De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW.

11 minuten leestijd

Wat is Ethisch?
Als we op die vraag nog eens een kort, bondig, duidelijk, waar antwoord konden geven, wat zouden we dan een heel stuk verder kunnen komen in het midden van ons kerkelijk-theologisch leven. Maar helaas! dat antwoord is nog steeds niet gevonden. Ook van de Ethischen is het nog niet gekomen. En prof. Valeton in Utrecht heeft ons al geleerd, dat hier ieder van de Ethischen voor zichzelf moet spreken, dewijl niemand voor een ander kan zeggen, wat Ethisch is. Zooveel Ethischen, zooveel omschrijvingen en verklaringen. Waarbij de oudere Ethischen als prof. Gunning — „de profeet" geheeten onder de studenten — en de jongeren als prof. Valeton van Utrecht, ds. Gerritsen van Den Haag, prof. Cramer van Utrecht, weer een groot verschil opleveren. Beets, Doedes, Van Oosterzee en Valeton Jr., Cramer, Gerritsen, Van der Flier Jr. en anderen laten of lieten niet zelden een verschillend geluid hooren.
Daarom sticht dat woord Ethisch dikwijls groote verwarring. En een ethisch predikant zei ons kort geleden nog: konden we dat ongelukkige woord Ethisch maar uit de wereld helpen! Ongelukkig woord. Waarom? Eenvoudig hierom, dewijl het woord „Ethisch" onder ons volstrekt niet aanduidt wat men eigenlijk bedoelt. Met een „ethisch" dominé, een „ethische" prediking, „ethische" theologie, enz. bedoelt men doorgaans héél iets anders dan het woord „Ethisch" eigenlijk bedoelt te zeggen en aan te duiden.
Het woord Ethisch is op zich zelf een mooi woord en in de theologie wel op haar plaats. Maar dan moet men 't nemen, zooals het alleen maar genomen mag worden, doch helaas! zelden genomen wordt. Want „ethisch" staat tegenover „intellectualistisch". Als men in de theologie, in de Kerk, in de prediking de dingen gaat nemen als louter rakende het verstand, als een zaak van het hoofd; dus als een zaak van „na-praten" en met de lippen „be-amen", zonder meer, dan moet daartegen protest en verzet komen en dan moet worden gezegd, dat de waarheid „ethisch" moet worden verstaan. Dan is 't tijd, dat nadruk gelegd wordt op het innerlijk leven, op het hart, op de persoonlijkheid, op het zedelijk, handelende leven. Als het geloof een dood historisch geloof van woorden, enkel woorden, wordt, dan moet verzet komen en protest worden gehoord en dan moet gezegd worden, dat het gaat om het levend, innerlijk, geestelijk, waar zaligmakend geloof des harten. Als het wordt een prediken van een doode, vormelijke leer, zonder meer, dan moet gewezen worden op het allernoodzakelijkste van het gelooven met het hart en het geloofs leven, rakende en omvattende de kern der persoonlijkheid. De mensch moet er niet buiten staan en buiten blijven staan, als rammelend geraamte, maar moet er in leven, hartelijk en geestelijk en vertrouwend, Jezus Christus kennend ten leven en tot zaligheid; z'n geloof belijdend in woord en daad.
In een tijd van rationalisme, van intellectualisme, van „zedeprekerij", waaruit de doodslucht u tegenkomt, voor brave Hendrikken geknipt op maat, moet het protest uitgaan van allen, die door genade iets anders geleerd hebben en in de prediking moet gehoord worden wat het is, om door Gods gunst te mogen zeggen: ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.
Geloof en wedergeboorte. Geest en leven — dat verkondigt een echte „ethische" prediking. Zooals Luther, zooals Calvijn ons geleerd hebben; zooals onze Gereformeerde theologen, zooals onze Gereformeerde prediking dat wil.
Gereformeerde theologen kunnen dan ook gerust spreken van het ,,ethisch" element in de prediking. En onze Catechismus — gelijk onze Bijbel — is vol van ,,ethische" prediking. Heel de mensch wordt opgeroepen, opgeëischt, om God lief te hebben met geheel het verstand, met geheel de ziel, met alle krachten. En waar is de Gereformeerde prediking, die leert, dat het genoeg is voor den mensch, om maar wat formules af te raffelen, of wat dogma's op te zeggen, of wat leeringen met de lippen te beamen — zonder dat er ook maar gerept wordt dan van „gelooven met het hart en belijden met den mond"?
Waar is de Gereformeerde prediking, die zóó de dingen op z'n kop zet, die zóó de dingen uit elkaar rukt, die zóó de dingen maakt tot een rammelend karkas van verdorde beenderen, zonder vleesch en bloed en geest en leven?
De Gereformeerde theologie is „ethisch", is grijpend naar het innerlijk leven, naar de kern der persoonlijkheid, om te spreken van het zedelijke, handelende leven onder de geloovigen. Geest en leven. Daarom is dat woord Ethisch, zooals 't nu door bepaalde theologen, en kringen van dominé's gebruikt wordt, valsch, en werkt het verwarrend.
Bedoelde men maar alleen — en dat juist — dat het niet genoeg is om leerstellingen te beamen en na te praten met den mond, terwijl het harte verre is; dat het niet genoeg is, de dingen te belijden met de lippen en terwijl men de dingen niet van binnen gelooft en bezit; dat het niet genoeg is, de dingen na te zeggen, terwijl men verder de dingen stil en ongebruikt laat liggen. — dan konden we samengaan en zeggen: wij zijn als broeders één.
Want waar is de Gereformeerde theologie, waar is de Gereformeerde prediking, die het anders wil en anders voorstelt in het midden van Gods gemeente?
Was dus Ethisch maar Ethisch — dan konden we opschieten. „Gelooven met het hart en belijden met den mond". Dat is immers een van de eerste dingen van onze Gereformeerde Confessie? Onze Catechismus is er vol van. De Schrift leert ons nooit anders. De Gereformeerde theologie beaamt het, de Gereformeerde prediking spreekt niet anders. Was dus Ethisch maar Ethisch — dan kwam 't wel goed. Maar als de Ethischen zich Ethisch noemen tegenover de Gereformeerden, tegenover de Confessioneelen — om die kerkelijk-theologische namen van den dag maar even te noemen — dan is het in onze dagen misleidend en werkt het verwarrend.
Het is ook een beleediging aan 't adres van genoemde richtingen in het midden van onze Hervormde Kerk, alsof deze niet ethisch waren en dus zich om het leven niet bekommeren en alleen maar wat mauwen van de leer. Wij, voor ons, voelen dat van de Ethischen altijd als een beleediging, als een krenking, als een onwaarachtig verwijt, dat ons niet zelden pijn doet. Wij zijn geen mannen van de lippen-taal alleen, met verwaarloozing, met verachting van het geloof des harten en het leven des geloofs.
Het woord Ethisch, zooals het nu in zekere kringen gebruikt wordt, moest men opbergen en men moest het niet in z'n vaandel zetten, om er mee te zwaaien in „ethische" prediking, „ethische" vereeniging, „ethische" theologie, enz. enz. Het komt aan de zich noemende Ethischen niet toe, om zóó beslag te leggen op 't woord „ethisch" en zóó met dat woord „ethisch" te werken. Ons christelijk geloof, naar Gereformeerde opvatting en voorsteling, is geest en leven. „Gelooven met het hart en belijden met den mond", zegt Artikel 1 van de Ned. Geloofsbelijdenis. Wij zijn minstens zoo goed „ethisch" als de Ethischen maar dur­ven denken. Doch in den kring van de Ethischen gaat het in feite om gansch andere dingen. En dat moesten ze eerlijk zeggen; maar zich dan niet Ethischen noemend. Want het woord Ethisch dekt de lading nu niet. Zeggende, dat het gaat om geest en leven, om het echte, ware, levende geloof en om het beleven van wat men belijdt — leeren de Ethischen in feite nog gansch andere dingen en staan gansch andere dingen én theologisch èn kerkelijk voor. En die an­dere dingen hebben de overhand juist.
Ze zeggen: de belijdenis moet leven; belijdenis en leven, moet niet alleen zaak van het hoofd zijn, moet niet alleen in woorden bestaan. Maar ze bedoelen dan tegelijk nog iets anders. Onder de Ethischen is het er dan om te doen het Schriftgeloof van de Gereformeerden te veroordeelen en de kerkelijke geloofsbelijdenis in niet onbelangrijke dingen aan te vallen en los te laten.
Ze bedoelen, dus niet alleen, te zeggen: het moet gaan om de leer èn om het leven; om gelooven en belijden. Maar ze willen dan van de leer in vele dingen afdoen; ze willen de kerkelijke belijdenis in vele dingen beknotten en vervormen.
En waarom? Omdat „de geloovige gemeente"iets anders ervaart en beleeft en gelooft. „De geloovige gemeente" is de autoriteit bij de Ethischen.­ Niet de Bijbel. Niet de kerkelijke belijdenis. Neen, „de geloovige gemeente". Die zal het toch wel weten! Want het gaat om het leven en niet om de leer; en „de geloovige gemeente" leeft en dat leven is het ware, in vele dingen dan getuigend, dat dit in den Bijbel niet waar is en dat dat in de H. Schrift moet worden losgelaten en dat o, zoo veel! in de kerkelijke belijdenisschriften niet is naar „het levend geloof van de geloovige gemeente" en dus: verwerpelijk!
Onder het juk van „de geloovige gemeente" moeten we door! Als „de geloovige gemeente" uitmaakt, dat Jezus niet ontvangen is van den Heiligen Geest en geboren uit de maagd Maria, dan moet het uit den Bijbel geschrapt en het moet uit onze Apostolische geloofsbelijdenis weg en in onze dogmatiek mag het niet blijven staan. Dat is Ethisch, zooals de Ethischen het willen. Het leven gaat boven de leer. En „de geloovige gemeente" weet het wel! „De vrome, de bekeerde mensch met autoriteit bekleed", dat is Ethisch, zooals de Ethischen het willen.
En als de Gereformeerden komen om te zeggen dat het geloof van de geloovige gemeente een Schriftuurlijk geloof moet zijn; om te midden van allerlei „nieuwe religies" de gemeente telkens terug te roepen tot de Schriften — dan zeggen de Ethischen, dat zulks veel te veel dor, dogmatisch, leerstellig, uitwendig is. Als de Gereformeerden zeggen, dat wij, christenen, hebben te gelooven alles wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft —  zooals onze Catechismus ons dat voorhoudt — en waarschuwt voor het mengelmoes van allerlei „meeningen" en „stemmingen" en „ideeën", waarmee ook „geloovige" menschen telkens komen aandragen, dan zeggen de Ethischen dat zulks veel te uitwendig en te intellectualistisch is.
Onder ouderen en jongeren dreigen hier vele en groote gevaren. De Schriften kent men dikwijls niet. Bijbel-vast is men vaak niet, maar „dat de Bijbel niet waar is dikwijls", „dat de Bijbel in vele dingen niet te vertrouwen is", dat „de Bijbel de dingen dikwijls heel anders voorstelt dan werkelijkheid is", dat weet men wel. En dat hebben niet zelden mee de Ethischen hen geleerd! Men gaat er zelfs niet weinig trotsch op onder de Ethischen. 
Daarom zeggen wij met des te meer ernst tot ouderen en jongeren, dat ons christelijk geloof Schriftuurlijk moet zijn. Dat we Bij bel-vast moeten wezen. Dat onze belijdenis, ook onze kerkelijke belijdenis, Schriftuurlijk moet zijn. Niet om dan in te slapen, maar om te spreken van „gelooven met het hart en belijden met den mond". ' Want Gereformeerden hebben een dogmatiek, en zij schamen er zich niet voor. Maar Gereformeerden hebben ook een ethiek. Maar een ethiek, die beheerscht wordt door hun dogmatiek, omdat de Gereformeerde levens- en wereldbeschouwing ten nauwste verband houdt met, vast zit aan, geput is uit en leeft bij de Schriften. „Uw Woord is een lamp voor onzen voet, een licht op ons pad" — zeggen de Gereformeerden; en we hebben het profetisch Woord, dat zeer vast is en dat onder ons verkondigd wordt. Dat zeggen we tegenover de Lutherschen, tegenover de Roomschen, tegenover de Remonstranten, ook tegenover de Ethischen.
Leefde de Heiland bij de Schriften, leefde Paulus bij de Schriften, leefde Petrus bij de Schriften, leefde de eerste christengemeente bij de Schriften, — bij de Schriften des Ouden Testaments en later bij de Schriften van Oud- en Nieuw Testament, — wij wenschen niet anders dan bij die Schriften te leven, èn onze belijdenis èn ons geloof daarnaar richtend. En dan niet alleen de leer, niet alleen leerstellingen met de lippen, niet alleen napraten met den mond als genoeg voor tijd en eeuwigheid aanprijzend. Maar bij de Schriftuurlijke belijdenis een godzalig leven. Bij de dogmatiek de ethiek.
Gelooven met het hart en belijden met den mond, naar de Schriften; welke Schriften wij tot nog toe meer vertrouwen dan „de geloovige gemeente", ook al is die „geloovige gemeente" een gemeente, die zich „Ethisch" noemt.
Hier ligt het criterium; het punt van onderscheiding en beslissing: de Gereformeerden willen de Schriften bekleed zien met autoriteit en nemen den Bijbel met een geloovig hart aan als Gods Woord — de Ethischen dwepen met „de geloovige gemeente", die niet zelden héél wat af doet van de Schriften, en heel wat schrappen wil van de kerkelijke belijdenisschriften, om „de vrijheid van een christenmensch" zóó op te voeren, dat hij onder en boven de wet komt te staan en vrij is om, met zelfbeschikkingsrecht, uit te maken, wat waar en wat niet waar is; niet zelden sarcastisch, pijnlijk scherp sprekend over het Schiftgeloof van de Gereformeerden als een verwerpelijk geloof.
Maar ook hier geldt: „Tot de Wet en de Getuigenis, zoo zij niet spreken naar Gods Woord, zij zullen geen dageraad hebben". Dat geldt voor óns, maar óók voor de Ethischen! Wij hebben de Schriften om die te gelooven. Te gelooven met het hart, te belijden met den mond. — Dat geldt voor héél de Christenheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 maart 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 maart 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's