FEUILLETON.
Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN door IDSARDI.
48)
Als een loopend vuurtje is het toen door het dorp gegaan, dat Jasper dronken geweest was, en 't scheelde maar weinig of de veldwachter was er nog bij te pas gekomen, die echter om begrijpelijke redenen de zaak maar liefst blauw blauw liet. Bij de eerste de beste ontmoeting van Jasper en Griet moest hij evenwel een verklaring afleggen. „Of 't waar was dat hij dronken was geweest".
En toen moest het groote woord er uit. Maar toen was Griet ook beslist geweest. Een fijnen man wilde zij niet hebben, maar een dronken man nog minder. En als zij tusschen die twee kiezen moest, dan koos zij nog den eerste. Maar zij behoefde niet te kiezen. Noch den één, noch dan ander. D'r waren gelukkig nog wel anderen. Zij dankte er voor, haar jonge leven te ver slingeren aan een boemelaar. 't Paste wel aardig bij elkaar: Zondags naar de kerk, en een dag of wat later dronken thuis komen. Nu kon zij meteen zien, hoeveel hij om haar gaf en wat zijn mooie beloften beteekenden.
't Baatte Jasper niet of hij al zeggen ging hoe 't hem speet en hoe hij daartoe gekomen was. Dat hij naar de herberg was gegaan om zijn zinnen te verzetten en van die onrust daarbinnen te worden bevrijd. Hij mocht immers niet meer mijmeren; daarom had hij zich met geweld willen losmaken van alle macht, die hem ten goede wilde zijn, zonder te vragen wat het einde daarvan worden zou.
Maar toen was Griet venijnig geworden. Met vuur in haar oogen heeft zij toen gezegd: „je wilt er dus mij de schuld van geven, dat je voor schandaal over de straat geloopen hebt? Nu nog mooier! — maar weet je wat? 't Is vanaf heden uit tusschen ons. Dan kan jou zuipen zooveel je wilt, of naar de kerk gaan, zoo vaak je lust, en ik doe, wat ik wil!"
,,Griet, Griet" — heeft Jasper nog gezegd — „moet het nu zoo?"
Doch haar beslist antwoord is geweest: ja, zóó, en niet anders!
Ja, zóó, en niet anders! En hij wist te goed, dat wanneer zij zoo sprak, dan was 't uit.
Daarop is hij bedroefd heengegaan. Wat zou hij nu? Weer naar „de Groene Weide"? Om zijn leed te verdrinken? Of naar de kerk? Zuipen of psalmzingen, zooals Griet gezegd had.
Toen is thuis voor hem de strijd eerst ook begonnen. Moeder was het volkomen eens met Griet en had voor de toekomst zulke groote verwachtingen. Zij droomde Jasper al op een eigen boerderij met flinke stallen en een mooi beslag vee, als hij eens erfgenaam werd van alles wat hare ouders bezaten, en nu opeens alles aan kant. Hij leek wel mal. Zóó zijn fortuin weg te gooien! Wat zou er van hem terecht komen als hij zoo dóór ging? Nu ging een ander er mee vandoor. Vanzelf, zoo'n knappe meid bleef niet over. Andere jongelui zouden zich hierin vermaken, 't Was velen al leed, dat Jasper verkeering met haar had, want zoo ging 't nu eenmaal in de wereld. Men kon niet hebben dat iemand vooruit ging of wat omhoog scharrelde, 't Was al ongelukkig voor de ouders, zulke kinderen te hebben.
Maar moeder begreep niet, wat er omging in zijn verborgen leven. Dit stond echter bij hem vast: hij moest uit deze omgeving weg. Hij moest naar 'n geheel vreemde plaats, met geheel vreemde menschen en geheel andere toestanden. Waar niemand hem kende. Waar hij doen kon wat hij wilde. Waar een geheel nieuw leven kon worden begonnen. Waar men óók niets wist van zijn strijd, en waar hij zou trachten te komen tot de rust, die hij zocht.
Zoo is hij indertijd als knecht bij Rijpkema op Zorgvliet gekomen. „Of hij ook naar kerk ging" — had men hem bij het verhuren gevraagd, en toen heeft hij eerlijk gezegd, dat hij dit tot nog toe niet veel gedaan had, omdat hij zoo niet was opgebracht, maar dat het zijn vaste voornemen was dit hier getrouw te doen.
En hij heeft woord gehouden. Meer dan dat, hij heeft hier gevonden wat hij zocht. In de eerste plaats is hij daarom veel verschuldigd aan den boer en zijn vrouw. Zij merkten heel spoedig wat er in hem omging en hoe hij zoekende was. Hoe eerbiedig zat hij onder het gebed en bij de lezing van het Woord, 't Was iets geheel nieuws voor hem, maar het deed zoo weldadig aan. 't Gaf zoo'n gevoel van voldaanheid en van rust. In stilheid deed hij den arbeid, om op den rustdag met heel de familie op te gaan naar het huis Gods en daar aandachtig te luisteren naar de verkondiging der Waarheid, 't Was nog onder den voorganger van dominé Randwijk, die zeer leerstellig preekte, doch overeenkomstig de Schriften, al tintelde preek en voordracht nu juist niet van heilig vuur.
Hier leerde Jasper den heilsweg kennen, volgens de belijdenis der kerk. Eerst de ellende, dan de verlossing, dan de dankbaarheid. Hier werd hem de heilsorde Gods duidelijk, met hare roeping, rechtvaardigmaking en heiligmaking. Hier mocht hij af en toe iets ervaren van de vertroostingen Gods, al kwam het bij hem niet aanstonds tot de doorbreking en de aanvaarding voor eigen hart van de verlossing die in Christus is. Als Jasper daarvan vertelt, zegt hij wel eens met die andere dichtregelen:
Het ging mij als Jeruzalems dochters weleer,
Ik weende om de pijn van mijn lijdenden Heer,
Ik dacht er niet aan dat ik zelf, door mijn schuld
Zijn kroon had gevlochten. Zijn beker gevuld.
Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt,
Toen werd in mijn ziele de vreeze gewekt,
Ik zag toen wat eischen Gods heiligheid deed
Toen werd al mijn deugd 'n wegwerpelijk kleed
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 maart 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 maart 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's