De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

8 minuten leestijd

De Organisatie der Kerk.
De organisatie is nooit en nergens een onverschillige zaak. Men moet niet denken, dat de organisatie ooit van geen beteekenis kan worden geacht. Integendeel, van de organisatie hangt zoo ontzaglijk veel af. Ook voor de Kerk moet men dat bedenken. Daarom trof het ons, dat in 't Maandblad van de Vereeniging van Kerkvoogden in de Ned. Herv. Kerk, op deze zaak even gewezen werd, naar aanleiding van 't geen de Zweedsche professor Gustav Aulèn in zijn boek „Ons Algemeen Christelijk Geloof" geschreven heeft.
„Een Kerkgemeenschap", zoo lezen we daar, „kan niet bestaan zonder organisatie". „De Geest, die de gemeenschap opbouwt, neemt ook de organisatie in zijn dienst." „Van het gezichtspunt des geloofs gezien, moeten alle vormen van organisatie geheel en al beschouwd worden als organen, die den Geest dienen en gewaardeerd worden naar de mate, waarin zij de kerkopbouwende werkzaamheid van den Geest vermogen te dienen."
Hierin ligt de noodzakelijkheid van de organisatie. De organisatie staat niet tegenover de werking des Geestes. Integendeel: de Geest, die de gemeenschap opbouwt, neemt ook de organisatie in zijn dienst. Zonder organisatie, of met een slechte organisatie, met een organisatie die niet past bij 't wezen der Kerk, wordt de gemeenschap niet opgebouwd, maar verstoord en belemmerd. Daarom zal naar een goede organisatie voor de Kerk moeten worden gestaan, die den Geest kan dienen bij de opbouwing van het geheel.

Kerkverwarming.
Daarover werd vroeger niet gesproken. De Kerken waren onverwarmd en daarmee uit. Alleen de bekende kerkstoof deed dienst, en wat heerlijk! Over de kleeding van de kerkgangers van vroeger en nu zullen we maar niet schrijven. En over de koude van de laatste weken ook niet. Maar alles bij elkaar genomen: kerkgebouw en wintertijd, doet in den modernen tijd het vraagstuk van de verwarming der Kerken wel op den voorgrond treden. Zelf hebben we van de technische kwesties geen verstand. Wel weten we wat kou is in een groote kerk. En daarom troffen ons een paar berichten in de couranten, die we hier, zonder commentaar, weergeven. Men kan er mee doen wat men wil.
Het eerste bericht was uit Goor. Daar schrijft men: „Het technisch bureau Hubscher en Verstelt te Amsterdam (Singel 309) heeft in het kerkgebouw alhier een moderne gasverwarming aangebracht. De inhoud van de kerk is pl.m. 3100 M3. Er zijn in het geheel 10 kachels geplaatst van verschillende afmetingen. De aanlegkosten hebben bedragen ƒ 2476.—, waarbij nog ƒ 200.— aan bijkomende kosten komt (timmerman, metselaar enz.). Als alles op volle kracht brandt, wordt in 5 kwartier 53 M3 gas verbruikt. Op zeer koude Zondagen moest de verwarming wel eens om 9 uur aangesloten worden, waardoor het gasverbruik wel iets steeg. Toch kon echter altijd in korten tijd een temperatuur van ruim 60° worden bereikt, wat als ruimschoots voldoende kan worden beschouwd. De verwarming voldoet aan predikant en gemeenteleden uitstekend. Van gaslucht, droge lucht, water langs de wanden of andere onaangenaamheden, is geen sprake."
Het andere bericht is uit Zutfen. Daar schrijft men aan het Maandblad van de Vereeniging v. Kerkvoogden: dat de verwarming, die daar in de Groote of St. Walburgskerk dit najaar is aangebracht, met deze koude Zondagen uitstekend heeft voldaan. Dit is een verwarming met heete lucht, systeem Frits Beukers te Schiedam. Zooals men weet, behoort de St. Walburgskerk tot de zeer groote kerkgebouwen in ons land.

Toeneming van patiënten.
Het bestuur der vereeniging „Nederlandsche Hervormde Stichtingen voor geestes- en zenuwzieken" heeft een boekje uitgegeven, waarin over de plannen der vereeniging allerlei wordt meegedeeld. Een van de ontstellende mededeelingen is, dat er jaarlijks in ons land een toeneming is van 400 patiënten. Dus is er voortdurend uitbreiding of vermeerdering van gestichten en gebouwen noodig, waarbij in een artikel van dr. van der Spek blijkt, dat op dit christelijk verplegingsterrein de Hervormde Kerk voor hare leden schromelijk ten achter is bij de andere kerkgenootschappen. Natuurlijk is dat haar eigen nalatigheid. En daarom is het gelukkig, dat er tegenwoordig in deze verandering ten goede te bespeuren valt.

Hoe staat het met onze Kerkcollecten?
Het Maandblad voor Kerkelijke Armenzorg van Februari deelt mee, dat in 1926 de collecten voor de diaconie in de Ned. Herv. Kerken in totaal hebben bedragen ƒ 1.492.305.— zeg anderhalf millioen. Gesteld, dat dit alles bij de godsdienstoefeningen is gecollecteerd (wat niet het geval is), dan is dat per Zondag gemiddeld ƒ 30.000.—. Dat op 1500 gemeenten is gemiddeld per gemeente per Zondag ƒ 20.—.
Men kan niet zeggen, dat het cijfer hoog is. En hoe zal het dan met de collecte voor de Kerk enz. gesteld zijn?

Dispuut over den Doop, doopsgenade enz.
Het dispuut tusschen mannen uit de Geref. Kerken en uit de Chr. Geref. Kerk over den Doop en de veronderstelde wedergeboorte der gedoopte kinderen met enkele dingen meer, die daarmee in verband staan of mee in verband gebracht worden, houdt in de kerkelijke pers aan. Het is een „brandende kwestie" geworden. Nu pas heeft ds. Berkhoff, Christ. Geref. predikant te Amsterdam, een brochure geschreven, waarin hij de doopsgevoelens die in het midden van de Geref. Kerken gevonden worden, Neo-Gereformeerd of Neo-Calvinistisch noemt, waartegen „De Amsterdamsche Kerkbode" (Geref. Kerk) te velde trekt en met stukken uit de Acta van de Synode van 1837 wordt daar aangetoond, dat de Afgescheidenen van 1837 't zelfde leerden als de Geref. Kerken van heden, maar dat de Christ. Geref. Kerk een andere doopsleer heeft dan „de vaderen van 1837".
„De Wekker", Christel. Geref. Weekblad, komt daar nu weer tegen op en zegt: „De Synode van 1837 was de beruchte Utrechtsche Synode, waar een nieuwe Kerkorde inplaats van de Dordtsche werd aangenomen en de doopsleer van ds. Scholte de overhand had. Die leer van ds. Scholte is bij de Neo-Gereformeerden verder ontwikkeld in de leer der onderstelde wedergeboorte bij den Doop, die in 1905 niet veroordeeld, maar „minder juist" is genoemd en toch is blijven voortleven".
„De Synode der Christ. Geref. Kerk van 1846 heeft echter die doopsleer verworpen en uitgesproken, wat nog heden ten dage de Christ. Geref. Kerken leert."
De Acta van 1846 vermelden dan, dat (in 1837, naar de leer van ds. Scholte) vroeger geleerd is „dat alleen behooren gedoopt te wezen kinderen van begenadigden en dat deze kinderen door dien doop een heiligheid deelachtig worden, gelijk aan die, wanneer de Apostel de geloovigen heilige broeders noemt. Dat deze kinderen, al vertoonen zij in het opwassen niet de minste godzaligheid, echter als bondgenooten behandeld en hun de plichten en rechten des verbonds voorgehouden moeten worden, maar zij niet als geheel onbegenadigd behandeld mogen worden"
Hiertegenover sprak de Synode van 1846 uit:
„De vergadering oordeelt, dat alle kinderen dergenen, welke zich tot de gemeente gevoegd hebben, behooren gedoopt te worden, dat daardoor echter aan de kinderen geen inwendige heiligheid wordt meegedeeld en deze kinderen, wanneer zij in het opwassen geen blijken van godzaligheid vertoonen, als kinderen des toorns zonder onderscheid moeten behandeld worden."
Deze woorden — zoo voegt „De Wekker" er aan toe — worden door heel de Christ. Geref. Kerk omhelsd, zoodat 1846 dezelfde leer verdedigde als de tegenwoordige Christ. Geref. Kerk. In een ander artikel wijst „De Wekker" er op, dat in 1 Cor. 7: 14 geen sprake kan zijn van een subjectieve heiliging, maar dat hier duidelijk bedoeld wordt een objectieve heiliging n.l. van den man, die ongeloovig is, door de vrouw, die God vreest.
Als dus 1 Cor. 7: 14 spreekt van de kinderen dat zij heilig zijn en van den ongeloovigen man, dat hij geheiligd wordt, moet die heiliging niet voor den één (voor het kind) subjectief, onderwerpelijk en inwendig, genomen worden en voor den man objectief of voorwerpelijk; want dan geeft men aan 't zelfde woord tweeërlei beteekenis, om aan 't kind dan iets te geven waarop men geen recht heeft.
Maar „de Neo-Geref. richting heeft het er nu eenmaal op gezet", schrijft ,,De Wekker", „dat overal, waar de H. Schrift van het „heilig zijn" der kinderen spreekt, aan niets anders dan aan geestelijke vernieuwing is te denken. Dit is de sleutel bij de verklaring van elken tekst, die van deze heiliging gewaagt, en dus moet ook hier het „heilig zijn" der kinderen (1 Cor. 7 : 14) tot elken prijs op deze wijze verklaard".
Natuurlijk durft men niet te zeggen, dat de man daardoor inwendig heilig is geworden; maar wel de kinderen dan?
„Wie echter onbevooroordeeld dit tekstwoord leest, ziet aanstonds dat de Apostel zoowel voor het „geheiligd worden" van den ongeloovigen man als voor het „heilig zijn" der kinderen van dezelfde gedachte uitgaat, omdat het grondwoord beide malen hetzelfde is. Het is dezelfde gedachte en hetzelfde woord, dat wij vinden in Romeinen 11: 16, waar de Apostel van alle kinderen Israels, ondanks hun ongeloof en verharding zegt, dat ze „heilig" zijn. „En indien de eerstelingen heilig zijn, zoo ook het deeg; en indien de wortel heilig is, zoo ook de takken".
Prof. Bavinck heeft indertijd in zijn boek „Roeping en Wedergeboorte" een breede toelichting van 1 Cor. 7: 14 gegeven, bepaaldelijk over dat woord heilig — maar daarover de volgende week.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 maart 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 maart 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's