De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

7 minuten leestijd

Is er oorzaak.
Wij leven in een donkeren tijd.
De vorst der duisternis, de menschenmoorder van den beginne, voert meer dan voorheen heerschappij over den mensch, die onder zijn invloed in groote massa in openlijk verzet is gekomen tegen God en Zijne heilige wetten.
Het blijft in onze dagen voor de duizenden en nogmaals duizenden, die zich van God hebben afgewend, niet meer beperkt tot het verkondigen der revolutie-begrippen in de theorie, maar de menigte komt daadwerkelijk in openbaren opstand tegen haar Schepper en Formeerder. De profetie van den Psalmist gaat in vervulling: „De koningen der aarde stellen zich op en de vorsten beraadslagen tezamen tegen den Heere en tegen Zijnen Gezalfde zeggende: laat ons hunne banden verscheuren en hunne touwen van ons werpen".
Het gezag van de Overheid wordt ondermijnd, het goddelijk recht verbogen, de huwelijksband losser gemaakt, het gezinsleven verwoest. De ontbindende factoren van ongeloof en revolutie, van godverzaking en schepselvergoding zijn werkzaam om de christelijke grondslagen, waarop staat en maatschappij rusten, te ondermijnen. Een grenzenlooze luchthartigheid heeft zich van 't volk meester gemaakt. 't Zoekt zijn genot en vermaak in spel en dans, in bioscoop en schouwburg; en in niet geringe mate is 's Heeren Dag met dit alles gemoeid.
De Psalmdichter schrijft: „Rondom Hem zijn wolken en donkerheid. Zijn bliksemen verlichten de wereld; het aardrijk ziet ze en het beeft."
„Maar juist, dat is het wat soms het hart zoo beangstigen kan — zoo lazen we onlangs ergens — het aardrijk ziet ze en het beeft niet!"
De toenemende ontkerstening van ons volk is een feit, dat ontstelt. 
Voorzeker de macht van den vorst der duisternis is groot. Hij kent de plaats, waar de pijl moet worden afgeschoten om het hart van den mensch te kunnen treffen. Doch diezelfde machthebber uit den afgrond beschikt over nog andere pijlen. Hij weet maar al te goed, hoe volkomen waar het woord van den Heiland is: „Een ieder koninkrijik, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een huis, tegen zichzelf verdeeld zijnde, valt". Daarom is hem de pijl zoo welkom van het „verdeel en heersch".
Het is droevig hoe in onzen tijd de broederlijke liefde wordt gemist en de eenheid onder hen, die een zelfde levensbeginsel belijden, zoek is. Men veracht en verbijt elkander, liefst ten aanschouwe van den tegenstander, liefst ten aanschouwe van den tegenstander, die zich over deze verdeeldheid verblijdt.
Instede dat er gebouwd wordt, worden de krachten verteerd.
Zoo staat het ook op het terrein van het staatkundig leven.
Antirevolutionairen en Staatkundig Gereformeerden, die beiden op staatkundig terrein de eeuwige beginselen, die in Gods Woord zijn geopenbaard, belijden en dit doen overeenkomstig de Gereformeerde levensbeschouwing, staan niet naast maar tegenover elkander.
Dit is het huis, dat tegen zichzelf verdeeld is.
Dat er verschillen bestaan in de wijze, waarop in de practische politiek èn bij de Antirevolutionairen èn bij de Staatkundig Gereformeerden wordt opgetreden, weten wij. Zulke verschillen treffen wij ook aan in de toepassing der beginselen bij de Gereformeerde Vaderen, die desondanks ons toch allen even lief zijn, ook al was b.v. de een ruimer en de ander minder ruim op het stuk van de Sabbathsviering.
Maar mag dit dan leiden tot fellen tegenstand en verzet, of wel tot het breeder uitmeten van de verschillen dan geoorloofd is en het bestrijden van elkanders meening op een wijze, zooals dit thans geschiedt?
Moest het niet liever zóó zijn, dat men de verschillen in broederlijken geest besprak, om tenslotte te trachten tot eenheid van optreden te geraken?
Wij voor ons zullen, ook ziende op den nood der tijden en op de poging, welke door ongeloof en revolutie ondernomen wordt om de christelijke grondslagen van ons volksleven te ondermijnen, er ons hartelijk over verheugen, wanneer die eenheid wordt herkregen.
Echter is er, in gemoede gesproken, voor de Staatkundig Gereformeerden reden, om zich van de Antirevolutionairen af te scheiden en eigen weg te bewandelen? Zeker, ook wij zouden niets liever willen dan dat de meerderheid van het Parlement uit Gereformeerde mannen bestond, zoodat het Antirevolutionaire program ten volle kon worden uitgeleefd. Maar dit ligt niet in Gods bestel.
De Heere Jezus moest de vraag stellen: „Doch de Zoon des menschen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?"
't Gaat op het einde aan, naar die dagen heen, waarvan de Heiland zegt: „alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u dooden, en gij zult gehaat worden van alle volkeren, om mijns naams wille".
Neen, de toekomst is niet voor het Gereformeerde volk om te heerschen, wél om in getalsterkte steeds kleiner en kleiner te worden.
Daarom mag men het den Antirevolutionairen niet als grief aanrekenen, dat zij hun program niet weten tot uitvoering te krijgen. En wanneer desniettegenstaande de Antirevolutionaire Kamerleden mr. Bijleveld en de heer Duymaer van Twist, de eerste voor de gewetensbezwaarden tegen de vaccinatie toch nog vrijstelling van de inenting weet te veroveren, en de laatste de Ministers van Justitie en van, Binnenlandsche Zaken en Landbouw een schrijven aan de burgemeesters ontlokt ter tegemoetkoming aan de vrouwen, die wegens gemoedsbezwaren haar kiesrecht niet kunnen uitoefenen, dan moet dit een ieder, die wars is van den vaccinedwang en van den stemdwang, tot blijdschap stemmen.
Het is niet om den Staatkundig Gereformeerden onaangenaam te zijn, als wij hun de vraag stellen: wat zij in het Parlement hebben gedaan om aan den inentingsdwang, den stemplicht, den leerplicht, de lijkverbranding, de Zondagsontheiliging enz. een einde te maken? De Antirevolutionairen zouden hier zijn tekort geschoten. Maar waar zijn de initiatief-voorstellen — niet de moties — van de Staatkundig Gereformeerde Kamerfractie? Zeker, zij heeft over al deze zaken gesproken, maar waar waren haar daden?
Die daden bleven uit.
Wij maken den Staatkundig Gereformeerden daarvan geen verwijt, want zij waren daartoe evenmin bij machte als de Aintirevolutionairen. Maar waarom dan critiek geoefend?
Nog een andere vraag willen wij stellen, die evenmin bedoeld is om daarmede de Staatkundig Gereformeerden hard te vallen, maar waaruit blijken moet dat er geen oorzaak is om een eigen weg te bewandelen.
De Staatkundig Gereformeerden verwijten den Antirevolutionairen, dat zij Rome 's macht versterken.
Nu was het geen toeval, om dit woord eens te gebruiken, dat in deze parlementaire periode de beide Staatkundig Gereformeerden in de Tweede Kamer mede de opdracht ontvingen om de nominatie van het voorzitterschap aan de Koningin aan te bieden. Die nominatie bestond telkens uit een Roomsch-Katholiek, een Chr. Historische en een Sociaal Democraat. Hebben zij nu voor deze opdracht bedankt, uit hoofde van consciëntiebezwaar? Neen! Zij gingen mede ten paleize om de voordracht aan de Koningin ter hand te stellen. Zij hebben dus medegewerkt om als voorzitter der Tweede Kamer een Roomsch-Katholiek benoemd te krijgen.
Wij duiden hun dit niet euvel, maar waarom verwijten zij dan den Antirevolutionairen Rome's macht te versterken? Waar is het protest der Staatkundig Gereformeerden gebleven ten aanzien van de tractementen der Roomsch-Katholieke onderwijzers, welke op de Rijksbegrooting werden, aangevraagd? Nog bij de laatste begrooting betreffende de Eerediensten hebben zij medebewilligd in de tractementen ten behoeve van nieuwingestelde pastoorsplaatsen.
Wij zouden zoo kunnen voortgaan. Doch waarvoor zou dit dienstig zijn. Wij willen niet scheiden maar vereenigen. Dat wij feiten noemden als hierboven, diende eenig en alleen om de vraag te beantwoorden, of er voor de Staatkundig Gereformeerden oorzaak is om zich afzonderlijk te groepeeren. Die reden bestaat niet. Daarom dringen wij aan om alle grieven, zoo die er mochten zijn, te laten varen en eendrachtig op te trekken. In eendracht ligt macht. Een huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, valt.
Mochten wij dit alles eens biddend leeren overwegen! Wie weet, de Heere mocht ons, door Zijn licht geleid, den rechten weg doen bewandelen. Welke kracht zou van ons Gereformeerd volk uitgaan, als het eensgezind ten strijde optrok! Thans verheugt de vijand zich en verblijdt zich de wereld.
Laat dit anders worden. Er is geen oorzaak om voor den vijand gedeeld te staan. Wij hebben ons goede rekenschap te geven van de groote gevaren die ons land bedreigen, wanneer als gevolg van verdeeldheid, de tegenstander overwint. De Heere beware daarvoor ons land en ons volk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's