FEUILLETON
Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
door IDSARDI
45)
Jasper oordeelt dat de menschen alleen door verschrikkingen der Wetsprediking tot het geloof komen en wil de donderslagen van Horeb daarom doen hooren, en Sander meent dat het zachte lieflijke ruischen van het Evangelie des Vredes en de verzoeningsboodschap minstens evenveel uitwerkt. Jasper wil met kracht en geweld, en Sander met zachtmoedigheid en in den geest der liefde. Maar beiden willen hetzelfde, al is het dan ook door verschillende middelen en langs verschillende wegen. En dat is hun eenheid bij alle onderscheid. Dat komt voornamelijk ook, doordat zij persoonlijk op onderscheiden wijze werden toegebracht. Want Jasper was voorheen 'n man die midden in de wereld leefde. Afkomstig uit een gezin, waarin de vreeze Gods in het geheel niet gekend werd, deed hij wat goed was in eigen oogen zonder zich te bekommeren om het heil zijner ziel. Als hij het er zelf over heeft wie hij voorheen was, dan zegt hij nog al eens: 't ging mij precies zooals in dat mooie versje staat
„Eens was ik een vreemdling voor God en mijn hart,
Ik kende geen leed; ik gevoelde geen smart.
Ik sprak niet: mijn ziele! doorziet gij uw lot!
Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?
Al sprak daar een stem uit de heilige blaan
Van 't Lam, met de zonde der wereld belaan,
Ik zocht bij den kruispaal geen veilige wijk;
'k Stond blind en van verre, in mijzelven zoo rijk".
Tot hij eens op een wonderbaarlijke wijze, zoo zegt hij, bepaald werd bij de eeuwige dingen. Een bijbelcolporteur, die met een groote tasch langs de huizen liep om het Woord Gods onder het volk te brengen, had ook bij hen aan huis gevraagd of hij niet een N. Testament verkoopen kon. „Niet noodig, koopman", was hem toegeroepen, maar de man bleef staan, waarop hem te kennen gegeven werd, dat men boeken in overvloed had en niet van dezen kost gediend was. Toen had zich ongemerkt een gesprek ontwikkeld, waarbij het aan den eenen kant niet ontbrak aan allerlei schimpwoorden op den bijbel en het vrome volk en de kerk en alles wat tot den godsdienst behoort, en aan de andere zijde gewezen werd op den grooten ernst der eeuwigheid en de beteekenis van het leven. Natuurlijk werd men het niet eens, en toen de vreemdeling eindelijk heen ging, liet hij een tractaatje achter, in de hoop dat men dit zou willen lezen.
Lachend had Jasper het aangenomen en daarna opgevouwen, met het doel zijn pijp daarmee aan te steken. Eenige dagen later — 't was in het schaftuur op het veld — vond hij het ineengefrommeld papiertje en las daar het opschrift: „God laat niet met zich spotten". Onwillekeurig las hij hetgeen er verder stond, tot het geheele tractaatje was uitgelezen. Het was de eenvoudige geschiedenis van een man, die altijd met de hoogere dingen had gespot. Als er een God was, dan mocht het zóó en zóó met hem gaan, te veel om op te noemen. En 't ging zoo met hem. Op een vreeselijke wijze werd hij plotseling weggenomen uit het leven, juist op dezelfde wijze, als hij meermalen in bijzijn van anderen gezegd had, zoodat algemeen hierin de wrekende gerechtigheid Gods werd opgemerkt, tot schrik van degenen die aan deze spotternij hadden meegedaan.
Dat woord nu kon Jasper niet kwijt worden. Hoe 't was, wist hij zelf niet, maar altijd al weer moest hij daar aan denken. Onder zijn werk en op zijn bed; in gezelschap en als hij alleen was; thuis en op straat, steeds zag hij die groote, zwarte letters: „God laat niet met zich spotten!" Het was hem, alsof zij steeds grooter werden en een dreigende houding tegen hem aannamen. Had ook hij niet vaak met God gespot? Had ook hij niet ondet vloeken en zweren de hevigste verwenschingen wel uit gebraakt tegen allen die Hem beleden? Had hij niet op alle manieren de genade Gods veracht? Was er wel één zoo slecht als hij? Als hem nu óók eens iets overkwam! Als hij nu zóó eens sterven moest! Waar zou hij zijn in de eeuwigheid, als er tenminste een eeuwigheid was! Eeuwig is zoo lang. En dan nooit weer kans op verlossing, of verandering, of verbetering! Dood zijn was vreeselijk, maar eeuwig te moeten leven zonder levensvreugd en levenshoop en levensgeluk nog oneindig vreeselijker! Hij kreeg het benauwd, 't Viel allen op, dat hij zoo geheel anders werd. Eerst thuis; toen ook onder de vrinden. Zoo stil en teruggetrokken. In het eind at en dronk hij niet meer, terwijl de slaap uit zijn oogen week. „Wat dien jongen toch haperde? Of de dokter niet eens komen zou". Maar Jasper had gezegd dat dit niet noodig was, omdat alle professoren van de wereld niet in staat waren hem te helpen. „Wie dan?" „Geen mensch; en alle menschen met elkaar niet". Toen had moeder het hoofd geschud. Als het met dien jongen in zijn hersens maar goed pluis was. Als er maar niet een ziekte achter wegkwam. Hij kon soms uren lang op zolder zitten te lezen en te mijmeren. Niemand, die er iets van begreep.
Eens was zij hem stil gevolgd, en vond hem met een bijbel in de hand, die nooit in huis gebruikt werd, maar eens op een boelgoed met andere oude boeken gekocht was. Toen was moeder een licht opgegaan. Nu wist zij wat Jasper scheelde. Hij leed aan godsdienstwaanzin. Tenminste zoo iets. Een ziekte, veroorzaakt door den godsdienst. Gelijk zoovele menschen gek werden van den bijbel! Hij moest daar dadelijk mee ophouden, en dat lezen in dat boek maar aan de dominé's overlaten.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's