De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vindt het beginsel van de  Vegetariërs ook steun  in de Heilige Schrift?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vindt het beginsel van de Vegetariërs ook steun in de Heilige Schrift?

8 minuten leestijd

Inzonderheid gedurende de laatste eeuwen, nu het geloof aan het Woord Gods meer dan ooit verworpen werd door breede scharen, zien we 't merkwaardig verschijnsel, dat er allerlei theorieën worden uitgedacht met min of meer religieusen achtergrond, waardoor men de leegte tracht weg te nemen in de zielen der menschen, die van de oude paden van Gods Woord niet meer weten willen. Al die theorieën geven het doorslaand bewijs, dat de mensch toch eigenlijk zonder religie niet leven kan.
Het vegetarisme is één dier beginselen, hetwelk met grooten ijver aanhangers tracht te winnen. Ik veronderstel, dat alle lezers zullen weten, wat onder dit beginsel te verstaan is. De vegetariërs verbieden het gebruik van vleesch en visch; ja, degenen die het beginsel streng doorvoeren, weigeren alle dierlijk voedsel. Ze beroepen zich op het oordeel van sommige medici, die zeggen dat het gebruik van vleesch niet alleen overbodig, maar zelfs schadelijk voor de gezondheid van het menschelijk organisme is.
We willen over dit punt geen discussie voeren. Het gebruik van te veel vleesch moge een nadeeligen invloed op het lichaam kunnen uitoefenen, van een matig gebruik hebben we tot hiertoe niets anders dan groot nut kunnen bespeuren.
Maar de vegetariër komt met krachtiger argumenten, die tot ons gevoel spreken. In een mij toegezonden circulaire riepen vegetariërs ook de predikanten op om toch vegetariër te worden, èn om daarmee een eind te maken aan het lijden der slachtdieren in de abattoirs èn om de verwildering der zeden tegen te gaan in de groote exportslachterijen.
We willen onmiddellijk gaarne toegeven, dat het feit, dat een beest geslacht wordt, op zichzelf iets pijnlijks is. Ik denk, dat er maar weinige lezers genoegen in zouden hebben om een koe den hals te zien afsnijden. Dat de arbeid van hem, die op het abattoir eener groote stad dagelijks honderden beesten doet vallen, niet erg veredelend is, geven we gaarne toe.
Nochtans kan het vegetarisme in de H. Schrift geen steun vinden. De Schrift geeft juist aan den mensch het recht om het vleesch der dieren te nemen en te eten. We moeten in dezen weg niet den schijn aannemen dat we barmhartiger tegenover de dierenwereld zouden zijn dan de Schepper aller dingen zelf. Immers in het hoofdstuk, waarin de Heere het uitspreekt dat het vleesch der dieren den mensch tot spijs gegeven worde, is wel degelijk met de dierenbescherming rekening gehouden.
Het hoofdstuk, hetwelk we bedoelen, is Genesis 9. In dit 9de hoofdstuk komt de Heere nieuwe ordeningen uit te spreken voor Noach en zijn nakomelingen. Na den zondvloed kwamen er andere levensverhoudingen. Er breekt voor de menschheid na den zondvloed als 't ware een nieuwe levensperiode aan, die natuurlijk wel voortkomt uit den oorspronkelijken bestaansvorm der aardsche schepping, maar er toch ook wel aanmerkelijk van verschilt.
Onder meer kwam ook het leven der beesten tot dat der menschen in andere verhoudingen te staan. In het paradijs was er een vredig samenzijn tusschen mensch en dier. Zoo innig was die levensverhouding, dat de mensch uit het gehinnik der paarden, uit het balken van den ezel, uit het geblaat der kudde kon vertolken wat er leefde in de dierenziel. In de voor ons vaak stomme klanken der dierenwereld hoorde de mensch de openbaring van wat er in hun binnenste omging.
Aan dat vredig samenzijn kwam door de overtreding van het proefgebod reeds een einde. In Genesis 3 vers 15 vinden we reeds den vloek over de slang uitgesproken. Er was voortaan een breuk tusschen de menschheid en de dierenwereld, die steeds verder doorwerkte. Indien de Heere de dierenwereld zich had laten ontwikkelen als de menschheid, zonder haar macht te breidelen, dan zou de menschheid al spoedig voor de dieren der aarde het onderspit hebben moeten delven.
Om nu echter het dier vrees aan te jagen, gaf de Heere de dierenwereld over in de hand van den mensch, opdat de mensch alzoo heerschappij over de dieren zoude hebben. Lag de roeping tot heerschappij van den mensch over de dieren in de schepping zelf gegrond, Gods gebod aan Noach wijzigt haar slechts om haar te kunnen handhaven en geeft den mensch het recht om de dieren met geweld te dwingen en te tuchtigen. Maar die roeping tot heerschappij sluit dan ook als vanzelf in dat de mensch voor zijn dier te zorgen heeft.
De vele processen wegens dierenmishandeling bewijzen, hoe droevig de verhouding tusschen mensch en dier geworden is. O, wat al vloeken stijgen er op, als menige baas of knecht zijn grimmig hart wil koelen aan het dier. De Heere gaf evenwel niet slechts heerschappij over de dieren des velds. Hij gaf ook het recht om ze te dooden en te eten. Lees slechts in Genesis 9 vers 3: Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijs. Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid. Is er één uitspraak des bijbels die alle beroep van den vegetariër op den bijbel afsnijdt, dan is 't wel deze tekst. De scheppingsordening, waarbij den mensch de boomvruchten en 't zaadzaaiende kruid was ten eten gegeven, was dus gewijzigd. Het is best mogelijk, dat de menschen vóór den zondvloed ook al vleesch hebben gegeten, maar naar goddelijk recht kon dat in elk geval niet zijn.
In dit licht bezien, dat het 's Heeren wil was dat de mensch ook het vleesch der dieren zou eten, behoeft het ons niet te verwonderen, dat de apostel Paulus aan Timotheüs schrijft: „Want alle schepsel Gods is goed en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde"; en in het vers daarvoor schrijft hij kras tegen dege­nen, die geboden om zich van bepaalde spijzen te onthouden. Doordat de Heere den mensch het recht gaf om het dier te dooden, is ook het gevaar afgewend dat die dierenwereld, die zich meer en sneller vermenigvuldigt dan de mensch, over de menschheid zou kunnen triumfeeren.
Willekeur en wreedheid en dierenmishandeling bij het dooden van het dier, worden ten zeerste door Gods Woord verboden. In vers 4 van het zelfde hoofdstuk toch luidt het: Doch het vleesch met zijne ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten. Degenen, die Gods Woord buiten alle verband lezen, meenen hierin een verbod te vinden waarbij het gebruik van spijzen, b.v. worst met bloed vermengd, zou verboden worden. In deze woorden vinden we echter slechts den eisch van eerbiediging ook van het dierlijke leven. De Heere wil, dat alle levensuitingen zullen zijn geweken, voordat het vleesch zal worden gegeten. Terwijl het nog leeft, mag het niet geroosterd of gebraden worden. Het moet goed uitbloeden, totdat het lillen van het vleesch een einde zal nemen. Is eenmaal het bloed koud geworden en zijn dus de levenskiemen daaraan ontvloden, dan is er niet het minste bezwaar dat ook het bloed zou worden gegeten.
Er is dus in Gods Woord een schoone ordening gegeven om aan alle wreedheid bij het dooden van het dier paal en perk te stellen. In dit verband is het goed ook uwe aandacht nog even te vragen voor 1 Cor. 3 vers 13. Ook op deze plaats hebben sommige vegetariërs zich beroepen. „Daarom indien de spijs mijnen broeder ergert, zoo zal ik in der eeuwigheid geen vleesch eten, opdat ik mijnen broeder niet ergere". Het beroep op deze Schriftuurplaats mist allen grond en geeft getuigenis van groote onkunde.
Het geldt hier een speciaal geval. Het vleesch, wat Paulus hier om der zwakken wil weigert te eten, was vieesch van een afgodenoffer. In den Griekschen afgodendienst speelde het dieroffer een groote rol. Alleen in den dienst van Aphrodite werden ook onbloedige offers gebracht. Niet het geheele geslachte dier werd ter eere van den afgod verbrand. Slechts een deel. De rest werd aan de feestmalen gebruikt of was voor de priesters. Het was natuurlijk mogelijk, dat ook een Christen, in het huis van een heiden etend, ook vleesch nuttigde, wat bij een offermaaltijd op afgodische wijze was gewijd. Ook de priesters, die een deel van het offer voor zichzelf mochten opeischen, verkochten vaak het vleesch aan handelaars, die het op hun beurt weer aan de klanten verkochten.
Men kan nu gemakkelijk begrijpen, dat sommigen consciëntiebezwaren hadden om zulk vleesch te eten. De apostel begint nu met te erkennen, dat een afgod niets is, omdat er maar één ware God is. Maar als een afgod niets is, dan beteekenen ook al die afgodische handelingen bij den offerdienst niets. Of de afgodspriesters al om het offer hadden gedanst, of ze het met hunne zangen hunnen afgod hadden gewijd, het vleesch was er niet minder om. Nu zijn er echter zwakken, die een consciëntie des afgods hebben, d.w.z. volgens de kantteekening „die meenen, dat een afgod wel wat is en macht heeft om het vleesch te bezoedelen". Die zwakken konden nu een aanstoot nemen, zoo een Christen van dat offervleesch zou eten. Hun hart mocht eens geloof hechten aan de fabelen der afgoden. En daarom, ziende op die gevaren, uit liefde tot de zwakken gedrongen, spreekt hij het uit, dat hij liever in der eeuwigheid geen vieesch (n.l. vleesch van een afgodenoffer) zou eten, zoo hij daardoor zijnen broeder zou ergeren.
Moge uit 't bovenstaande voldoende zijn gebleken, dat het standpunt van de vege tariërs in de Schrift geen steun vindt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Vindt het beginsel van de  Vegetariërs ook steun  in de Heilige Schrift?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's