De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

8 minuten leestijd

John Bunyan
Zijn leven en zijn geschriften. (18)
Christen wil méér weten van die twee kinderen Hartstocht en Lijdzaamheid. En als hij gezien heeft, dat Hartstocht zooveel in eens gekregen heeft, maar alles weldra heeft vernield en niets dan lompen en vodden, niets dan scherven en splinters overgehouden heeft, vraagt hij Uitlegger: „verklaar en zeg mij toch wat dat alles beteekent".
En Uitlegger sprak: „Deze twee jongens zijn symbolen. Hartstocht verzinnebeeldt den mensch, die bij de goede­ren dezer wereld leeft, maar Lijdzaamheid is een type van den mensch, wiens hart ontsloten is voor de eeuwigheid. Hartstocht wil alles dadelijk in ééns hebben, in het heden. Zóó is het ook met de kinderen van dit geslacht: zij willen hun schatten nu reeds bezitten en kunnen niet wachten tot den grooten dag van morgen, die ons alles schenken zal. Het spreek­woord: „één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht", spreekt meer tot hun hart dan de beloften Gods, die over de toekomende goederen handelen. Maar zooals 't niet dit kind is gegaan, zoo zal 't ook met hen gaan: hin einde wordt diep ellendig en ze zullen niets overhouden dan scherven en splinters, dan waardeloos goed". 
Toen antwoordde Christen: „Nu zie 'k, dat Lijdzaamheid de ware wijsheid bezit. Want in de eerste plaats zoekt hij de beste gave en in de tweede plaats zal hij alles beërven, terwijl de andere niets dan scherven overhoudt". 
,,Ja", voegde Uitlegger er aan toe, ,,gij kunt er ook nog deze gedachte bijvoegen, dat, terwijl alle andere heerlijkheid snel voorbij gaat en verflenst, de glorie die aanstaande is, in eeuwigheid niet zal verminderen. De eerste heerlijkheid moet wel voor de tweede wijken, maar de tweede nooit voor de eerste, want deze heerlijkheid wordt door niets overtroffen. Daarom heeft hartstocht heelemaal niet zooveel reden om Lijdzaamheid uit te lachen. Veeleer zou Lijdzaamheid zijn broer Hartstocht kunnen uitlachen. Want Hartstocht geniet eerst zijn goed, maar Lijdzaamheid 't laatst. En ook hier geldt „lest best". Wie zijn schat hier wil hebben, zal haar hier ook verteren, maar wie zijn deel hiernamaals weet, bezit rijkdom voor altijd, tot in het eeuwige leven. Daarom staat er van den rijken man geschreven: „Gij hebt uw goed ontvangen in dit leven en Lazarus desgelijks het kwade, maar nu wordt hij verroost en gij lijdt smarten".
Christen zei : „Nu zie ik duidelijk in, dat het niet wijs is, zijn hart te zetten op de goederen van dit tijdelijk leven, maar dat het verstandiger is een schat te verwachten in de toekomst".
„Ja waarlijk, zoo is het", antwoordde Uitlegger, „want de dingen die men ziet zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig. Juist omdat de goederen van dit aardsche leven eenerzijds en onze vleeschelijke begeerten anderzijds zoo dicht bij elkander liggen en de toekomende dingen daarentegen zoo ver van de natuurijke begeerten van ons hart verwijderd zijn, gaan de eerste gemakkelijk hand aan hand, terwijl de twee andere bijna altijd vijandig tegenover elkander blijven staan".
Allerlei uitleggingen krijgt de Christen dus, die voor zijn geestelijk leven en voor zijn pelgrimsreis van 't grootste nut kunen zijn. Met Lijdzaamheid zal hij moeten loopen den weg, dien de Heere voor hem heeft uitgemeten, en die volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
Uitlegger neemt Christen dan ook nog even mee naar een bekoorlijk plekje, waar een schitterend paleis stond, dat een lust was voor de oogen. Christen was waarlijk verrast over dit gezicht en hij kon z'n ogen niet gelooven, toen hij vóór het paleis een aantal menschen, in gouden kleeren gekleed, op en neer zag wandelen. Wat verrukkelijke aanblik voor den moeden pelrim! Maar nu zag Christen voor het paleis een groote menigte menschen, die begeerden binnen te gaan, maar niemand durfde. Zelf wilde Christen ook zoo gaarne binnengaan in dat heeriijke paleis, maar hij durfde tenslotte ook niet, evenmin als de anderen. Waarom niet?
„Daar zat", zoo vertelt Bunyan ons dan, „een man voor de deur. Hij had z'n plaats achter een klein tafeltje, waarop een boek lag en een inktkoker stond, om den naam van een ieder op te schrijven, die wilde binnengaan. Christen zag, dat er in het voorportaal van het mooie huis een keurbende soldaten stond, van top tot teen gewapend en vast besloten om het paleis te verdedigen en allen, die binnen wilden gaan, zooveel in hunne macht was, letsel en nadeel toe te brengen.
Nu was Christen in verlegenheid. Wat zou hij doen? Zou hij terug gaan en het opgeven? of zou hij volhouden, volharden in het geloof en voortvaren in den strijd? Zou hij zijn naam laten inschrijven en moeite doen, om door de deur van het paleis binnen te gaan? „Strijdt gij om in te gaan" heeft de Heiland toch gezegd tot Zijn discipelen? Maar — die gewapende bende aan den ingang van het paleis!

Christen ziet, dat iedereen zich terug trekt, uit vrees voor de sterk gewapende krijgsknechten, maar daar treedt een man, van zeer krijgshaftig voorkomen, op den schrijver toe en gaat naar het tafeltje, tot den griffier zeggend: „Heer, wees zoo goed en schrijf mijn naam op". Toen zijn naam opgeteekend was, zag Christen hoe de dappere held een helm op het hoofd zette, het zwaard aan zijn heup gespte en zonder vrees de gewapende soldaten tegemoet trad. Dezen stormden op hem af en gingen hem te weer met al de kracht van hun geweldige wapenen. Maar wat zij ook deden, de strijder gaf geen kamp; hij deelde aan alle kanten gevoelige slagen uit en nadat hij ook zelf eenige wonden had opgeloopen, brak hij door de rijen van zijn vijanden heen en snelde triomfeerend het paleis binnen. Nauwelijks had hij zijn voeten op den drempel gezet, of er brak een algemeen vreugdegezang los. Die binnen in het paleis waren, mengden hunne stemmen met het lied der zangers die op het platte dak stonden en zongen:
Treed binnen, treed binnen
Gij held, die overwinnaar zijt,
Nu zult gij eeuwige glorie winnen,
Aan 't einde van uw bangen strijd!
Men leidde hem naar binnen, nadat hij overwonnen had in den strijd en daar werd hij bekleed met dezelfde heerlijke kleederen, die al de hemelingen droegen.
Christen had dit alles uit de verte aangezien en was er zéér over verblijd en werd er zóó door bemoedigd, dat hij tot Uitlegger zegt: „laat mij nu maar alleen verder gaan". Maar Uitlegger zegt: „wacht nog een oogenblik, want ik wilde u toch even óók nog iets anders laten zien; dan moogt gij verder reizen".
Toen nam hij hem mee naar een donkere kamer, waar een man opgesloten zat in een ijzeren kooi. De arme gevangene scheen uiterst bedroefd te zijn. Zijn oogen waren naar den grond geslagen, zijn handen samengevouwen en hij zuchtte soms, alsof zijn hart er onder zou breken.
Christen komt onder den indruk van dit treurig tafereel en vraagt aan Uitlegger, wat dat alles beteekent. Uitlegger zegt, dat hij zelf maar eens met dien man spreken moet; die hem dan vertelt, dat hij nu is, wat hij eertijds niet was. „Want vroeger" — zoo verhaalt hij — „was ik een beslist geloovig belijder in mijn eigen oogen en ook in de oogen van anderen. Ik was, zoo meende ik, op weg naar de eeuwige stad en verheugde mij reeds in het vooruitzicht, daar eens te zullen komen".
„En wat zijt gij dan nu geworden?" vroeg Christen hem belangstellend.
„Nu ben ik een wanhopig mensch. Ik zit in de wanhoop als in een kerker gevangen en kan er onmogelijk meer uitkomen. Daarom is mijn smart zoo groot en mijn lot zoo bitter".
Christen zei: „Maar hoe zijt gij dan toch in deze ellende geraakt?"
„Ik heb opgehouden te waken en nuchter te zijn. Ik heb mijn booze lusten den vrijen teugel gegeven. Ik heb gezondigd tegen de verlichting van het Woord en van Gods goedheid in. Den Heiligen Geest heb ik bedroefd en nu is Hij van mij geweken. Ik heb den Satan aangelokt en hij is tot mij gekomen. God Zelf heb ik tot toorn ver wekt. Hij heeft mij verlaten en nu is mijn hart zóó verhard geworden, dat er zelfs geen berouw meer in kan opkomen".
Vreeselijk! Zou er geen hoop meer zijn voor dezen man? Christen vraagt het hem. Hij zegt: „Is er geen hoop meer voor u en moet gij zonder uitzicht in dezen kerker van wanhoop sterven?"
„Voor mij is alle hoop afgesneden" — zuchtte de man.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 april 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 april 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's