet aan dat Evangelie, wat Christus bracht. De woorden, die Jezus spreekt, zijn geest en leven. Neen, 't komt door het harde ongeloovige hart, hetwelk er van nature niet van weten wil.
Maar ook het geloof is een gave Gods Van nature zou er nooit iemand naar God hebben gevraagd. Als er één door genade den Heere Jezus leerde liefhebben, zal hij toch immer moeten getuigen met de discipelen: Wij hebben U lief, omdat Gij ons eerst hebt liefgehad.
Zonder de hand kunnen de heerlijkste spijzen op uw disch niet in uw bereik komen We hebben het geloof wel eens vergeleken met de hand, waarmee de heilsgoederen worden gegrepen.
Wat hebben Jezus' discipelen terecht gesmeekt om vermeerdering des geloofs. Wat klinkt het verwijtend voor Nazareth: En Hij kon aldaar geene kracht doen, dan Hij leide weinige zieken de handen op en genas ze. O, dat schrikkelijke ongeloof.
Wat heeft de Heiland Zijne kleinmoedige jongeren vaak bestraft vanwege, hun ongeloof en hun kleingeloof. En zegt niet Gods Woord, dat het zonder geloof onmogelijk is Gode te behagen? Uw moord, uw echtbreuk, uw diefstal houdt u tenslotte, o Adamskind, niet buiten den hemel, maar uw ongeloof. Ge wilt voor Hem niet bukken noch buigen en Hem uw schuld belijden. Ge begeert niet als een verlorene het Kruis van Christus te omvatten Een andere weg om zalig te worden, is er niet, noch voor den Jood, noch voor den Griek. Neen, de Jood heeft in dit opzicht niets voor boven den heiden. Dat Evangelie wil hij brengen aan Jood èn heiden. Deze kracht God tot zaligheid kan de hardste harten verbreken. Trek op, o Paulus, naar Rome in de mogendheid Gods, anderzijds in het bewustzijn van uwe zwakheid in uzelf. En dat het waariijk een kracht Gods tot zaligheid is, moge hieruit nog meer blijken, dat de rechtvaardigheid Gods in hetzelve geopenbaard wordt uit geloof tot geloof.
Ge voelt het toch wel, dat het hier gaat om de allergewichtigste vraag, die ooit kan gedaan worden, n.l. hoe een arm in zichzelf verloren Adamskind nog ooit voor God rechtvaardig zal worden.
Bij den eersten aanblik zegt ge: „dat kan nooit". De zonden, met gedachten, woorden en werken bedreven, getuigen tegen elk menschenkind. Eeuwige straffen, naar lichaam en ziel, staan den mensch te wachten, die in Adam van den levenden God afviel en Satan is toegevallen.
De Heere eischt gerechtigheid. Aan Zijn Recht moet worden voldaan. Ja, dat zou 't schepsel tenslotte ook nog eischen, dat de Heere afstand deed van Zijn recht. Maar ge gevoelt toch wel, dat God dan geen God meer zou blijven. Dan maakt ge van Zijn heilig Wezen een caricatuur.
Neen, er is in de diepten van het Drieëenige Wezen Gods in de stille eeuwigheid een weg uitgedacht, waarbij de bergen vrede zouden dragen en de heuvels heilig recht. Een weg, om zondaren zoo te zaligen, dat daarbij aan het heilig recht des Heeren volkomene genoegdoening zou worden geschonken. 't Is een weg, waarop het arme Adamskind bij het ontdekkende Geesteslicht weer leert vragen naar de gerechtigheid Gods.
Zegt niet een van de zaligsprekingen: Zalig zijn ze, die hongeren en dorsten naar gerechtigheid want ze zullen verzadigd worden? Neen, het zijn niet uwe gerechr tigheden, o kind van God, op grond waarvan ge zoudt kunnen gerechtvaardigd worden. Uwe gerechtigheden toch zijn slechts als een wegwerpelijk kleed. Het is alleen de gerechtigheid Gods, dus eene gerechtigheid, die afkomt van den Heere alleen, die buiten u geworden! Alleen die gerechtigheid kan ons redden.
We hebben hier dus niet te denken aan een ingestorte gerechtigheid, die door wedergeboorte en heiligmaking het deel wordt van Gods kind. Neen, God zaligt niet om vooruit geziene, uitgestorte, goede werken en rechtvaardigheid, maar alleen om Zijne gerechtigheid.
Zalig de arme zondaar, die in het geloof tot God leert naderen, het belijdend: „ik heb duizenden talenten schuld en geen penning om te betalen", maar die nu ook, al was 't slechts stamelend, leert zeggen: „Heere Jezus, ik klem mij vast aan U, die met Uwe gehoorzaamheid aan de rechtvaardigheid van God genoegdoening hebt gegeven, zoodat God rechtvaardig blijft, als Hij mij de zonden vergeven zal". De zoodanigen zijn in dat geloof rechtvaardig voor God.
„En hoe meer nu ons geloof wast, en hoe meer men vordert in deze geloofskennis, zooveel te meer wast in ons de rechtvaardigheid Gods", zegt Calvijn. De uitdrukking „uit geloof tot geloof" wijst ons stellig op de dagelijksche versterking en vernieuwing des geloofs.
Dat het Evangelie 't welk Paulus brengt, niet maar een uitvinding van hem is, maar een Evangelie naar de Schriften, blijkt wel uit de woorden: gelijk geschreven is; maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Habakuk had in het vierde vers van het tweede hoofdstuk zijner profetie reeds gezegd, dat de rechtvaardige door zijn geloof leven zal. Paulus toetst het bevindelijke leven aan het Woord Gods. Er zijn vele zoogenaamde bevindingen, die in dat Woord geen steun vinden. Veel komt op uit het eigengerechtige vrome vleesch. Ook onze Vaderen zagen het groote gevaar in dat dreigde van de zijde van een valsche mystiek.
Aan de eene zijde bedenke men, dat men zich beroepend op het Woord, zonder de werking van den Heiligen Geest, zich al heeft geschaard onder de letterknechten. Onze Vaderen zouden zeggen: Het zit een voet te hoog (n.l. het wordt wél besproken, maar niet beleefd in het hart).
Maar aan de andere zijde hebben onze Vaderen alle beroep op de werking des Heiligen Geestes, buiten het Woord Gods om, gehouden voor meer of minder gevaarlijke geestdrijverij.
Met recht zong de dichter:
Heer' ai maak mij Uwe wegen.
Door Uw Woord en Geest bekend;
Leer mij, hoe die zijn gelegen, enz. Door Uw Woord en Geest. Onderstreep deze beide woorden en het gevaar om u door een ijdele verstandstheologie of door valsche mystiek te laten leiden, wordt minder, indien het ook u tenminste met den dichter mag brengen op de knieën.
Het thema van den brief is hiermee gegeven. De apostel zal het nog nader in den breede uitstippelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's