STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Geen recht maar barmhartigheid.
Onlangs hebben wij gewag gemaakt van de bepaling in de Ziektewet, waarbij zoowel voor de gehuwde vrouw als voor de ongehuwde vrouw regelen waren getroffen tegen de geldelijke gevolgen van de zwangerschap. Hier werd bij de wet de ongehuwde moeder, die in loondienst is, gelijk gesteld met de vrouw, die een wettig huwelijk heeft gesloten.
Tegen deze gelijkstelling maakten wij destijds ernstig bezwaar.
Wel hadden wij geen bedenking, dat van Overheidswege ook iets gedaan zou worden ten behoeve van de ongehuwde moeder, maar dan behoorde dit niet te geschieden in de Ziektewet doch op andere wijze.
Er diende onderscheid te worden gemaakt tusschen wat de gehuwde moeder als recht zou worden toegekend en wat aan de ongehuwde moeder in den vorm van barmhartigheid kon worden geschonken. Recht en barmhartigheid diende op dit punt scherp te worden onderscheiden. Tot de taak van de Overheid, als dienaresse Gods, behoort het bezorgen van het recht, terwijl het oefenen van barmhartigheid aan de Kerk dient te worden overgelaten. Zoo noodig helpe de Overheid om het lot van de ongehuwde moeder te verzachten.
Als de Heere Jezus tot de schriftgeleerden en farizeërs, die tot Hem brachten een vrouw, die in overspel was gegrepen, zegt: ,,Wie van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen op haar", dan spreekt hier de barmhartige Hoogepriester, het Hoofd van Zijn Kerk.
Maar gansch anders staat het met de Overheid, die het recht Gods heeft te handhaven.
Kerk en Overheid hebben hier haar eigen terrein.
Dat vrijzinnigen en sociaal-democraten van dit alles niets begrijpen, bleek duidelijk bij de openbare behandeling van deze zaak in de Tweede Kamer.
Gehuwd of ongehuwd maakt voor deze menschen geen verschil. Beiden hebben volgens hen gelijke rechten en gelijke aanspraken op de bescherming van de Overheid, die nu eenmaal met zedelijkheidsoverwegingen, zooals die bij de partijen der rechterzijde worden voorgestaan, het hoofd niet heeft te breken.
Maar dat ook een stem van een christenstaatsman opging, die het eveneens voor de gelijkstelling van de gehuwde -en de ongehuwde moeder, opnam, laat zich niet ver staan. Zoo iets stemt tot droefheid. En dit te meer omdat daardoor vrijzinnigen en sociaal-democraten een stok in de hand wordt gegeven om daarmede hen, die aan de christelijke levensbeschouwing vasthouden, te treffen.
Het was ds. Lingbeek, die de ongehuwde moeder met de gehuwde moeder op één lijn stelde.
Er was in de Kamer opgemerkt geworden, dat, wanneer een gelijkheid van rechten tusschen gehuwde en ongehuwde moeders werd erkend, daardoor de hooge waarde van het huwelijk zou worden aangetast en dat het schuldige van den toestand der ongehuwde moeders er door zou worden verbloemd.
Deze opmerking hield voor ds. Lingbeek geen steek, omdat het in de gedachte van hem, die de opmerking had gemaakt, lag, dat de Overheid toch financiëelen steun zou kunnen verleenen, al ware het aan inrichtingen, die zich met het verzorgen van gevallen vrouwen bezig houden. En dan was het om het even of de positie van de ongehuwde moeder al of niet in de Ziektewet werd geregeld.
Doch dit was mis.
De leider van de Hervormd Gereformeerde Staatspartij zag toch voorbij, dat juist in zijn gedachtengang het verschil naar voren komt tusschen het doen van recht en het bewijzen van een onverplichte barmhartigheid.
Want al houdt de Overheid zich strikt vast aan haar roeping om het recht te bestellen, dan behoeft dit niet uit te sluiten dat zij aan kerkelijke of particuliere instellingen, die zich bezig houden met de verhooging van het zedelijk bewustzijn van 't volk, geldelijken en moreelen steun verleent.
Een ander argument waarom ds. Lingbeek geen onderscheid wilde maken bij het opnemen in de Ziektewet tusschen de gehuwde en de ongehuwde moeder, was dat hij niet de bewering kon aanvaarden, dat 't voor kuische ongehuwde vrouwen een beleediging zou zijn, indien de bepaling der wet, regelende de verzorging van de vrouw bij ziekte, ook een eventueele zwangerschap zou zijn begrepen.
Bij de beschouwing van dit argument is het haast ongelooflijk, hoe dit Kamerlid niet inzag, dat het een onzedelijk contract is, dat de Ziektewet zou willen stellen, wanneer zij de ongehuwde vrouw zou verplichten tot eene verzekering voor het geval zij vallen mocht. Want deze eisch stelde toch de Ziektewet, die alle vrouwen, gehuwde en ongehuwde, een premie wilde laten betalen, ook voor het geval zwangerschap zou intreden.
Het was dan ook een droevig figuur, dat ds. Lingbeek maakte, toen hij, samen met vrijzinnigen .en sociaal democraten, zijn stem gaf aan de bepaling in de Ziektewet, waarbij de ongehuwde moeder gelijk gesteld werd met de gehuwde moeder.
Gelukkig bleef de leider van de Hervormd Gereformeerde Staatspartij alleen staan in zijn pleidooi voor het behoud van het regeeringsartikel. Geheel de rechterzijde stond als één man tegenover hem.
Het was dan ook ten volle verdiend, toen ds. Kersten, die zich bij de rechtsche groepen aansloot, ds. Lingbeek toevoegde, dat het hem leed deed dat laatstgenoemde hier het kwaad wilde vergoelijken en een premie op de zonde ging stellen.
Terecht merkte ds. Kersten nog op dat niemand de gevallene vrouwen aan haar lot wilde overlaten, maatr dat er tegen op moet worden gekomen, dat zij in de wet een plaats kregen en dat haar in de wet, voor het bedrijven van dit kwaad, een recht wordt toegekend. Hier is een, taak — zoo zeide hij — voor de barmhartigheid.
Dit is volkomen juist. Geen recht, maar barmhartigheid. Dat een man van christelijk beginsel dit niet inzag, lijkt ons een raadsel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 april 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 april 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's