De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

7 minuten leestijd

Een afkeurenswaardige maatregel.
Wat door de laatste rechtsche kabinetten met veel zorg en met voorzichtig beleid ten bate van de beperking van den Zondagsarbeid van het overheidspersoneel en andere werknemerskringen werd tot stand gebracht, wordt door het tegenwoordig intermezzo-kabinet weer stuk na stuk ongedaan gemaakt. Vooral schijnt het Departement van Waterstaat er niet voor terug te schrikken om hier het record te slaan. Men heeft maar eens bij de spoorwegen te informeeren om te weten te komen, dat nog nimmer zooveel pleiziertreinen en extra treinen op Zondag loopen als juist in de laatste drie jaren.
Toen bij de behandeling van de laatste begrooting van de spoor- en tramwegen in de Tweede Kamer, in de maand December van het vorig jaar, de Minister in de stukken den Zondag „den eenigsten uitgaansdag van het publiek" had genoemd, heeft hij deze uitdrukking wel teruggenomen, omdat zij zonder zijne voorkennis in de Memorie van Antwoord was neergeschreven geworden, maar uit een en ander blijkt dan toch, welke geestesgestelheid bij de leidende ambtenaren aan het Departement van Waterstaat heerscht ten aanzien van het beperken van den arbeid op Zondag.
Blijkens de mededeeling, welke de Mi nister in dezelfde Memorie van Antwoord deed, hebben er in het jaar 1928 niet minder dan 44 goedkoope pleiziertreinen op Zondag voor het publiek geloopen.
Gaat het dus bij de spoor- en tramwegen met betrekking tot het vraagstuk van de Zondagsrust den verkeerden kant uit, hetzelfde geldt ook — en zelfs in nog veel sterker mate — bij den dienst van de Posterijen, de Telegrafie en de Telefonie. Wat bij dien dienst onlangs plaats vond, was hoogst ongepast en onbetamelijk.
Het is bekend, hoe van Antirevolutionaire zijde — en niet zonder succes — bij iedere gelegenheid, welke zich destijds voordeed, op de Roomsch Katholieke Ministers van Waterstaat, de h.h. König en Van Swaay, in de vorige rechtsche kabinetten werd ingewerkt, om toch al die pogingen in het werk gesteld te krijgen, welke beperking van den Zondagsarbeid van het overheidspersoneel konden bevorderen.
Dank zij den toenmaligen Minister-President jhr. Ruijs de Beerenbrouck, die niet alleen een groot voorstander is van Zondagsrust, maar ook van Zondagsheiliging, en van wien de Antirevolutionairen krachtigen steun ontvingen, kwam een regeling tot stand, waarbij langzamerhand een groot aantal postkantoren ten plattelande op Zondag voor goed dicht gingen.
Deze uitstekende maatregel is nu plotseling zonder eenige voorafgaande waarschuwing door het tegenwoordig kabinet ongedaan gemaakt. De Zondagsdienst bij de postkantoren onderging geheel onverwacht een massa-uitbreiding.
Het Antirevolutionaire Kamerlid, de heer Van den Heuvel, heeft zich door tusschenkomst van den voorzitter van de Tweede Kamer tot den Minister van Waterstaat gewend om de redenen te mogen vernemen die den Minister er toe hadden geleid om 592 hulppostkantoren, welke tot dusver voor den telefoon- en telegraafdienst des Zondags geheel gesloten waren, na 17 Febr van 8.30—9.30 uur v.m. voor deze diensten weer open te stellen. Hoe diepen indruk deze zaak in den lande heeft gemaakt, bewijst een ingezonden stuk dat dezer dagen in de Chr. Historische „Nederlander" voorkwam, en waarin een postambtenaar zijn droefheid over het gebeurde te kennen geeft. Wij laten hieronder een paar zinsneden uit het stuk volgen:
Zelf ambtenaar bij de P. en T., heb ik met groot leedwezen kennis genomen van de openstelling van    bijna zeshonderd hulptelegraaf- en hulptelefoonkantoren, des Zondags van 8—9 uur. Terwijl ik de wijziging, liever de aanvulling, bijwerkte, drukte mij de gedachte: wij gaan achteruit in ons Christelijk Nederland op 't terrein der Zondagsheiliging; en ook bij ons dienstvak keeren wij terug naar tijden, waarvan wij meenden dat zij niet weder zouden komen.
Met innig leedwezen heb ik gedacht aan die velen, die des Zondags zoo gaarne opgaan naar het Huis des Heeren, om daar met de gemeente te danken niet alleen, maar ook om al hunne nooden en behoeften neder te leggen aan den troon der genade, maar die daarin nu weer belemmerd worden.
Het is dan ook met blijdschap, die tol dankbaarheid stemt, dat ik in „De Nederlander" van. 14 Febr. mocht lezen, dat de heer Van den Heuvel naar aanleiding van deze massa-openstelling een drietal vragen aan den Minister heeft gesteld en het afkeurenswaardig noemt om de geleidelijke vermindering van den Zondagsdienst voor een zoo groot deel te vernietigen. 
Ofschoon ik er van overtuigd ben, dat de heer Van den Heuvel mijn dank niet noodig heeft, is 't mij toch een behoefte des harten om hier neer te schrijven, dat niet alleen ik, maar ook honderden met mij met dankbaarheid kennis namen, dat er toch altijd nog mannen zijn die met ons medegevoelen en medewaken voor onze geestelijke belangen. En waar wij er van overtuigd zijn dat er meerderen zijn in onze Volksvertegenwoordiging, op welke wij, Christen postmenschen, mogen rekenen, daar vragen wij u: Christenen uit alle partijen, helpt ons, nu gij weet, dat het staat te gebeuren dat inplaats van minder, meer personeel op den Zondag zal moeten werken. Helpt ons, door uw woord, door uw geschrift, door uw gebed. 

Wij noemden hier het optreden van den Minister van Waterstaat ongepast en onbetamelijk. De heer Van den Heuvel spreekt zelfs — en terecht — van afkeurenswaardig. Dat de Minister van Waterstaat in zijn antwoord op de vragen van den Antirevolutionairen afgevaardigde zich verdedigt met het motief: „dat, wanneer het telefonisch verkeersmiddel aanwezig is, het noodzakelijk is, dat althans gedurende een korten tijd de gelegenheid bestaat om in dringende gevallen, zooals het inroepen van geestelijken bijstand, geneeskundige hulp of hulp bij brand, van dat verkeersmiddel gebruik te maken", lijkt ons verre van steekhoudend. Want dit heele telefonische verkeersmiddel, dat thans van 8.30—9.30 v.m. zal aanwezig zijn, beteekent voor geestelijken bijstand, geneeskundige hulp, of hulp bij brand niets, wanneer deze behoefte zich b.v. na 9.30 komt te openbaren. Om in die behoeften op voldoende wijze te kunnen voorzien, zou het telefoonkantoor dag en nacht moeten geopend zijn, maar niet één enkel uur in den morgen.
De reden, welke de Minister opgeeft, is dan ook geen reden. Daarom blijft het voor ons vooralsnog een raadsel, wat er den Minister toe geleid heeft om zoo'n belangrijk stuk Zondagsrust voor het postpersoneel prijs te geven, als in het openstellen van 592 hulpkantoren bij de posterijen gelegen is.
Zoo iets zou zeker niet gebeurd zijn, wanneer er een rechtsch kabinet, met medewerking van de Antirevolutionairen, in stede van een extra parlementair kabinet geweest ware. Dat de tegenwoordige Minister van Waterstaat Antirevolutionair is, doet natuuriijk van de zaak niets af. Men moge er over verbaasd staan hoe zulk een Minister zijn medewerking aan een zoo'n funesten maatregel kon verleenen, maar met het intreden van mr. Van de Vegte in het kabinet-De Geer heeft de Antirevolutionaire Partij niets uitstaande. Dat geschiedde geheel buiten hare verantwoordelijkheid. Het optreden van mr. Van de Vegte als Minister van Waterstaat, had geheel voor eigen rekening plaats.
Wat thans plaats greep, werpt ook een eigenaardig licht op de politiek van het kabinet-De Geer. Dit kabinet trad op 10 Maarl 1926 — zooals men zich herinneren zal — op met de verklaring: „De politieke vraagstukken, die verband houden met de partijgroepeering, zooals die tot dusver hier te lande heeft bestaan, zullen blijven rusten en gehandhaafd blijven in het stadium, waarin zij op dit oogenblik verkeeren".
Nu is het merkwaardige, dat deze politiek van de Statusquo wel in het leven schijnt te zijn geroepen om Vrijzinnigen en Sociaal Democraten niet onaangenaam te zijn, waardoor in dat geval de Christelijke Staatkunde contrabande is. Doch betreffen het beginselen, die b.v. den Antirevolutionairen heilig en dierbaar zijn, dan word die heele Status quo-politiek plotseling overboord gezet. Het zijn wel wrange vruchten, die het extra-parlementaire Kabinet ons volk in den schoot werpt. Dat de partijen, die de onmiddellijke oorzaak waren dat het kabinet-Colijn door het Ministerie De Geer vervangen werd, met de zaak verlegen zitten, blijkt wel uit hun stilzwijgen.
De Staatkundig Gereformeerden, die er anders als de kippen bij zijn, hebben in hun blad van het geval nog geen enkele mededeeling gedaan. Zou het flink optreden van den heer Van den Heuvel, die de kat de bel aanbond, soms in hun kraam niet te pas komen? Voor zulk een zaak moeten allen, die voor de heiliging van den Sabbath opkomen, het opnemen. Er moet tegen het optreden van den Minister van Waterstaat eenstemmig worden geprotesteerd. Zoo aanstonds bij de behandeling van de begrooting van de Posterijen is daarvoor alle gelegenheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's