MEDITATIE
Opstanding
Indien nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de dooden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding der dooden is. En indien er geen opstanding der dooden is, zoo is Christus ook niet opgewekt; En indien Christus niet opgewekt is, zoo is onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof; En zoo worden wij ook bevonden valsche getuigen Gods; want wij hebben van God getuigd, dat Hij Christus opgewekt heeft: dien Hij niet heeft opgewekt, zoo namelijk de dooden niet opgewekt worden. Want indien de dooden niet opgewekt worden, zoo is ook Christus niet opgewekt; En indien Christus niet opgewekt is, zoo is uw geloof tevergeefs, zoo zijt gij nog in uw zonden. Zoo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn.1 Cor. 15 vers 12 - 18.
Ten allen tijde is het feit der opstanding weersproken in de geschiedenis der menschheid. Zelfs ook in Israël, waar het geloof in de opstanding leefde, was een secte der Sadduceën, die zich kenmerkte door verzet tegen het opstandingsgeloof, waaruit evenzeer blijkt, dat anderen daaraan vasthielden, anders toch kon er geen geschil op dit punt zijn. Hoe ook zou men de profetie van Ezechiël over de doodsbeenderen hebben kunnen verstaan, indien men in Israël niet aan de opstanding had gedacht en geloofd. Ondanks de prediking van den Verrezene bleef het geschil voortleven, niet alleen in den tijd der apostelen, zooals blijkt uit het bovenaangehaalde Schriftwoord, maar ook na dien, zooals wij dat bij ervaring weten. Ja, in naam van de wetenschap wordt veelal, maar toch steeds ten onrechte, het feit der opstanding des Heeren geloochend of onmogelijk geacht. Immers ofschoon de wetenschap nimmer de opstanding als wetenschappelijk feit heeft geconstateerd, zij zelve zal bereid zijn, zoodra dit geconstateerd wordt, het feit te aanvaarden. Doch uit het niet constateeren valt toch inderdaad niet te besluiten, dat het nooit zal geschieden, dat de opstanding onweersprekelijk zal worden waargenomen. Het ongeloof kan op de wetenschap niet steunen, doch kan veeleer bedachtzaamheid van haar leeren, aangezien het geheim des levens aan haar oog ontgaat en zij zoo weinig kennis vermocht te veroveren omtrent het wezen der materie en van de natuur van den mensch, dat zij hier heeft te zwijgen, instede van een negatie der opstanding uit te spreken.
De apostel waagt zich voor een oogenblik onder de tegensprekers: „Hoe zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding der dooden is? Indien er geen opstanding der dooden is, zoo is Christus ook niet opgewekt". Deze conclusie wijst er op, dat hij spreekt tot Christenen, dus die de verrijzenis des Heeren belijden. En het diepste levensbelang is er mede gemoeid, want als er geen opstanding der dooden is, dan is Christus niet verrezen uit het graf en dan is hun geloof ijdel. De Schrift wijst dus op een verband, dat door het naïef geloof, ook in de gemeente van onze dagen, veelal geheel wordt vergeten of verkeerd gelegd. Maar al te vaak wordt de opstanding des Heeren als een klank genoemd, zonder besef van de fundamenteele beteekenis, die daaraan is verbonden, zoodat gansch het werk der verlossing daarmee staat of valt.
Het kan zelfs gebeuren, zooals ook de H. Schrift hier bewijst, dat men bij de belijdenis van den Verrezene, omtrent eigen opstanding weinig zekerheid koestert, en net zelden treft men het oordeel in de gemeente, dat degenen, die van Christus zijn, zullen worden opgewekt, omdat Hij is opgestaan. Dan wordt er dus wel verband gelegd tusschen des Heeren opstanding en die der Zijnen, doch in anderen zin.
Dit nu wordt door de Schrift hier rechtgezet. Bij monde van den apostel leert zij, dat de opstanding der dooden aan allen ten deel valt. Gelijk er geen vleesch is, dat den dood niet zien zal, zoomin ontkomt iemand aan de opstanding der dooden, behoudens dan het geslacht, dat leeft in den dag van 's Heeren wederkomst, wijl dat niet gestorven is, doch dat sluit niet uit, dat zij ook naar het lichaam veranderen zullen. Wij kunnen wel niet zeggen, dat de opstanding tot de natuur van den mensch behoort, zooals wij nader hopen aan te toonen, want de opstanding is ingekomen, omdat de dood is doorgegaan tot alle menschen. Ook de dood is vreemd aan den rechten staat, waarin de mensch werd geschapen. Maar toch hangt de opstanding saam met den aanleg van den beelddrager Gods, wijl hij voor de eeuwigheid door zijn Schepper is voortgebracht en dus met zijn eeuwigheidsbestemming. Geschapen met lichaam en ziel en in 't licht zijner eeuwige bestemming is de mensch naar die beide onsterfelijk. Ware de menschheid derhalve blijven staan in den adel van haar schepping en waren zonde en oordeel niet met verwoesting en dood opgetreden, dan zou dat lichaam ongetwijfeld ook veranderingen hebben ondergaan, het zou de gaven en hoedanigheden van het opstandingslichaam ter bestemder tijd hebben geopenbaard, doch zonder het ontbindingsproces des doods.
In de opstanding ligt dan ook een grondmoment, dat wezenlijk tot de natuur van den mensch behoort, ofschoon juist de opstanding getuigt, dat die natuur gekrenkt is door den dood. Het is duidelijk, dat ook de dood in 't licht der schepping gezien een ander karakter draagt dan gewoonlijk daaraan wordt toegeschreven. Wat wij van den dood waarnemen is slechts de oppervlakte, het naar buiten treden van het proces des doods. Inderdaad geven de verschijnselen der ontbinding aanleiding om aan den dood de gedachte van vernietiging te verbinden en sommigen bouwen hierop voort en loochenen ook het onsterfelijk wezen der ziel, zoodat zij meenen, dat de dood een uiteenvallen van lichaam en ziel is, zoodat de persoonlijkheid met het sterven van 't lichaam wordt opgelost in den onbekenden afgrond van het zijn, waarover de duisternis een zwarten sluier spreidt. Men spreekt van zelfvernietiging in gevallen van moedwilligen zelfmoord.
Bij het licht der H. Schrift is echter van geen vernietiging sprake. Dit zou trouwens in strijd zijn met de waarheid Gods. Immers Zijn Woord is eeuwig waar en daarom zal het Woord, dat eenmaal uitging om Zijn raad uit te voeren, niet verkeerd worden in een leugen. God heeft den mensch de eeuwigheid in het hart gelegd en daarom blijft hij onsterfelijk. Aangezien het dus niet overeenkomt met de verhevenheid Gods, dat Hij het werk Zijner handen zou vernietigen, moet de gedachte van vernietiging door ons verre gehouden worden van den dood. De apostel stelt dan ook de opstanding der dooden als een algemeene waarheid voor ons geslacht: Er is een opstanding der dooden. De opstanding behoort bij den huldigen staat van den mensch naar de leiding, die de Heere aan de historie geeft, dus naar de bedeeling der genade. Al wat mensch is en gestorven, zal opstaan, daarom moest ook de Christus opstaan, aangezien Hij de menschelijke natuur had aangenomen en daardoor zich onderworpen aan alles wat over die natuur was gekomen, zoowel aan den dood als aan de opstanding. Wij zien dan ook, dat de apostel duidelijk op dit verband wijst. Tweemaal zegt hij: indien er geen opstanding der dooden is, zoo is Christus ook niet opgewekt, (vgl. vs. 13 en 16). Derhalve is de opstanding van Christus niet oorzaak, maar gevolg van het proces, dat de menschheid hierin heeft door te maken, gelijk ook Zijn dood niet oorzaak, maar gevolg is van den dood des menschen en Hij dit oordeel vrijwillig droeg, wijl Hij tot zonde werd gemaakt, terwijl Adam in de zonde viel.
De opstanding der menschheid houdt dus verband met het oordeel des doods en evenzeer met de genadebedeeling Gods. Geheel het proces der geschiedenis tusschen den zondeval en de algemeene opstanding der dooden heeft een zeer bijzonder karakter, waarin vloek en genade zich manifesteeren op een bijzondere wijze. Uit het oogpunt van doem is het een profetie van eeuwigen dood, een voorspel van het oordeel in het afsterven der geslachten; gezien in 't licht der genade is het een opschorten van het oordeel Gods en een toebrengen van Zijn volk in Christus. Geheel het proces wordt dienstbaar gemaakt aan de verwezenlijking van de gedachten Gods omtrent de verlossing van Zijn uitverkorenen.
Ten dage als gij van dezen boom eet, zult gij den dood sterven, zoo sprak de Heere tot Adam, en toen de zonde het hart van den mensch verstrikte, zou dus, indien 't strenge oordeel Gods ware ingetreden In al zijn kracht, de eeuwige dood een feit zijn geweest voor allen. Van dien eeuwigen dood getuigt het verschijnsel des doods, dat wij kennen, doch het is een wonder, dat wij nog leven dit vergankelijk leven der aarde. God schonk der menschheid als 't ware den tijd om het geslacht te ontplooien, dat school in den schoot onzer eerste voorouders. In tallooze veelheid van personen wordt het ontrold en tevens ook als geheel, zelfs onder de heerschappij des doods, bloeien nog vele gaven des menschen op uit den verdorven stam, maar ook komt gansch de menschheid tot bewustwording in het proces der historie. Straks als de bazuin der opstanding weerklinkt over zee en aarde en deze haar dooden weergeven, staat een geslacht in de plaats van het eerste menschenpaar tegenover den hemelschen Rechter om te ervaren, dat Hij leeft tot in eeuwigheid, die eenmaal het oordeel des doods heeft gesproken. Dat oordeel, door de eeuwen opgeschort, zal dan worden voltrokken. In dien dag zal de Waarheid Gods blinken als de middagzon, wijl al Zijn Woord wordt vervuld. De heirlegers der geslachten zullen Hem rechtvaardigen, die gesproken heeft: „Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde" (Gen. 1 vers 28); de heerlijkheid des menschen zal Hem recht doen, wiens bevel klonk: onderwerpt de aarde en hebt heerschappij, doch ook het weerspannig en tegensprekend menschenhart zal eere brengen aan het Woord Zijns oordeels en bekennen, dat Hij rechtvaardig is.
De periode van den zondeval tot den dag der opstanding heeft dus wel een bijzonder karakter; 't is of de eeuwigheid een oogenblik der eeuwen wacht op den tijd. Het is een tijd van genade, want behalve de vervulling van het goddelijk scheppingsbevel bij het oordeel, schonk Hij ook een woord van ontferming. Niet allen zullen den eeuwigen dood sterven, want Eén is er opgestaan, die heilig is en rechtvaardig. Door eeuwige ontferming bewogen gaf de Heere den Zoon Zijns welbehagens over, opdat Hij een nieuw volk zoude voortbrengen. Hierin ligt de bijzondere beteekenis van Christus' opstanding. Wel zullen allen opstaan, die op aarde leefden en stierven, doch zij zullen worden opgewekt in hun oordeel. Onder den vloek begrepen, die over Adam ging, toen hij nog in zijn schoot vernachtte, zal een iegelijk, verschenen in den tijd, in zijn oordeel sterven en uit het graf verrijzen. In stede van vernietiging heeft dus 't doodsproces veeleer het karakter van een bewaren dergenen, die geboren werden, totdat de eeuwige dag aanbreekt, waarop de Christus wederkomt. Zonder den Middelaar Gods en der menschen, zou de eeuwige dag verkeeren in een nacht der eeuwigheid voor alle vleesch. In dien nacht des doods ook zal het geslacht niet uitéén vallen, en der vernietiging zijn prijs gegeven, doch in ondraaglijke verlatenheid Gods het bestaan verlengen en in de welbewuste overtuiging van het oordeel des doods zal het harte schrijnende van zelfverwijt en berouw eeren de gerechtigheid Gods.
Zonder den Christus gaat over allen de donkere schaduw van het doodenrijk, wijl buiten Hem geen mensch rechtvaardig is. Want toch, gelijk de dood werd verbonden aan de overtreding, zoo was het leven verpand aan de gerechtigheid: „Doe dat en gij zult leven". Daarom schitteren de wonderen der goddelijke wijsheid in den Middelaar met eeuwigen luister, die zich heeft willen vernederen in Zijn goddelijke genade om de heerlijkheid, die Hij bij den Vader had, af te leggen en in te dalen in de zondige menschelijke natuur. Door die overgave werd Hij tot zonde gemaakt, schoon Hij de Zoon was, en stelde Hij zich onder de wet der zonde en des doods, zoodat ook Hij had in te gaan in de poorten van stervenssmarte en wee. Doch, omdat Hij de Zoon was en volkomen heilig, kon Hij naar Zijn menschheid voor God verschijnen in gerechtigheid en het leven eischen. Daarom ook kon de Vader Hem aan den dood niet overgeven, maar nam Hem tot Zich in Zijn heerlijkheid. Wat heilig is, is van God en wordt tot Hem geroepen. Aan de gerechtigheid dankt dus de Christus naar Zijn mensch heid, dat Hij als de eersteling opgewekt werd. Niet Zijn opstanding als zoodanig is bijzonder, maar de aard van Zijn verrijzenis is van groot gewicht. In Hem staat een nieuwe mensch op, dus Zijn opstanding is een opstanding tot heerlijkheid, wijl de opstanding der dooden in het algemeen is een opstanding ten verderve.
Uit dien hoofde wijst de apostel er dan ook op, dat, indien Christus niet is opgewekt, de prediking ijdel is en het geloof, zoodat ook de belijders van Zijn naam een leugen zouden aanhangen en nog in hun zonden zijn. Zoo is dus de heerlijke verrijzenis van den Christus een bewijs Zijner gerechtigheid en een fundament des geloofs. Alleen, indien Hij waarlijk is opgestaan naar Zijn menschelijke natuur, is er een nieuwe menschheid voortgebracht en hope der verlossing. In den Zoon verscheen die nieuwe menschheid, en in de toebrenging van Zijn volk betrekt God den mensch in Zijn recht om hem door den H. Geest te openbaren een nieuw leven in den Middelaar, aan Wien hij door een verborgen levensverband is verbonden. In deze openbaring der goddelijke genade ervaart de mensch de kracht van den verrezenen Christus en verstaat 't woord van den apostel: indien Christus niet is opgewekt, zoo is uw geloof ijdel. Alleen in de kracht van Christus' opstanding ligt de voorwaarde van de vernieuwing des gemoeds en de hope der opstanding tot heerlijkheid.
Zoo valt dus door de werking der Genade de algemeene opstanding in tweeën uitéén. Er is een opstanding ten doode, en een opstanding ten leven, dus zal in den dag des Heeren een iegelijk opstaan in zijn orde. Groot is het goed voor de gemeente van Christus weggelegd in Zijn toekomst, wijl de dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? Doch, wee den mensch, die ontwakend uit een droom der vergankelijkheid, in dien dag den Koning der Gerechtigheid aanschouwt, als Hij Zijn sikkel zendt om te maaien, dewijl de oogst der aarde is rijp geworden.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 maart 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 maart 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's