De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIEN

6 minuten leestijd

Postgiro 138421.
Als dit nommer van ons blad mij bereikt — sommigen die meer in de buurt van Maassluis wonen krijgen 't al Donderdagsavonds, maar hier wordt het in den regel eerst Vrijdagsmorgens bezorgd — wijst de kalender aan, dat we al den 1sten van Lentemaand hebben. Tot hiertoe — 't kan natuurlijk spoedig veranderen, en daar hopen we allen ook op — lijkt het nog weinig op de lente. Als ik vanuit mijn studeerkamer naar buiten zie over de wijde velden der Geldersche vallei, dan is het nog een echt wintergezicht. Een grauwe lucht heeft zich boven den harden grond en de in ijs veranderde wateren saam getrokken en schijnt ons te voorspellen dat we den winter nog steeds niet achter ons hebben. We hebben echter te doen met een God, die het in Zijn Woord beloofd heeft dat al de dagen der aarde zaaiïng en oogst, koude en hitte en zomer en winter en dag en nacht niet zullen ophouden. Daarom gelooven we dat in de komende lentemaand de schier onverwinlijke vorst het eindelijk wel zal moeten opgeven en dat als God straks Zijn Woord uitzendt, de harde ijsmassa's zullen smelten en als Hij Zijnen wind doet waaien, de wateren wel weer zullen henenvloeien.
Nu, de barre koude en de strenge vorst zijn ook onzen Fondsen niet ten goede gekomen. Menige spreekbeurt heeft er onder geleden. Menige collecte draagt de sporen min of meer bevroren te zijn. Ik denk dan ook, dat er heel wat van onze menschen zijn in wier zak nog een dubbeltje óf een kwartje óf een gulden óf een rijksdaalder óf misschien nog wel meer is vastgevroren. Nu komt dat, als het straks gaat dooien, wel terecht. Gij zult eens zien, dan komt er heel wat los wat nu nog vastzit, en dat vloeit dan vanzelf naar de lage vallei, waar de Penningmeester van den Gereforneerlen Bond zijn tent heeft opgeslagen. Ik denk dus dat de dooi nog wel heel wat zal goed maken van wat de vorst bedorven heeft, en ook daarom hoop ik maar dat hij niet zoo lang meer op zich zal laten wachten.
Intusschen herinnert die eerste van Lentemaand, dien we Vrijdag weer hopen te beleven, ons als vanzelf aan de laatste. Dan is het al Paschen. Dan zijn de lijdensweken dus alweer voorbij; dan is het lijdensevangelie, dat we nu immers iederen Zondag hooren verkondigen, al weer ten einde en hopen we elkaar er weer aan te mogen herinneren dat de Gekruisigde een Gekroonde werd.
En met Paschen — dat weten we al van ouds — dan leggen we beslag op één der collecten, die alsdan in al onze Gereformeerde gemeenten gehouden worden. Vooral dit jaar, zou ik zeggen, mag er niet één ontbreken, ook niet al is er korter of langer geleden een spreekbeurt vervuld. Evenals de Pinkstercollecte voor de Zending van den Gereformeerden Zendingsbond, moet de Paaschcollecte zóó als een nagel in een heilige plaats in onze gemeenten ingedreven worden, dat men gevoelt dat het zonder deze collecte haast geen Paschen kan zijn. Daarom begon onze vorige Penningmeester ook altoos al vroeg op dien nagel te hameren en ook in dat opzicht wil ik maar weer zijn navolger wezen, door van nu afaan telkens weer bij vernieuwing tot al onze gemeenten de vraag te richten:
MAG DE PAASCHCOLLECTE VOOR ONZE FONDSEN ZIJN?
Ik hoop de volgende maal er nog wel eens nader op terug te komen waarom het noodig is dat deze vraag door geen enkele onzer gemeenten ontkennend beantwoord zal worden. 'k Hoop, dat er dus niet één is die vonden gaat zoeken en dat ik over enkele weken onder dezen post weer een flink bedrag zal kunnen boeken.
Vandaag echter praat ik daar niet verder over. 'k Mag het voor dezen keer ook eens niet te lang maken. De beide vorige malen heb ik, naar gij weet, nog al veel praatwater gehad, en daarom moet ik nu dezen keer eens tegemoet komen aan hen, die het graag wat korter willen. Gij ziet wel, dat ik ze graag allemaal te vriend wil houden. Misschien hebt ge wel nooit zoo'n allemansvriend in mij gezocht, maar daaruit blijkt alweer dat een mensch ook wel weer eens kan meevallen. Ik wil dus nu maar dadelijk het laadje gaan aanspreken. 'k Geloof dat het er wel eens beter heeft uitgezien. Doch laten we maar eens kijken:
R o t t e r d a m, van ds. P. van Toorn een gift van N.N. van ƒ 5.— voor het Studiefonds.
B o s c h  e n  D u i n, van den heer A.P. aldaar een gift van ƒ 2.50.
V l a a r d i n g e n, van ds. Heijer de helft van een door hem ontvangen gift van ƒ 20.—, dus ƒ 10.— voor het Studiefonds.
H o o r n a a r, van ds. Woelderink de collecte, gehouden bij een spreekbeurt door ds. Ottevanger van Papendrecht, ƒ 35.57.
O l d e b r o e k. Daar hebt ge nu de gemeente waar door mij op den kouden avond van 31 Januari 1.1. een spreekbeurt werd vervuld en waar zij toen de collecte nog eens wilden „overdoen". Nu, zij hebben het „overgedaan", en vraagt ge nu of het mi meegevallen is? Eerlijk gezegd niet. Ik dacht dat zij de vette letters nu wel verdienen zouden. Maar neen hoor, die krijgen ze niet. Immers ds. Klomp zond mij een collecte van ƒ 65.24. Zeker, dat is lang niet slecht, en ik ben er ook best mee tevreden hoor; maar ja, wat zal ik zeggen? van een gemeente als Oldebroek? Nee, 'k zeg er maar niks meer van. Misschien zijn ze wel een beetje boos dat allebei hun dominé's zoo ongeveer tegelijk vertrekken en misschien heeft 't bedanken van ds. Timmer er ook al weer geen goed aan gedaan. Enfin, we zullen maar hopen dat ze weer gauw een paar nieuwe krijgen zullen en dat er dan een vet dankoffer komt.
R o t t e r d a m. Daar zijn we mee begonnen en daar eindigen we nu ook weer mee. De Penningmeester der afdeeling, n.l. de heer Verschoor, zond mij een collecte, gehouden bij een spreekbeurt door ds. Koolhaas van Charlois. Deze collecte bedroeg ƒ 22.50. Ja, de Penningmeester vond 't zelf van een stad als Rotterdam ook niet veel, maar de koude schijnt er alweer voor een deel de schuld van te zijn, en de andere helft van de schuld lag in het feit, dat er dien zelfden avond in Rotterdam nog twee van onze Bondsdominé's voor een ander doel optraden. Gezien de geringe opkomst bleek dan ook de kleine collette nog heelemaal niet klein te zijn. Daarom zullen we er ook maar weer mee tevreden zijn en zal ik maar weer mijn vriendelijken dank brengen aan allen die er toe hebben meegewerkt dat ik met deze zes zendingen toch nog weer een eindbedrag van
f 140.81
bereiken mocht.
De Penningmeester, Ds. M. Jongebreur
Veenendaal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FINANCIEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's