GEESTELIJKE OPBOUW
John Bunyan
Zijn leven en zijn geschriften (12)
Plooibaar of Meelooper, handig uit den poel uitgekropen, was intusschen in zijn woonplaats, de stad Verderf aangekomen. Daar werd hij hartelijk ontvangen, hoewel er ook waren, die zeiden, dat hij een lafaard was. Intusschen was men 't er wel over eens, dat Christen een dwaas was. Maar Christen gaat verder, om zijn moeitevollen tocht voort te zetten.
Wat is hij heerlijk geholpen door Helper of Bijstand! „Waarom hebt gij niet op de steenen gelet?" sprak Helper en tegelijk trok hij Christen op vasten grond en wees hem den naasten weg naar de poort.
Helper is een van 's Konings dienaren zooals de Heere er gelukkig nog velen heeft, om hulpdienst te verleenen aan de pelgrims naar de hemelstad; om hen met raad en daad bij te staan. Bunyan heeft veel van die menschen genoten op zijn moeitevollen weg. Evangelist, Bijstand, Uitlegger en zoovele anderen zijn hem tot een hand en voet geweest op zijn reis van de stad Verderf naar de Enge Poort en naar het kruis en naar de hemelstad en hij heeft er in de Pelgrimsreize ook telkens melding van gemaakt met een dankbaar hart.
Er zijn van die ongelukkige predikers en helpers die van de moeilijkheden des geestelijken levens niets verstaan. Die kunnen alleen spotten met „och" en ,,wee". Maar Bunyan kan ons verhalen, dat ze broodprofeten zijn, die als ontrouwe dienstknechten in 's Konings dienst veel verderven en niets goedmaken. Ze zijn zelf vreemd aan den Geest, die droefheid over de zonde leert, en die inleidt in de kennis van verlorenheid met vele smarten en daarom verstaan zij niets van Slons worsteling en strijd. Heerlijk, wanneer er dan Helpers, Evangelisten, Uitleggers zijn, die met de verschrikkelijke toestanden van den poel Wantrouwen bekend zijn en 't er op aansturen, dat de pelgrims, met een zwaar pak beladen, acht geven op de beloften Gods in Christus, die als steenen, blinkend in de zon, in den moerassigen bodem zijn ingelegd; hoewel ze veelszins helaas! ook glibberig kunnen zijn, ja zelfs onzichtbaar vanwege 't opborrelend vuil. Maar dan juist zijn Helper, Evangelist, Uitlegger en zoovele anderen onmisbaar, opdat zij de moede pelgrims bijstaan en met raad en daad dienen. Gezanten van Christus' wege hebben hier een moeilijke maar heerlijke taak. Ze zullen in de eeuwigheid hun loon hebben.
Helaas! zijn er ook van die ongelukkige predikers, die blijkbaar niets beters weten, dan voor moede pelgrims hun last nog zwaarder te maken en hen verhinderen, dat zij vasten grond onder de voeten krijgen. Zij negeeren de steenen, de vaste steenen, die de Koning van Sion in het moeras heeft gelegd en zij houden verre van het pad, dat de Heere in Jezus Christus heeft willen maken, opdat vermoeiden en beladenen tot Hem zullen komen, die goddeloozen met God verzoent, opdat zondaren uit genade zullen zalig worden.
Zelf leggen die predikers, die geen Helpers, geen Evangelisten, geen Uitleggers zijn, lasten op en zij kennen blijkbaar het Lam Gods niet, dat de zonden Zijns volks wegdraagt tot verzoening en barmhartigheid.
Bunyan was zoo gelukkig een dienaar des Konings te ontmoeten, die werkelijk Helper was, en die hem dan ook onvergetelijk is gebleven. Van wien hij dankbaar mocht getuigen tot Gods eer: ,,Hij heeft mij uit een ruischenden kuil, uit modderig slijk opgehaald en mijn voeten op een rotssteen gesteld en mijn gangen vastgemaakt. Hij heeft mij een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen God."
De H. Schrift noemt en roemt deze Helpers, als gezanten Gods en verkondigers van goede boodschap. En de Apostelen hebben van deze Helpers genoten, gelijk zij zelf zoo gaarne als Helpers dienst deden. Van beiderlei sekse kunnen die Helpers op den weg naar Sion zijn. „Groet Urbanus, onzen medehelper in Christus", zegt Paulus. En ook: „Groet Priscilla en Aquila, mijn medehelpers in Christus". Zoowel Paulus en Johannes en de andere apostelen belijden in hun brieven telkens, dat zij zoowel persoonlijk als voor hun werk in de gemeenten, zooveel verkwikking hebben gehad van die Helpers. Mannen en vrouwen gaf de Heere hun, om in en door hen veel zegen en telkens hulp en bijstand te schenken.
Helpen, bijstaan — is dat niet de roeping voor degenen die den naam van Christus noemen en Zijn discipelen heeten? Heeft Hij Zelf niet steeds de hand uitgestrekt ter hulpe? Hebben zieken, ongelukkigen, zoekenden van Hem niet altijd ervaren dat Hij met raad en daad wilde bijstaan? Wilde Hij niet altijd aller dienaar zijn, hoewel Hij er recht op had aller Meester te zijn? „Verstaat gij, wat Ik u gedaan heb?" zoo sprak Hij na de voetwassching. „Want Ik heb een voorbeeld gegeven, opdat gij doen zoudt, gelijk Ik u gedaan heb. Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, als gij ze doet !"
Bijstand: Wat is 't niet telkens noodig dat er een Helper is! Poelen en moerassen bij menigte. Vol zijn ze van verslagene, wanhopende, zinkende medemenschen. In de verte en vlakbij zijn die moerassen vol ongelukkigen, die ongetroost zijn. Niemand is er onbekend mee. We komen er allen mee in aanraking. Schuimend slijk, drassige modder, — ziet gij ze niet, vlak voor uw deur, poelen die vol zijn van wegzinkenden vol wanhoop? Jongen en ouden liggen te worstelen. Waar is HeIper, de dienstknecht, de dienstmaagd van Jezus Christus, die huIpe wil biên?
„Indien gij deze dingenweet, zalig zijt gij, als gij ze doet!"
Door Helper uit het moeras geholpen, zet Christen zijn moeitevollen tocht voort. Hij kan en hij wil niet terug. Is Plooibaar — die geen wortel in zichzelven had — weergekeerd naar de Stad Verderf, Christen kan en wil niet terug. Voort, voort gaat het, met het zondenpak beladen het licht tegemoet, dat uitstraalt van de Enge Poort, waar staat: „wendt u tot Mij en wordt behouden, want waarom zoudt gij sterven?" Evenwel volgt moeilijkheid op moeilijkheid. Er moet veel leeds geleden worden; veel strijds gestreden, veel gebeds gebeden. Die volharden zal ten einde toe, zal zalig worden.
Christen is aan een kruispunt op den weg genaderd. En daar komt daar juist een man aanloopen, WereIdwijs geheeten, uit de Stad „Zinnelust" of „Wijsheid des vleesches", een zeer groote stad, in de nabijheid gelegen van de stad, waar Christen vandaan is gekomen, zoodat zij, die verontrust worden vanwege hunne zonden, gemakkelijk daarheen kunnen reizen om er afleiding te vinden en een anderen kijk op het leven te krijgen.
De afstand is niet groot.
Die Wereldwijs had reeds iets van Christen's vertrek uit zijn geboorteplaats gehoord — het is een wonder, hoe zulke dingen als een loopend vuurtje rondgaan, als er iemand den ouden weg verlaat, met het voornemen God te dienen naar Zijn Woord — en vriendelijk gaat hij den man, met het pak op den rug en bemodderd door de spatten van den poel Wankelmoedigheid, tegemoet en geeft hem allerhartelijkst den raad om niet langer dezen moeilijken weg te vervolgen, maar een anderen weg te kiezen, waar spoedig de zware last vergeten zal zijn. Neen, hij adviseert hem niet om terug te gaan naar zijn woonplaats, want godsdienstig te zijn en fatsoenlijk te leven is niet verkeerd, integendeel, dat past een verstandig, mensch! Maar de mensch moet 't zich niet zoo onnoodig moeilijk dan maken. En als hij dan ook hoort uit den mond van Christen, dat Evangelist hem dezen weg gewezen heeft, vervloekt hij dien slechten raadgever en zegt heel vriendelijk dat al dat lezen in dat boek, dat Christen meedraagt, zijn hoofd op hol brengt en zijn hart nooit rust zal brengen. Hij moet de vervulling van den wensch zijns harten, om tot rust te mogen komen, niet juist langs den moeilijksten en gevaarlijksten weg zoeken. „Ziet ge ginds", zoo zegt hij heel vriendelijk, en ernstig zijn belangstelling toonend, „ziet ge ginds het dorp Zedelijkheid? Daar woont een heer Wettisch, met zijn zoon Fatsoen. Deze man is zeer kundig en met een wereldberoemden naam. Hij schijnt in staat te zijn menschen zooals gij, die een last moeten dragen, van hun kwaal te genezen. Als 't waar is, wat men vertelt, heeft hij zelfs zieken genezen, die door den druk van hun last waanzinnig waren geworden. Ga dien heer Wettisch eens raadplegen en gij zult zien, dat hij u beter zal maken. Hij woont ongeveer een half uur hier vandaan, en als het mocht gebeuren dat hij zelf niet thuis is, treft gij in elk geval zijn zoon Fatsoen aan, een zeer hoffelijk beschaafd jongmensch, die in geen enkel opzicht behoeft onder te doen voor zijn beroemden vader. Daar zult gij baat vinden. Mocht 't dan gebeuren, dat gij niet veel lust meer zoudt hebben om naar uw vroegere woonplaats terug te keeren (iets, wat ik u hartelijk zou afraden) laat uw vrouw en uw kinderen dan overkomen. Er staan hier zoo veel huizen leeg, dat gij voor weinig geld iets zult kunnen huren. Het leven is hier niet duur en wat ongetwijfeld een groot voordeel is, gij zoudt hier opgenomen worden in een kring van uiterst fatsoenlijke menschen, die allen hun stand weten op te houden".
Van de Stad Verderf naar de Stad Fatsoen. Van de werken der zonde tot de wettische betrachting van deugd en braafheid. En dan voor weinig geld een vrije woning met vrouw en kinderen tusschen fatsoenlijke menschen. Is het niet een stuk levensgeschiedenis van Bunyan, door God aan zijn zondigen staat ontdekt? En hebben al Gods kinderen aan deze dingen geen kennis, weder oprichtend een verbroken werkverbond, om zich zelf gerechtigheid te verwerven voor God en menschen?
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's