De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

8 minuten leestijd

Het groote doel.
Het is niet de roeping der Gemeente van Jezus Christus om in allerlei groepeering uiteen te gaan, maar om saam één te zijn rondom het kruis van Christus en saam te belijden, dat de bezoldiging der zonde de dood is en de genadegifte Gods 't eeuwige leven door Jezus Christus onzen Heere, Die dood geweest is en Die leeft tot in alle eeuwigheid. In deze ligt een aanklacht aan ons adres. In de Ned. Hervormde Kerk zijn wij niet één in die belijdenis van zonde en genade; niet één in de belijdenis van Jezus Christus, gestorven om onze zonden, opgewekt om onze rechtvaardigmaking.  Dat is één ding, dat tegen ons getuigt. En het andere is, dat degenen die één zijn niet zelden als vijanden elkander bekampen. Dit zal ons tot schuld moeten worden. Hoe pijnlijk is het, dat zij die één zijn in geloof en belijdenis, niet als broeders en zusters samen wonen.
Hoe verkeerd is het, dat in één Kerkverband de belijdenis van den Christus der Schriften gevonden wordt, naar uitwijzen van Gods Woord en naar den aard en den geest van de kerkelijke belijdenisschriften — om alléén maar te noemen de Apostolische Geloofsbelijdenis en den Heidelbergschen Catechismus — en dat in dat zelfde Kerkverband op de meest knoeierige wijze, tegen beter weten in, de loochening van den Christus der Schriften geduld wordt en niet zelden alles gedaan wordt om die afwijkingen van de bijbelsche leer in bescherming te nemen.
Dat het zóó in de Hervormde Kerk is, bevordert het gedeeld, gebroken en verscheurd kerkelijk leven van de belijders van 's Heeren Naam. En dat men zoo gemakkelijk groepeert en uit elkander gaat, steeds meer variaties zoekend op het terrein van het kerkelijk leven, bevordert de zondige wantoestanden in het midden van de aloude Hervormde of Gereformeerde Kerk, die nog altijd, in den weg des Verbonds, zoo'n breede plaats inneemt in het midden des volks.
Zal men zich het lot van 's Heeren Kerk in dezen lande niet aantrekken? Waarom moet het huis des Heeren onder ons woest zijn? Waarom loopt een ieder voor z'n eigen parochie?
Waarom concentreert men zich niet op de belijdenis van den Christus der Schriften, om naar luid van de geschiedenis en naar luid van de belijdenis de Hervormde of Gereformeerde Kerk op te eischen niet voor onze liefhebberijen, maar voor den Heere en Zijn Gezalfde, opdat het huis des Heeren sierlijk staan mag in het midden onzes volks?
Men maakt zich te gemakkelijk af van de Kerk des Heeren met haar geschiedenis, met haar belijdenis. Men maakt zich te gemakkelijk af van het volk van Nederland, waarmee de Heere bemoeienissen heeft gehouden, zooals met geen ander volk! Laat men het maar eens durven ontkennen, dat Neêrlands natie een gansch bizondere plaats inneemt naar Gods vrijmachtig welbehagen. Laat men het maar eens durven tegenspreken, dat de aloude Nederlandsche Hervormde Kerk, naar Gods wonder bestel, een geheel eenige positie inneemt in ons Vaderland. En dat is van ons allen — ook van onze gescheidene broeders en zusters — de Kerk der Vaderen, waar God Zijn eer zoekt en waar de Heere zoo rijke zegeningen wil schenken. Dat we meer één mochten zijn in gebed; één in den strijd; één in geloof, hoop en liefde. Of is des Heeren arm verkort?

Onze Belijdenis des Geloofs.
De dagen liggen weer achter ons, dat vele jonge menschen in het openbaar belijdenis van hun geloof hebben afgelegd. Dat is voor hen zelf, maar ook voor de Kerk van 't allergrootste belang, en het is wel goed, dat er ook in onze kringen volle aandacht aan deze zaak geschonken wordt, door jongeren en ouderen saam. Want het geldt tenslotte ons allen.
Nu hebben we onlangs een ontwerp-Formulier gepubliceerd, met de bedoeling dat men eens zou probeeren of het een stuk is, dat onder ons is te gebruiken. En van onderscheidene kanten gewerd ons bericht, dat men dankbaar gebruik gemaakt heeft van het Formulier. Meer dan één predikant schreef ons, dat hij den indruk had gekregen dat de heilige plechtigheid door het lezen van een Formulier beter gevoeld is geworden, zoowel door de gemeente in haar geheel als door degenen, die tot het doen van belijdenis des geloofs naar Gods huis waren opgegaan.
Natuurlijk deden ons die berichten goed. Zelf hebben wij het verleden jaar èn te Rotterdam èn te Boskoop gebruikt, en toen hebben we óók den indruk gekregen dat het zoo beter is dan zonder Formulier.
Een onzer collega's is zoo vriendelijk geweest het Formulier nog eens van alle kanten te bekijken, ook wat woordvorm en zinsbouw aangaat, en van diens beschouwingen zullen we gaarne zéér dankbaar gebruik maken. Ter gelegener tijd publiceeren we het stuk wéér eens en zullen dan pogingen aanwenden om aan een groot aantal collega's een behoorlijken afdruk te doen toekomen. Zoo kan er wellicht, wanneer we allen meewerken, een vaste vorm gegeven worden aan die plechtigheid van het doen van geloofsbelijdenis in het openbaar, een zaak, die ons toch allen zoo zeer ter harte gaat!
Met veel belangstelling lazen we, in verband met het doen van belijdenis, wat mevrouw ds. Van der Wal van Wageningen schreef in „De Kandelaar", orgaan van den Bond van Ned. Herv. Meisjesvereenigingen op Gereform. grondslag. We laten het vriendelijk woord van deze domineesche, gericht tot de jeugdige lidmaten, hier volgen:
»Wanneer ik wil gaan spreken over onze belijdenis, denk ik niet in de eerste plaats aan de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, zooals we die kennen als één van de Drie Formulieren van Eenigheid.  In dezen tijd, waarin nieuwe lidmaten tot onze Kerk worden toegevoegd, zeker ook uit ons midden, — worden wij allen wederom bepaald bij de belijdenis van ons geloof. Want dat is het toch eigenlijk en moet het zijn: een belijden van hetgeen wij gelooven. Wel is het bij velen nog een historisch geloof, maar bij de ware geloovigen komt het gewis tot het zaligmakend geloof.
Ze belijden te gelooven in den Drieëenigen God. Als die belijdenis waarlijk tot openbaring geworden is, dan kennen wij God den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest. Dan wordt ook ons door den Heiland gevraagd: „Wie zegt gij, dat Ik de Zoon des menschen ben?" En als ons antwoord, evenals van Petrus, mag zijn: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods", dan worde ook ons toegevoegd: „Zalig zijt gij, want vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is",
Christus te kennen en Hem te belijden voor de menschen, is nog iets anders dan voor waar houden dat Hij er is. Christus te kennen en Zijn middelaarswerk beteekent: zichzelf kennen als een verlorene, als een verlatene van God. Christus te kennen beteekent ook: gelooven dat Hij in de wereld gekomen is en onschuldig ter dood veroordeeld, alle gehoorzaamheid voor God volbracht heeft en de verzoening voor de Zijnen tot stand gebracht heeft. En al is het, dat we deze dingen nog niet geheel en al verstaan, laat dit ons niet doen vertwijfelen en laat ons zien hoe het den discipelen verging.
Toen Jezus hen riep uit hun dagelijksch leven om met Hem te wandelen, hebben ze ook langeren tijd het onderwijs van hun Meester ontvangen, en ze zijn van stap tot stap geleid in de verborgenheden Gods. We moeten acht geven op de eerste beginselen van den levensweg en niet in het midden willen beginnen, maar aan de andere zijde moeten we niet bij het begin willen blijven. Als de levende Heiland in ons leven is gekomen en ons heeft geroepen in Zijn dienst, dan moeten we Hem volgen, waar Hij ons ook henenleidt. Dan moeten we van Hem getuigen, waar Hij het gebiedt.
En dat wilt ge toch? Daarvan getuigt de daad uwer geloofsbelijdenis.
Maar sta dan niet in eigen kracht, zooals Petrus ook eenmaal stond, maar toen ook diep moest vallen. Het dienen van Jezus kan ons bezielen tot goede woorden en krachtige daden, maar alleen in de mogendheid van Hem, die het gezegd heeft: „Ik leef, en gij zult leven". Zonder Hem kunnen we niets doen, ook niet Hem belijden, ook niet Hem volgen.
Hoe toont dit ons ook de vlucht van de discipelen in den laatsten nacht van 's Heeren leven op aarde.
Maar dit alles zullen we eerst volkomen toestemmen, wanneer het bittere levenswerkelijkheid voor ons is geworden. We moeten soms door diepe wegen worden geleid, waarin we eerst recht tof zelfkennis komen. Maar als het dan ook ervaren wordt dat 's Heeren genade ons niet heeft verlaten, dan eerst leeren we zien wat genade is.
En daarom, Bondsvriendinnen, ik wil het u toeroepen: acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet als ge van Hem bestraft wordt. Ge hebt nog ten bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde. Laat ons afleggen allen last en de zonde, die ons lichtelijk omringt en laat ons met lijdzaamheid loopen de loopbaan die ons voorgesteld is, ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van den troon Gods«.
A. v.d. W.— v. W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's