FINANCIËN
Postgiro 138421.
'k Zou nog eens even terugkomen op de Paaschcollecte, heb ik verleden week beloofd. Ik doe dat mede naar aanleiding van een brief dien ik ontving. Veel brieven krijg ik anders tegenwoordig niet.
Onlangs heb ik er nog eens één gehad over het vrouwenkiesrecht in de Kerk, of liever of het „volgens Gods Woord geoorloofd is, dat de vrouwen of zusters in de gemeente van Christus over een of andere zaak mogen spreken of stemmen?" Ja, dat is heel gemakkelijk en toch ook weer heel moeilijk. Menschen die meenen, dat je alle vragen met een bepaalden tekst uit den Bijbel kunt beantwoorden, zijn daar dadelijk mee klaar. „Dat uwe vrouwen in de Gemeenten zwijgen", staat er in 1 Corinthe 14: 34. Dus daarmee, zeggen zij dan, is het uit, daarmee is die vraag eens en voor goed beantwoord. Maar menschen, die meenen, dat alle teksten gezien moeten worden in het verband waarin zij staan en dat er meer gerekend moet worden met het beginsel waaruit zoo'n tekst opkwam onder bepaalde omstandigheden en in een bepaalden tijd, oordeelen daar vaak een beetje anders over. Zij meenen, dat het niet zoo gemakkelijk is, om van alle dingen zoo dadelijk maar te zeggen: het mag of het mag niet en dat zoo ook die kwestie van het „zwijgen der vrouwen" wel waard is om nog eens nader onderzocht te worden. Daarom lijkt het mij ook verstandig om deze vraag vooral maar niet in de rubriek „Financiën" te beantwoorden, ook al omdat ik daar maar liefst zoowel met de vrouwen als met de mannen en zoowel met de mannen als met de vrouwen goede vrienden blijf. En als ik zei: dat gebod van het zwijgen der vrouwen moet zoo absoluut mogelijk opgevat worden, dus onze vrouwkens hebben niets in te brengen als „leege briefjes", dan ben ik bang, dat ik het met het zwakkere geslacht aan den stok zou krijgen en dat er een heele boel zouden zijn, die mij voortaan als Penningmeester negeeren zouden — en dat zou ik voor geen geld van de wereld willen, hoor! — En als ik zei: dat gebod van het zwijgen der vrouwen, dat door Paulus in de eerste eeuw na Christus gegeven werd, is wat het beginsel betreft wel voor alle eeuwen van kracht, maar kan niet letterlijk op de omstandigheden en toestanden van onze twintigste eeuw worden overgebracht, dan ben ik bang dat de mannen me zouden aanpakken en zeggen: ze hebben waarlijk al genoeg te belasten en zoudt ge nu willen, dat wij straks heelemaal niets meer te zeggen zullen hebben?
Dus neen hoor, ik zeg er liever maar niks van. Dat hangijzer is me te heet om aan te pakken.
Ook heb ik onlangs nog eens een brifi gehad van een goeden vriend, in wiens omgeving een dominé met emeritaat zijn gemeente ging verlaten en die mij nu vroeg, of er geen kans zou zijn om die plaats met een ,,Bondsdominé" te bezetten? Hij zou dan uit zijn eigen gemeente wegloopen en bij dien Bondsbroeder gaan kerken. Ja, wat zal ik daar ook weer van zeggen? Ook al weer zoo'n vraag, die niet zoo gemakkelijk is. Immers of die vacature door een Bondsdominé vervuld zal worden, dat hangt natuurlijk, menschelijkerwijs gesproken, af van den Kerkeraad of van het Kiescollege.
Hoe denken die broeders daarover? En als zij er niet voor zijn, kunnen zij dan misschien op een of andere wijze overtuigd worden, dat zoo'n „Bondsdominé" nog zoo gek niet is als het door sommigen wel eens voorgesteld wordt? Ik ben persoonlijk in die betrokken gemeente totaal onbekend, dus kan ik daar niet over oordeelen. Het eenige wat ik onzen vriend kan aanraden is, dat hij maar eens met een paar broeders gaat praten, en dat hij b.v. begint met hun eens een paar proefnummers van „De Waarheidsvriend" te doen toezenden. Onze administrateur is, als hij de adressen maar weet, daartoe gaarne bereid. Wat echter dat wegloopen betreft, gesteld al dat er in die naburige gemeente eens een „Bondsdominé" kwam, daarmee dient onze vriend toch wel een beetje voorzichtig te zijn. Daar zouden al zeer gegronde redenen voor moeten zijn. Immers, het is niet toevallig en dus niet buiten Gods voorzienig bestel, dat onze vriend woont waar hij woont, en dat hij behoort tot die gemeente waartoe hij behoort. En het komt mij voor, dat hij met betrekking tot die gemeente ook een zekere roeping heeft, die hij niet willekeurig mag verwaarloozen door te gaan naar een naburige gemeente, waar hij het geestelijke brood misschien wat smakelijker vindt.
Laat onze vriend daarover nog maar eens nadenken en mij bij gelegenheid maar eens berichten, of hij van wegloopen van de plaats waar God ons gesteld heeft, wel ooit veel heil heeft gezien.
Maar laat ik nu eens komen tot den brief dien ik over de Paaschcollecte kreeg. Die was van een goeden vriend uit H. In dat schrijven stond 'n zeer behartigenswaardig advies betreffende de Paaschcollecte in gemeenten, waar deze niet in de kerk wordt gehouden. Op dat advies kom ik nog wel nader terug. Ik wil nu alleen de vraag maar even onder de oogen zien en die kwam hierop neer: Hoeveel jonge menschen zijn er nu eigenlijk die financieel uit het Studiefonds bij hunne studiën gesteund worden?
Als men straks in H. weer zou rondgaan om Paaschgiften te verzamelen, dan wilde deze vriend graag paraat zijn om, als hem dan die vraag eens zou voorgelegd worden, er een antwoord op te geven. Ik heb toen mijn boeken eens opgeslagen, want, eerlijk gezegd, wist ik er zoo ook maar geen antwoord op. Ik ben dus aan 't tellen gegaan, en wilt ge wel gelooven dat ik er haast van schrok? Vooral omdat het weer Maart is en ik dus in deze maand weer zal moeten zorgen, dat ik voor allemaal wat heb, begon ik mezelf af te vragen: maar hoe moet je dat klaar spelen? Immers onze vriend uit H. moet weten — en nu weten het tevens allen die de moeite nemen om mijn „Financiën" even in te zien — dat het er niet minder dan ..... 40 zijn. ja, precies 40 heb ik er op 't oogenblik op mijn lijstje staan. Dus reken nu zelf maar eens uit, wat ik noodig heb. Neen, zonder leentjebuur spelen kom ik er vast weer niet. Maar als ik het dan met Paschen maar wéér terug kan geven, ach, dan is er hier in 't Veen misschien nog wel de een of andere goede vriend, die het mij zoo lang wil voorschieten. Ik heb dus goede hoop, dat ik er van de 40 geen één zal behoeven terug te sturen, maar dan moet de Paaschcollecte het ook goed maken, hoor, want anders klop ik bij dien geldschieter van me straks ook aan doovemansdeur. En daarom kom ik ook nu weer met de — ik zou haast zeggen — historische vraag:
MAG DE PAASCHCOLLECTE VOOR ONZE FONDSEN ZIJN?
Maar kom, laat ik nu eerst eens kijken hoe het „laadje" er uit ziet. Nu, dat kon wel slechter, geloof ik. Toch zeker driemaal het bedrag van de vorige maal. Nee, daar kunt ge 't nog niet eens voor krijgen zelfs. Zie maar eens:
Z e g v e l d, 't Is weer 't begin van de maand. Dus het spreekt vanzelf, dat er dan wat bij is van vriend Bardelmeijer. Ditmaal bedroeg de Februari-inhoud van zijn busje ƒ 3.04,
Z e t t e n, van den heer F.J. van Stralen van N. N. en N. te Z. een gift van ƒ 25.—
S c h r a a r d. Dat is een naam dien we nog niet gewoon zijn, maar die ons daarom niet minder welkom is. Van ds. van Dorssen aldaar ontving ik een gift van ƒ 2.50 voor de Bondskas, en bovendien nog een gift van ƒ 2.50 — maar die is natuurlijk niet voor ons — voor de algemeene Radiokas. En nu krijgen we, geloof ik, verder allemaal spreekbeurten.
L a n g e r a k b e z. d e L e k. Spreekbeurt ds. Schimmel, van Ameide. Collecte ƒ 25.—.
G o u d a. Spreekbeurt ds. Remme, van Amsterdam. Collecte ƒ 21.27.
D e n H a m. Spreekbeurt ds. Meijers, van Hoogeveen. Collecte ƒ 35.37 1/2. Bovendien zond ds. Langhout mij uit zijn catechisatiebus een bedrag van ƒ 17.72 1/2.
H o e v e l a k e n. Spreekbeurt ds. Schirnm.el, van Ameide. Collecte ƒ 47.05.
B a r n e v e l d. Spreekbeurt ds. Rappard, van Dinteloord. Collecte ƒ 72.—. De dankoffers voor den nieuwen dominé uit Utrecht bewaren zij daar zeker voor de Paaschcollecte? Of krijgen we misschien nog een extraatje op den intreedag?
M a a s s l u i s. Spreekbeurt ds. Ottevanger, van Papendrecht. Collecte ƒ 35.68.
L e x m o n d. Spreekbeurt ds. Mulder, van Voorthuizen. Collecte ƒ 23.25. En nu komt het breedste nog achteraan. Ik dacht ook alweer: waar blijven de Ouderkerkers? Vroeger kon je er met ijs haast niet vandaan, maar tegenwoordig is dat toch anders en beter geworden. Vanmorgen was er dan ook een girobiljet bij uit
O u d e r k e r k a.d. IJ s e l, afgezonden door ds. Enkelaar, met een bedrag van
HONDERD EN ACHT GULDEN EN VIJF EN NEGENTIG CENTS (ƒ 108.95),
zijnde de collecte bij een spreekbeurt die vervuld werd door ds. Lammerink van Delft. Ja, dat Ouderkerk blijkt nog zoo kwaad niet te zijn. Eén keer zijn zij eens geweldig boos op mij geweest. Ik denk dal ik toen geen 108 centen gekregen zou hebben. Maar dat schijnen zij nu lang vergeten te zijn. Ach ja, vergeven én vergeten, daar moet ons leven, als het wél is, vol van zijn. Maar nu kan ik er weer een punt achter zetten, 'k Kan er ook weer best tevreden mee zijn. Immers, alles saamgenomen kom ik weer aan een bedrag van
ƒ 411.84
waarvoor ik weer mijn hartelijken dank breng aan allen die er toe hebben medegewerkt.
De Penningmeester, ds. M. JONGEBREUR
Veenendaal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 maart 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 maart 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's