De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERSLAG van de 24ste Jaarvergadering van den Geref. Bond op Donderdag 11 April 1929 te Utrecht gehouden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERSLAG van de 24ste Jaarvergadering van den Geref. Bond op Donderdag 11 April 1929 te Utrecht gehouden.

61 minuten leestijd

In de kleurige ruime zaal van het Jaarbeursgebouw hebben wij Donderdag II April j.l. onze 24ste Jaarvergadering van den Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Ned. Herv. (Gereformeerde) Kerk mogen houden. Tegen 11 uur liep de zaal vol en al was de weersgesteldheid om ter vergadering te gaan niet gunstig, de groote schare aanwezigen bewees, dat ons gereformeerde volk wat voor de goede zaak over heeft. Van heind en ver was men gekomen en het is ons goed geweest dien dag!
De voorzitter, ds. M. van Grieken, van Rotterdam, stond op z'n post om op het geschikte oogenblik den hamer te laten vallen. Nadat allen gezeten waren, verzocht hij te zingen Psalm 105 vers 3 en 5, las daarna Psalm 25 vs. 1—10 en ging voor in gebed, waardoor wij in de rechte stemming tot het vergaderen voor den ganschen dag waren gebracht. Den Heere vragende om sterkte, heeft de God des Verbonds hulpe geschonken en Zijne zegeningen zijn vele geweest.
Naar gewoonte leidde de voorzitter de vergadering in met een openingswoord, dat ook ditmaal nog eens doel en streven van den Gereformeerden Bond omschreef. Wij laten het hier onverkort volgen. Ook die niet ter vergadering geweest zijn, hebben er recht op deze uiteenzetting en aanprijzing van ons Bondswerk te vernemen. Wellicht kan het ook ter lezing worden gegeven aan degenen, die nog geen lid van onzen Gereformeerden Bond zijn en wel eens iets van grondslag en doel van onze actie willen vernemen. Wellicht kunnen ze dan straks besluiten zich bij ons te voegen „één in geest en streven, één in daad en woord".
De voorzitter sprak dan aldus:
LEDEN VAN ONZEN GEREFORM. BOND, EN ALLEN DIE HIER VERDER TEGENWOORDIG ZIJN; DAMES EN HEEREN,
Drie en twintig jaar geleden, in den jare 1906, is onze Gereformeerde Bond opgericht. De crisis der jeugd is ons niet gespaard, maar, na de gewone kinderziekte is de kleine spruit in krachten toegenomen, om nu als een krachtige jonge man van ruim 20 jaar in ons midden te staan. Hulpe van God verkregen hebbende, staan we tot op dezen dag, terwiji we èn in Nederland èn in andere landen mogen aanschouwen, dat de gereformeerde, calvinistische levens- en wereldbeschouwing in kracht toeneemt en zich voortplant onder alle standen en rangen, van de meest aanzienlijken tot de eenvoudigsten toe.
„Ende desespereert niet'' wordt ons van alle kanten toegeroepen, en wij worden getroost en gesterkt, terwijl God Almachtig de geschiedenis schrijft voor ons en onze kinderen.
„Uw God, o Isrel, heeft de kracht
Door Zijn bevel u toegebracht"
zingen we met den dichter van Psalm 68. Tegelijk bidden we met den zelfden Godsman:
O God! schraag dat vermogen;
Versterk hetgeen Gij hebt gewrocht,
En laat Uw hulp, door ons verzocht,
Uw volk voortaan verhoogen".
Na een lange reeks van vergaderingen in deze weken na Paschen hier te Utrecht en elders gehouden, vergaderingen door politieke partijen, door schoolvereenigingen, door predikanten van allerlei Kerkgenootschap en richting belegd, komt nu ónze Jaarvergadering. Een „Nakomertje" deelt soms in bizondere belangstelling. Ook is er zelfs een spreekwoord dat luidt: ,,lest best". Hoe 't zij, wij zijn met groote opgewektheid naar onzen landdag gegaan en wij verwachten veel goeds vandaag. Wij zijn hier als Hervormd-Gereformeerden bijeen. Het kerkelijk terrein vraagt nu onze belangstelling, en dat kerkelijk terrein ligt voor ons — bij al de verscheidenheid die er in deze is — in het midden van de Hervormde Kerk.
Hervormd-Gereformeerden is onze naam. We laten anderen vrij, wanneer ze ergens elders zich met der woon gevestigd hebben. Maar wij zijn Hervormd, en we zijn dat welbewust en wenschen dat te blijven. Te blijven met ons gereformeerd beginsel, dat ons geworden is naar den Woorde Gods en dat ons lief is door de werking des Geestes, die in alle Waarheid Gods leidt. Dat is het mooie voor ons van onzen Gereformeerden Bond in het midden van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk; dat is tegelijk het moeilijke, aan ons werk verbonden.
Hervormd zijn we. En we hebben ons saam verbonden — dat is onze Bond — om in het midden van de Hervormde Kerk te verbreiden en te verdedigen de Waarheid naar Gods Woord, de gereformeerde Waarheid door de Reformatie ons opnieuw gebracht, door den Heere tot op dezen dag voor ons en voor de volkeren bewaard.
Verbreiden moeten wij die gereformeerde Waarheid. Dat is immers: uitspreiden, breed openleggen, bekend maken. Van die gereformeerde Waarheid moeten wij overal spreken; wij moeten er ruchtbaarheid aan geven; en dan wel in het midden van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk.
Ons te beraden op de gereformeerde beginselen is dus allereerst onze taak; het is onze roeping, als een heilig werk ons toebetrouwd. Die gereformeerde beginselen moeten we zelf goed kennen; telkens beter leeren kennen; om ze dan met toewijding en met den gloed der overtuiging te verbreiden, aan anderen bekend te maken en aan te prijzen, waar noodig ook te verdedigen, zonder te vertragen. En dan keeren we onze Hervormde Kerk niet den rug toe, maar midden in onze Hervormde Kerk levend, werken we daar het werk, dat de Heere ons toevertrouwde, ieder in z'n eigen kring.
Waarom zijn we en blijven we in de Hervormde Kerk?
Niet, omdat de Ned. Hervormde Kerk gereformeerd leeft onder de huidige omstandigheden. Daar ontbreekt, helaas! zoo ontzaglijk veel aan.
Waarom we haar dan maar niet verlaten, om ergens elders onderdak te zoeken, waar 't veel gereformeerder toegaat?
De geschiedenis van de Ned. Hervormde Kerk is er óók nog. En die geschiedenis is de geschiedenis van ons volk; die geschiedenis is de geschiedenis van onze Vaderen en van ons. En o! zwarte bladzijde, die geschiedenis spreekt van onze zonden, waarbij de Heere rechtvaardig is in Zijn richten en ons beschaamdheid der aangezichten past.
Willen anderen heengaan, wij niet. En dat is in der waarheid niet, omdat wij „liever met modernen samenwonen, dan met gereformeerde geestverwanten in één Kerkverband ons scharen"; zooals men wel geschreven heeft de laatste maanden. Met zulke zinnen schrijft men geen Kerkgeschiedenis als ernstige mannen. Wij zijn en blijven niet in de Hervormde Kerk, omdat we in haar huidig bestaan ons ideaal vinden en haar zoo willen houden. Men weet beter! Geestverwanten en tegenstanders weten beter. Wij zijn geen bewonderaars van de Hervormde Kerk, zooals zij nu is samengesteld; en wij zijn ook geen water-en-melk gereformeerden, die met medelijden moeten worden aangezien door buitenstaanders.
God heeft ons doen geboren worden op de Vaderlijke erve, een planting van Zijn hand, en de Heere geeft ons daar een strijd te strijden uit liefde voor de Waarheid naar de Schriften, zoekende de eere Zijns Naams en den welstand van land en volk.
Er zit niets onredelijks in, om op de erve der Vaderen, waar de gereformeerde Waarheid de oudste rechten heeft, — hoewel door overmacht geknecht —, den strijd te strijden voor waarheid en recht. In de onafzienbare rij scheidingen en scheuringen zien wij geen heil. Die met een nog te vermeerderen, willen wij niet. Op de erve der Vaderen gelooven wij in de kracht van de Waarheid, overtuigd daarbij, dat rechtens de gereformeerde Waarheid daar thuishoort
Bovendien weten wij dat honderden, neen, duizenden in alle oorden des lands, zelfs waar 't schapen zonder herder rijn, aan die gereformeerde Waarheid en aan de Hervormde Kerk vasthouden, in liefde en geloof saam verbonden zijnde.
Het is onze overtuiging, dat zij, die de fundamenteele waarheden van ons allerheiligst christelijk geloof welbewust loochenen en verwerpen, niet thuis hooren in de Her vormde Kerk. Met onze Apostolische belijdenis, met onzen Catechismus, met onze formulieren van Doop en Avondmaal in het midden van de Hervormde Kerk, voelen we dat telkens, weten we dat héél zéker! En God zal recht doen op Zijn tijd, indien allen die Hem liefhebben naar Zijn Woord, maar getrouw zijn en Hem mogen vasthouden in geloof. Die op de golven zien, zinken, die op den Heere mogen zien, zullen wandelen en niet moede worden. De Overste Leidsman bidt voor ons, dat ons geloof niet zal ophouden. In dezen geestelijken strijd hebben de geestelijke wapenen goddelijke kracht, zoo waarachtig als de Heere God is! 
We weten heel goed dat daarmee 't laatste woord onder ons niet gesproken is. Maar als we leven in de overtuiging, dat degenen die — om deze zaak nog even te noemen — het ambt van herder en leeraar, van ouderling en diaken, principiëel verwerpen of fundamenteel ontwrichten willen, in onze Hervormde Kerk met haar formulieren ter bevestiging van dienaren des Woords en ouderlingen en diakenen, niet thuis hooren, dan zijn we van oordeel, dat zij die tegen beter weten in toch in de Hervormde Kerk zijn en blijven, waarheid en recht geweld aandoen. En zij, die de Godheid van Christus loochenen en ontkennen de verzoenende kracht van Zijn bloed, zijn zóó in strijd met de eerste beginselen van het Apostolisch christendom en de eenvoudigste waarheden van het gereformeerd Protestantisme, dat noch juridisch, noch moreel hier van rechten gesproken kan worden, waartegen dan ook het rechtsgevoel van ieder eerlijk mensch moet opkomen.
Wij oordeelen niet over personen. Maar zakelijk staat hier de kwestie toch zóó, dat het voor allen, die in aard en wezen, geest en hoofdzaak van het Apostolisch christendom en van het gereformeerd Protestantisme afwijken, duidelijk moest zijn, dat in de Hervormde Kerk voor hen geen plaats is. En alleen het dwangbuis, dat wederrechtelijk aan de Hervormde Kerk, in naam van de hoogste verdraagzaamheid en de edelste liberaliteit is aangelegd, is oorzaak dat menschen, die hun consciëntie stoppen met allerlei filosofische redeneeringen, het in de Hervormde Kerk kunnen uithouden, hoewel de Hervormde Kerk ook ondanks 't dwangbuis en de liberalistische vergiftiging ten stelligste laat zien, dat de Schriftuurlijke Waarheid door haar wordt begeerd en de steenen, voor brood gegeven, haar niet kunnen behagen!
En waar de Heere zóó de geschiedenis voor ons schrijft, ook in ónze dagen, daar roepen we onszelf en onzen kinderen toe, dat we niet mogen vertragen en niet mogen wanhopen, maar moedig moeten voortvaren om de wille der Kerk, die wij liefhebben, waaraan wij met innige banden verbonden zijn, en om de wille van ons volk en Vaderland.
Wij weten heel goed, dat daarmee het laatste woord niet gezegd is. Wij weten óók heel goed, dat wij intusschen niet in alles kunnen leven onder de huidige omstandigheden, zooals wij als gereformeerden wel zouden willen. Maar is dat Gods schuld? Of is dat ónze schuld? Laat ons bij deze dingen van harte leed gevoelen en laten wij erkennen, eerlijk erkennen dat daarin de oordeelen Gods openbaar worden; oordeelen en straffen, waaraan de zonden van onze Vaderen en van ons niet vreemd zijn! Dan moeten wij er naar staan in het midden van de Kerk des Heeren, waarvoor wij de Hervormde Kerk houden, de gereformeerde Waarheid beter te leeren kennen en ijveriger te verbreiden en kloeker te verdedigen. Dan mogen wij elkander óók herinneren aan den rijken troost, die er ligt in het woord, dat God een God is, die mildelijk vergeeft en niet verwijt; dat Hij gezegd heeft: Keert weder tot Mij, gij afkeerige kinderen, en Ik zal uwe afkeeringen genezen; dat des Heeren belofte is: „Mijne genade is u genoeg, mijn kracht wordt in zwakheid volbracht". Dan mogen wij er ook staat op maken, dat Hij Zijn belofte houden zal: Mijn Woord zal niet ledig tot Mij wederkeeren.
Wij willen hierbij niet worden aangezien als menschen, die zich wijsmaken dat in 1929 de dingen gezet kunnen worden, zooals ze in 1619 stonden. Wij willen niet aangezien worden voor menschen, die doof en blind tegelijk zijn!
Maar wat wij tegelijk in dit verband héél ernstig willen zeggen is dit, dat voor ons de grondwaarheden van het gereformeerd Protestantisme, die zoo oud zijn als de Schrift, niet in aard en wezen, noch in geest en hoofdzaak veranderd zijn. Waar men alles in onze dagen op losse schroeven gaat zetten en de meest tegenstrijdige dingen met gelijk recht wil behandelen, daar wijzen wij de schampere opmerkingen van repristinatie ten stelligste af; hier moet men, zoo noodig, een ander adres zoeken dan het onze; maar wel poneeren we tegelijk, dat de Schrift zulke duidelijke, onveranderlijke waarheden ons geeft, dat het misdadig is deze in 1929 voor het kerkelijk leven weg te cijferen of buiten werking te stellen; zelfs buiten beschouwing te laten. Heel het Evangelie als blijde boodschap der genade in Jezus Christus, wil men zelfs radicaal anders maken dan de Schriften ons leeren. Dat is in het midden van de Hervormde Kerk misdadig.
Wij hebben een betere bron dan onze felste tegenstanders; niet een bron aan menschen ontleend, maar ons van God gegeven. En op dat punt wenschen we elkander te ontmoeten, opdat het Woord over ons allen richte; dat levende Woord, hetwelk God ons gaf om daarnaar te leven.
In en door de Reformatie heeft de Heere ons zulke kostelijke waarheden weer opnieuw geschonken; en zijn deze door de Revolutie ons diefelijk ontstolen, wij willen in dezen tijd, nu de Heere ook in het midden van de Hervormde Kerk alom een vragen naar de goddelijke Waarheid geeft, den strijd aanbinden voor den Heere en Zijn Gezalfde, belijdende, dat Jezus Christus de Koning Zijner Kerk, ook onder ons moet heerschen.
En in dien strijd moeten we elkander sterken, helpen, bemoedigen. We mogen niet vertragen, maar moeten geloovig voortvaren, ziende op den Oversten Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus Christus. Ook al zijn de moeilijkheden groot en de teleurstellingen vele. 
In tal van gemeenten mag door Gods goedheid een ontsluiting der Schriften gevonden worden, om de Goddelijke waarheden naderbij, te brengen bij jongen en ouden, met toepassing der goddelijke Waarheid op alle terrein des levens. „Weid Mijne lammerkens; hoed Mijne schapen" — heeft de Heiland gezegd. En dat geschiedt daar, waar, met de zalving des Geestes begenadigd, ijverig, ernstig de Schriften ontsloten worden voor jongen en ouden; met 't oog op 't leven en op 't sterven; met 't oog op alle terrein des levens, voor huis en hart, voor gezin en school, voor staat en maatschappij. De Schriften ontsluiten is een zwaar werk, maar een heerlijk werk. „Weid Mijne lammerkens, hoed Mijne schapen" — zegt de Heiland; ook nu. Dat wij Hem maar mogen gehoorzaam zijn in deze.
Onze gereformeerde waarheid is zoo diep en zoo breed en zoo hoog, omdat ze ons van God gegeven is. En we hebben volop gelegenheid in het midden van de Ned. Herv. Kerk onze gereformeerde Waarheid te prediken, te onderwijzen, te verbreiden, te verdedigen. Waarbij ook bizonder de Catechismusprediking, met al de onderwerpen in dat geheiligd boekje ons voorgelegd, een zoo kostelijke gelegenheid is, om de fundamenteele geloofswaarheden, dogmatisch en ethisch, voor leer en leven, neer te leggen in 't midden der gemeente, aanprijzende den dienst des Heeren als een liefdedienst met zaligheid en vree.
Met die Waarheid geven wij de Herv. Kerk niet prijs. De Waarheid naar Gods Woord is op haar plaats op de erve der vaderen. Wij gaan niet weg uit de Kerk, waarin we naar Gods voorzienig bestel geboren zijn, maar blijven om des beginsels wil. En het is ons grootelijks tot bemoediging, dat duizenden bij duizenden met ons in het midden der Hervormde (Gereformeerde) Kerk aan de gereformeerde Waarheid blijven vasthouden, om voor die Waarheid plaats te vragen en plaats te zoeken inf die Kerk.
Die Kerk is nog niet verloren! Waar de spranken des Geestes zóó nog worden gezien en het vragen naar de Waarheid zóó nog wordt gehoord, daar is de Heere nog niet geweken. Ware Hij als een vreemdeling onder ons en zette Hij Zijn voetstappen onder anderen, om ons en onze kinderen in duisternis en schaduwen des doods achter te laten — we zouden de hand op den mond moeten leggen en zwijgen. Bij den Heere zou geen onrecht wezen. Want wij hebben de wijsheid Gods dwaasheid geacht en onze dwaasheid hoogelijk vereerd en geprezen. Maar des Heeren barmhartigheden roemen tegen Zijne oordeelen, wat jongeren en ouderen zullen moeten getuigen met verootmoediging des harten tot Gods eer. Daarom geven wi| de erve onzer Vaderen, waaraan de eere Gods zoo nauw verbonden is vanwege al 't werk dat Hij hier heeft verricht, niet over. Wij, die de Waarheid Gods naar Zijn Woord mogen liefheb­ ben en Hem mogen kennen, die van den Vader is gegeven tot Sions Losser en Middelaar, wij blijven waar de Heere ons een plaats bestelde in Zijn goddelijke voorzienigheid.
En op een dag als vandaag, nu we weer in zoo grooten getale bijeen zijn, voelen wij den band die ons bindt en staan er naar den band in onzen Gereformeerden Bond te sterken, om krachtiger dan voorheen in de toekomst den strijd te strijden voor waarheid en recht, doende het werk dat de Heere ons overvloediglijk te werken geeft. Met ons Bondsblad mogen wij week aan week duizenden in den lande bereiken en niet zelden sterken en tot zegen zijn. Met onze adviezen hebben we telkens velen mogen dienen. Met ons Leerstoelfonds mogen wij den weg ontsluiten voor onzen Professor, nu in ons midden, om wekelijks vele studenten in de theologie te helpen vormen voor 't treffelijk ambt van bedienaar des Goddelijken Woords, het ambt van herder en leeraar in het midden van de Hervormde Kerk. En we weten hoe onze Penningmeester week aan week mag schrijven van de groote belangstelling en liefde die er overal in den lande is voor onze fondsen, bizonder ook voor het Studiefonds, dat bedoelt jonge menschen, die dominé willen worden, bij hun lange en dure studie financieel te helpen. Al schrijven wij niet in ons vaandel „heel de Kerk en heel 't volk", zoo mogen wij ervaren dat uit alle deelen van ons Vaderland, uit alle kringen van ons volk, uit liefde voor de Waarheid en uit liefde voor de Kerk, de guldens in verbazingwekkende menigte — soms meer dan ƒ 3000.— in één week — toevloeien voor het werk, door onzen Gereformeerden Bond ter hand genomen.
„Ende despereert niet", schrijft de Heere boven de geschiedenis van ons Bondsleven. En onze landdag van heden is weer zoo'n schoone gelegenheid om moed te grijpen en geloovig voort te gaan. Bizondere zegening ga er van dit ons samenzijn uit — wat we te meer hoopvol verwachten, nu een zoo bij uitstek gewichtige voordracht van prof. Visscher, in betrekking tot de bediening des Woords onder ons, wacht.
Dat onze Hoogleeraar, die zich hier omringd weet van 'n breeden kring van vrienden en geestverwanten, pas een zoo mooi jubileum mocht vieren, toen hij 25 jaar professor was aan de Rijks-Universiteit te Utrecht, verblijdde ons. Voor hem en de zijnen, ook voor het gereformeerde volk in het midden van de Ned. Hervormde Kerk, was het zoo verblijdend, op te mogen opmerken de groote zegeningen die God in deze zoo mild wilde schenken. De Heere sterke onzen Professor ook verder bij zijn gewichtvollen arbeid. En nu verlangen wij naar de behandeling van het onderwerp, dat ons voor deze morgenvergadering is aangekondigd. Professor Visscher zij dan ook het woord gegeven nu. Wij hebben gezegd.
Prof. Visscher hield nu zijn referaat, waarvan verslag hier volgt. Onderwerp was :
HET MYSTIEKE ELEMENT in DE BEDIENING DES WOORDS.
I. Het woord mystiek is van ouds aangetroffen onder de heidensche volkeren. Eeuwen voor Christus waren er onder die oude volkeren godsdienstige vereenigingen, met samenkomsten waar allerlei rituëele, symbolische en magische handelingen werden verricht. Daar waren allerlei mysteriën of verborgenheden in die vereenigingen en samenkomsten en alleen de „ingeleiden" verstonden er iets van. Dat waren degenen die in de mysteriën of verborgenheden ingeleid werden en heetten de mystieken, of mystici. Die mystieken waren in een gemoedstoestand van iemand, die in een bepaald mysterie werd ingeleid; ingeleid dus tot hetgeen achter de vormen en achter de symbolische handelingen verborgen was; doordringend tot het inwendige. En dat mystieke gaf een bizondere, innige gemeenschap met de godheid; het bracht tot de kern der mysteriën-wijsheid. (Bij Vereenigingen als „de Vrijmetselaars-Loge" wil men zulke dingen nadoen).
Sommige priesters der oudheid waren beroemd, omdat zij den naam hadden bizonder „mystiek" of bizonder „ingeleid" te zijn in de verborgenheden en in bizonder innige betrekking te staan tot de goden. Die mystieke priesters waren alom begeerde personen; zooals Epimenides uit Creta, die door de Atheners geroepen werd, toen hun stad in grooten nood verkeerde en op bizondere wijze gereinigd en geheiligd moest worden. (569 voor Chr.). Epimenides wist daar een indrukwekkend middel voor en uit dien tijd dateeren de altaren voor „den onbekendem God" (Hand. 17). De „mystieke", bizonder ingeleide godsman had de stad mooi geholpen!
Degenen die er voor aangezien werden of zich zelf aandienden als „bizonder" ingeleiden, stonden in een goed blaadje en vonden veel aanhangers, die ook gaarne zouden worden „ingeleid" in de verborgenheden of mysteriën. Zij begeerden óók tot de mystieken te mogen behooren.
Het woord mystiek stamt af van een Grieksch werkwoord myein, dat beteekent: „de oogen sluiten". Dat diende dan, om den menschelijken geest van de waarneming der wereld rondom, ons af te snijden; van het leven zich los te maken; om zich terug te trekken in zichzelven; om in zichzelf te verzinken, als 't ware.
De „mystieken" meenden, langs den weg van dezen inkeer in het innerlijke, onmiddelijk zelf te kunnen benaderen het bovenzinnelijke, het goddelijke. Verzonken in eigen gemoedsleven, gedragen door een liefdes-ontroering, meende men te kunnen komen tot een zoete, zalige vereeniging met het goddelijke; om in zaligen liefdedroom met de godheid gemeenschap te mogen oefenen; welke gemeenschap dan op eene voor het verstand ondoorgrondelijke wijze, op „verborgen" manier, tot stand kwam. „Verborgen omgang" met de godheid, op onmiddellijke wijze; met een „wegzinken in de godheid".
De „mystiek" is dan ook: het goddelijke op eene bizondere gevoelsmatige wijze ervaren, aanschouwen, ontwaren in eigen bewustzijn, zóó, dat dit tot eene vereeniging met het goddelijke wordt gebracht; opgaan in 't goddelijke; verzinken in het mysterieuse; wat een pantheïstischen trek vertoont door de vervloeiïng en verflauwing der grenzen tusschen den mensch en de godheid. „Mystiek" is dus in de oude heidenwereld heel iets bizonders. Het doelt op de kern der mysteriën-wijsheid en het is een voorrecht, dat voor de ingeleiden weggelegd is. De ingeleiden zijn de mystieken.
Merkwaardig en voor ons van belang te weten is het feit, dat bij zulke „mysteriën" of verborgenheden, welke in onderscheidene genootschappen door „ingeleiden" uitgeoefend werden, allerlei buitenissigheden en uitspattingen van extatische toestanden — waarbij de mensch „buiten zichzelf" was — zich voordeden. Het werden kweekplaatsen van allerwonderiijkste en allerzonderlingste dingen, met zenuwspannende handelingen, die dikwijls allergevaarlijkst waren. Uit die omgeving en uit die beweging dus stamt het woord „mystiek" af.
II. Waar het woord mystiek uit die oud-heidensche kringen ons is toegekomen, voelen we toch, dat de mystiek op zichzelf beschouwd als „gemeenschap zoeken en oefenen met het hoogere, met het goddelijke en met hetgeen achter de vormen verborgen zit", in strikten zin zuiver menschelijk is. Want dat is den mensch ingeschapen, om te vragen naar hetgeen achter de dingen zit en te zoeken het hoogere; te zoeken naar God. De mensch, ook in gevallen staat van Gods geslacht zijnde, is op God aangelegd en heeft behoefte aan Gods gemeenschap. Paulus spreekt er van op den Areopagus, dat het geslacht der menschen, uit éénen bloede gemaakt, zoekt en tast of het God ook vinden kan; want in Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij. (Hand. 17). Calvijn heeft ons geleerd, dat het semen religionis, d.i. het zaad der religie, in elk mensch sluimert krachtens zijn geschapen zijn naar Gods beeld; zoodat de mensch niet slechts geschikt is voor een gemeenschapsoefening met God, maar er voor aangelegd en bestemd is om openbaringen Gods te ontvangen. Wat onze Heidelberger Catechismus in de 3e Zondagsafd. aldus uitdrukt: dat de mensch is ,,geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijnen Schepper recht ken men zal".
Wanneer wij dit weten, voelen wij tegelijk dat in elk mensch een „mysticus" sluimert. Wij zijn allen, krachtens onze schepping, van Gods geslacht en dus „mystiek". En het kan een oase zijn voor den mensch te midden van het aardsche leven, als hij zich kan terugtrekken in gemeenschapsoefening met God. Kunstmatige retraites, zooals Rome die heeft, zijn daarvoor allerminst noodig. Al het kunstmatige draagt bovendien in zich het gevaar eerer doodende vleeschelijke heiligmaking.
Bij Gods kinderen is met name hun gebedsleven hun dagelijksch inkeeren tot God, het zoeken en ook het ontmoeten van Zijn aangezicht; het zoeken en ook genieten van Zijn gemeenschap. „Gods verborgen omgang vinden zielen waar Zijn vrees in 'woont, 't Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden, naar Zijn vreeverbond getoond", 't Stil gemoed van de vromen houdt zich om op Goid te letten en God laat zich vinden door degenen, die Hem vreezen.
Het leven der religie is in z'n aard en wezen mystiek. Religie zonder mystiek is er niet. 't Zou zijn een bloem zonder kleur, zonder fleur, zonder geur. Dorre ranken zonder leven en zonder vrucht. Zonder mystiek vordert, versterft de religie; mystiek is het symptoom van de gezondheid der ziel. In het algemeen is dus mystiek in het geestesleven het normale, het gewenschte ook; voorwaarde voor een gezond geloofsleven.
Maar — nu bestaan daarnaast openbaringsvormen van mystiek, die een abnormaal en dus ziekelijk karakter vertoonen en die aan den aard en het wezen van de mystiek ontzonken zijn. Dat is geen mystiek, maar dat duiden we aan met den naam van mysticisme, als een ziekelijk en gevaarlijk verschijnsel; dat zich voor mystiek wil uitgeven, maar geen mystiek is. Een ontaarding, ook in ons kerkelijk leven, voorkomend; doch waarlijk daar niet alléén. Het is een teeken des tijds, dat dit ontaarde, ziekelijke verschijnsel van mysticisme ook in overlgens ontkerstende kringen wordt aangetroffen en daar welig groeit als een giftige schimmelplant. Het mysticisme doet daar zelfs z'n grooten invloed gelden in breeden kring. Dit mysticisme heeft een pantheïstischen trek; de onderscheiding tusschen het Goddelijk Wezen en het menschelijk ik-bewustzijn verzwakt, verflauwt, vervloeid, wordt uitgewischt. Door onmiddellijke religieuse aanschouwing wordt het een „in God wegzinken". Het pantheïsme en het mysticisme stoelen in den diepsten grond op dezelfde ziekelijke abnormale, neiging. De ondergang der eigen persoonlijkheid in de aanschouwing van het goddelijke is niet het gezonde, het normale, maar het abnormale en ziekelijke. Het persoonlijke Gods wijkt terug, 't verdoezelt. Het mysticisme is dan ook een beneveling van de onderscheidende werkzaamheid der rede; de mysticist wordt door het goddelijke opgeslurpt; hij kent zich niet meer als beelddrager Gods in schriftuurlijken zin; hij vindt zichzelven niet meer terug; hij is zichzelf niet meer; hij is weg; hij schiet in taal tekort om aan zijne gevoelswerkingen uitdrukking te geven. Er is geen sprake meer van eene overgave aan God, maar slechts van een willoos verzwolgen worden in gevoelsdiepten, die de mysticist voor het Goddelijk Wezen aanziet. Het Wezen Gods en het wezen van den mensch wordt aangerand; en dat verschijnsel bij de Oosterschen godsdiensten gaat ook rond in de Westersche beschaving. Dit pantheïstisch beginsel werkt overal als een zuurdeeg. Het is een verschijnsel van breeden omvang en van groote beteekenis, vroeger en nu; in de wijsbegeerte en in de religie. En dat mysticisme, dat nevenbegrip en die ziekelijke ontaarding van de mystiek woekert ook in het midden van het christelijk leven en speelt dus ook een belangrijke rol in de geschiedenis der Kerk; waarover straks nog iets meer zal worden gezegd.
III. Wij hebben nu eerst stil gestaan bij het begrip der mystiek; toen hebben wij mystiek en mysticisme naast elkaar gesteld; nu handelen wij over de christelijke mystiek. Het godsdienstig leven van Gods Kerk is niet zonder mystiek. Juist omdat het godsdienstig leven is, kan het niet zonder mystiek. Er is geen godsdienst zonder mystiek Maar nu moet bij de christelijke religie in het midden van Gods Kerk het karakter van de mystiek bepaald door het wezen van het christelijke zelf. En dan staat vóórop, dat bij de christelijke redigie in het midden van Gods Kerk Jezus Christus de weg, de waarheid en het leven is, en niemand komt tot den Vader dan door Hem. Christus zegt zelf: „Ik heb Uwen Naam geopenbaard den menschen, die Gij mij uit de wereld gegeven hebt". De verborgen omgang met God is dus in de christelijke religie allereerst de „unio mystica cum Christo", zooals onze Vaderen zeiden. De christelijke religie kent geen onmiddellijk „zich in God verzinken"; omdat zij geen God kent buiten Christus om. In Christus is de eenig ware en echte kennisse Gods verschenen en geopenbaard; in Hem, die het vleesch geworden Woord is, den broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde.
Wij zien dan ook, dat in christelijke mystiek, zooals zij in de geschiedenis der Kerk zich voordoet, de gemeenschap met Christus eene eerste plaats inneemt. De verborgen gemeenschap met Christus en eerst daarna, maar dan ook vol zaligheid, een verborgen omgang met den Vader en den Heiligen Geest. Denk slechts aan Thomas a Kempis' De navolging van Christus. In het heiligdom der kennisse Gods is voor den christen het „mustèrion", het mysterie, in Jezus Christus, God geopenbaard in het vleesch, Immanuël: God met ons. Hij is het afschijnsel van Gods heerlijkheid, het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid; de weg, de waarheid en het leven. Hij en de Vader zijn één en die Hem vindt, ontmoet God, om in Christus te mogen zeggen: Abba, lieve Vader!
Daarom zegt Christus, de Gezalfde des Vaders; dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen waarachtigea God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.
In die christelijke, gezonde mystiek, is het leven van Gods kinderen, is de verborgen omgang met den Heere Jezus Christus, die in het geloof wordt gekend, in de hoope verwacht en in de liefde wordt ontvangen. Met Hem ,,God met ons", die de ware menschelijke matuur heeft aangenomen, is het mogelijk in gemeenschap te treden. Zonder Hem kan er nimmer sprake zijn voor den mensch van gemeenschap met God; hoogstens van een wiegen op den golfslag van het religieuse gevoel. In de christelijke religie onderscheidt zich dus de mystiek daardoor van alle andere religieuse mystiek, dat zij geen onmiddellijken omgang met God kent, maar slechts een middellijken, die in den Middelaar Jezus Christus wordt ontsloten. Het „Vaderlijk meedoogen" is alleen in den Zoon van 't welbehagen Gods. ,,Maar wij zijn om Zijnentwil uit genade kinderen Gods aangenomen", zegt de Heidelberger Catechismus in de 13e Zondagsafdeeling. De christen is alles door den Christus; „door het geloof een lidmaat van Christus en alzoo Zijner zalving deelachtig, opdat wij Zijnen Naam belijden". 
Zoo is dus de gezonde christelijke mystiek, zooals zij in de Heilige Schrift verschijnt, het door Gods Heiligen Geest verwekte geloofscontact met den Middelaar en de in en door Hem met den Vader gelegde levensband. En de Heilige Geest brengt het tot volle klaarheid in het bewustzijn van Gods kinderen door de Verlichting, die Hij er over doet opgaan. „Want het leven is geopenbaard en wij hebben het gezien en wij getuigen en verkondigen ulieden dat eeuwige leven, hetwelk bij den Vader was en ons is geopenbaard" (1 Joh. 1 vers 2).
IV. Naast en tegenover deze gezonde levensmystiek, welke Gods kinderen in Christus mogen kennen door de zalving des Geestes, komt het mysticisme als een woekerplant, die zich in wilde vormen vertoont. Soms doet die verderfelijke plant denken aan een Satan in de gedaante van een engel des lichts. Het beroept zich op een inwendig licht, dat onmiddellijk in de ziel opgaat buiten elk verband met het geopenbaarde Woord Gods om en zonder eenig contact met Gods Kerk. Het Woord Gods wordt dan achtergesteld bij het innerlijk getuigenis des Geestes; de ervaring der ziel is meer dan de belovende God, meer dan de Vader van onzen Heere Jezus Christus. Wat wij on onzen harten bevinden moet dan beslissen, niet Gods Woord. Men spreekt van gestalten en ervaringen, om daar z'n vertrouwen op te stellen.  
In de plaats van het ware leven der godzaligheid treedt de grilligheid eener onbeteugelde verbeelding, met hare dikwijls phantastische droomvoorstellingen, in de plaats. Hysterische naturen met ziekelijke verbeelding kunnen de wonderlijkste dingen voortbrengen.
Het typische kenmerk van het mystycisme is, dat de personen in kwestie voelen en zien met het oog der ziel en een onmiddellijke kennis hebben, welke kennis voor hen optreedt als eene openbaring Gods. Voor de Heilige Schrift hebben zij geen eerbied; ze hebben er ook geen behoefte aan, want God leert hun onmiddellijk alle dingen. Maar zoo is het ook product van een ziekelijk zenuwleven, waarin waanvoorstellingen een rol spelen en het religieuse zich in buitengewone, onnatuurlijke vormen openbaart. Een zenuwverschijnsel is het, door door zijn infectie-vermogen verre van onschuldig is.
V. De mystiek en de Heliige Schrift. Gods Woord brengt ons het Evangelie van Jezus Christus als een ,,verborgenheid" welke is geopenbaard. Paulus spreekt van „de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest, maar nu geopenbaard is en door de profetische Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods; tot gehoorzaamheid des geloofs onder alle de heidenen bekend gemaakt is" (Rom. 16 vs. 25, 26). Er is dus een verborgenheid, een verborgenheid det godzaligheid. Dat hebben de tijden der eeuwen niet gebracht, maar de eeuwige God. En nu is die verborgenheid in Christus, in en door de profetische Schriften, tot welke verborgenheid de heidenen moeten komen. Ze moeten komen tot „de wijsheidf; ze moeten ingeleid worden en achter dat mysterie komen om het tot zaligheid te verstaan. Ze moeten komen tot „de wijsheid onder de volmaakten, welke is de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineend heeft tot heerlijkheid" (1 Cor. 2 vers 6, 7). Paulus voelt zich een bedienaar van die „verborgenheid Gods'', van dat mysterie des Heeren tot zaligheid in Christus geopenbaard voor een iegelijk, die ingeleid wordt door den Geest. Zóó worden de geloovigen „geteeld" door „de dienaars van Christus en uitdeelers der verborgenheden Gods", zooals Paulus, Timotheüs en anderen zich weten te zijn en zich bij voorkeur noemen (1 Cor. 4 vers 1, 15). Dat is een heel andere gang der mysteriën dan bij de heidenen! Deze mysteriën of verborgerheden zijn Godes en zijn tot zaligheid door het Evangelie, in Christus, door den Geest.
Hier komt eerst Gods Woord als openbaring Gods in aanmerking. God is gekomen tot den mensch in ongevallen staat, om Zichzelf aan Zijn beelddrager bekend te maken. Maar nu is de mensch gevallen en in den gevallen staat is geen Godskennis in zaligmakenden zin. Dat kan alleen door eene openbarende daad Gods in bizonderen zin, waarbij de mensch dan ook wedergeboren moet worden om die openbaring te verstaan.
De wederbaring is onafscheidelijk met de openbaring verbonden, zal de openbaring den mensch tot zaligheid en leven zijn. „Tenzij iemand wederom geboren wordt, hij zal het Koninkrijk Gods niet ingaan (Joh. 3). Dat is het mystieke karakter van het verstaan van de openbaring Gods. 
Zoo komen de verborgenheden Gods tot degenen die Hem vreezen. 't Is als een openbaring van wat niet gekend werd; en Hij openbaart Zijn verborgenheden aan Zijn knechten (Amos 3 vers 7). Als de verborgenheid in onze tent is, doet de Heere ons Zijn heil zien (Job 29 vers 4).
Er is een ingaan in de mysteriën, in de verborgenheden Gods, welke de Heere openbaart aan Zijn kinderen. „Gods verborgen, omgang vinden zielen daar Zijn vrees in woont, 't-Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden, naar Zijn vreeverbond getoond". Er is een getrokken worden in het heiligdom van gemeenschapsoefening met het Goddelijk Wezen. Dat is de levende kennis Gods, gepaard gaande met de vreeze Zijns Naams. En die zaligmakende kennis is met het bloot verstandelijk kennen niet op één lijn te stellen. 't Is geen zaak van het intellect, van het verstand; dat mysterie, deze verborgenheid der godzaligheid is door Gods Geest in den weg der wedergeboorte en bekeering. Niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn dan door den Heiligen Geest. De Geest Gods leidt in alle waarheid. Dat is het voorrecht hetwelk geschonken wordt aan de kinderen Gods. Aan de discipelen was het gegeven ,, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten ( Matth. 13 vers 10).
Gods kinderen zijn de bevoorrechten; zij zijn de ingeleiden, zij zijn de mystici. ,,Wij weten dat wij uit God zijn en dat de geheele wereld ligt in het booze. Doch wij weten, dat de Zoon Gods gekomen is en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, n.l. in Zijnen Zoon Jezus Christus; deze is de waarachtige God en het eeuwige leven (1 Joh. 5: 20). Dat noemt de apostel ,, de zalving van den Heilige", waarbij hij zegt: ,,de zalving die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van node dat iemand u leere"(1 Joh. 2: 20, 27). ,,Maar die ons met u bevestigt in Christus, en die ons gezalfd heeft, is God" (2Cor. 1: 21).
Het mysterie des geloofs, de groote verborgenheid der godzaligheid, is Christus (1 Tim. 3: 16).
De Apostelen zijn zich klaar bewust geweest, dat dit alles werk Gods, werk des Geestes is. Heel de profetie is van God. Al de Schriften zijn van God. En dezelfde Geest die de Schriften gaf, moet in de verborgenheden der godzaligheid inleiden.
De Schriften zijn uit God, leeren de Apostelen. „De heilige menschen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken." Ze zijn niet door menschen voortgebracht, maar ze zijn leven uit den levenden God en door de mannen Gods doorleefd. En door dien zelfden Geest ontvangen nu de kinderen Gods doorleving van dat levende Woord Gods. Dat Woord is ,,mysterie", verborgenheid Gods, welke verborgenheid nu geopenbaard wordt aan de kinderen Gods, door de zalving des Geestes; zoodat zij de waarheid, die naar de godzaligheid is, verstaan. 2 Tim. 3 : 15. 
Ze zijn hun een onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is (vers 16), opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust (vers 17).
Zoo worden de geloovigen „ingeleid". De Heere Jezus heeft den Naam Gods d.i. Gods Wezen geopenbaard. Deze openbaring is niet slechts een verstandelijk kenbare mededeeling, maar een levensfeit, dat voor gansch het zielsbestaan der Zijnen 't een en 't al is. ,,Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven." (1 Joh. 3) „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt".
De geloovigen moeten niet weggenomen worden van de aarde, maar bewaard bij en ingeleid in de waarheid. En dat kennen komt niet uit ons op, zooals de rede werkzaamheid des menschen en zijn verstandswerking, maar zij is het leven zelf. En dus is van haar en de rede en het verstand afhankelijk. 't Gaat om dat leven dat uit God is, door den Geest. Hier zijn twee gevaren, die dreigen: Intellectualisme en Mysticisme.
VI. Gods Woord is geen gewoon geschrift; dat wij met onze rede kunnen opnemen en verwerken. 't Is het levend Woord Gods, dat wij beleven moeten door den Geest. Hier dreigen twee gevaren; en wel het intellectualisme, dat is het verkeerd inzetten van het verstand bij deze dingen; en het mysticisme, wat een ziekelijke ontaarding is van de mystiek. Het is nu eenmaal een feit, dat er geen zaak is, waarop de mensch trotscher is dan op zijn intellect, op zijn verstand. En de moderne mensch verwacht er alles van. Alles wordt intellectualistisch ingesteld in onzen tijd; denk maar aan 't Onderwijs. Geen wonder, dat het dus óók op kerkelijk gebied telkens den voorrang vraagt.
Het theoretische wordt gesteld boven alle levensfeiten, boven het beleven. De religie wordt er door omgezet in iets dat geen religie meer is. Het religieuse leven wordt gemaakt tot een vorm van wijsgeerig kennen; of, eenvoudiger uitgedrukt, tot een verstandelijk weten. De Schrift veroordeelt dat overal. De religie wordt dan een bloot leersysteem.
Met de opkomst der nieuwere wijsbegeerte van Cartesius en Spinoza heeft 't ook ten onzent de Godgeleerdheid in eene richting geleid, die voor den bloei van 't godsdienstig leven een schade werd. De theologie van de 18de eeuw, uit de jaren 1700 en zooveel, verschilt hemelsbreed van de oorspronkelijke oude Calvinistische. Het werd een verintellectualiseerde theologie, welke allerlei conflicten opriep met de opkomende moderne wetenschap en het religieuse leven van zijn teerheid beroofde, 't Liep uit op het modernisme. Alles bezweek onder de critiek van des menschen verstand. De oude traditie werd tot een mummie en inplaats van de leer der Kerk kwamen filosofische bespiegelingen (Col. 2: 8). Bij het vasthouden aan orthodoxe termen, kwam een prediking die dor en doodsch was. En op groote schaal trad de ontkerstening des volks in. Ook nu is er een neiging tot accomodatie aan de modezucht. En ook nu wordt Aristoteles als redder begroet. En bij de verstarring zoekt men als een surrogaat allerlei kunstmiddelen te gebruiken. Maar verzadigen kan alleen het brood, dat uit den hemel is nedergedaald.
De tegenvoeter van dit Intellectualisme, het verkeerd inzetten van het verstand, is het Mysticisme, de ontaarding van de Mystiek. Dit mysticisme siert zich gaarne met den naam „bevindelijk", hoewel het dit volstrekt niet is.
De bevinding, in Schriftuurlijken zin genomen als in Rom. 5 vers 4 blijkt, is de ervaring die een christen in zijn loopbaan opdoet, als hij geen vreemdeling is in de practijk der godzaligheid. Kinderen Gods zonder bevinding, zonder bevindelijk leven, zonder een leven waarin zij de kracht en de heeriijkheid der godzaligheid ervaren, proeven en smaken, zijn er niet. Want God wil bij de Zijnen woning maken in Christus Jezus door den H. Geest (Joh. 14, Joh. 15). En Gods verborgen omgang vinden zielen daar Zijn vrees in woont. Gods kinderen kunnen en mogen dus zeggen: „hoort, wat mij God deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft aan mijn geest". Daarom moet er ook bevindelijk preeken zijn; want 't ware leven van Gods volk moet besproken worden; waarbij de dienst des Heeren aan de reizigers naar een beter Vaderland mag worden aangeprezen als een liefdedienst. Het is dus noodzakelijk bevindelijk het Woord te bedienen, de Schriften te ontsluiten. Het Formulier ter bevestiging van de Dienaren des Goddelijken Woords legt 't dan ook nadrukkelijk als taak op. Want daar staat: „Eerstelijk, dat zij des Heeren Woord, door de Schriften der Profeten en Apostelen geopenbaard, grondig der gemeente zullen voordragen en hetzelve toeeigenen, zoo in 't algemeen als in 't bijzonder, tot nuttigheid der toehoorders".
Maar door hen, die hóóg van bevinding opgeven, wordt nu helaas! maar al te dikwijls dan heel iets anders gegeven en iets anders gevraagd. Want in onderscheidene kringen heeft zich een valsch mysticisme van het woord „bevinding" meester gemaakt. Want in plaats dat de vastigheid en de heerlijkheid van Gods Woord uitkomt, treft men vaak een geringschatting aan van de Schrift. Waarom? Omdat men zich beroept op een innerlijk licht, dat onmiddellijk en onafhankelijk van de Schrift  — en dat noemt men dan „bevinding" — in de ziel zou schijnen. Men wil zelf aan het woord komen, ten koste van het Woord. Men beroemt zich op ervaring — bevinding — buiten de Schrift om.
Daarom neemt het ook onder ons dikwijls zeer grillige, vaak zelfs visioen-achtige vormen aan. Allerwonderlijkste dingen worden voorgedragen. Ook spreekt het zich wel uit in termen, die een ontwricht, onevenwichtig, ziekelijk leven verraden. Meestal liggen er ziekelijke toestanden aan ten grondslag. Men is de gezonde, Schriftuurlijke waarheid en het gezonde geloofsleven kwijt. En niet zelden doen zich hierbij ook sexueele afwijkingen gelden. Het is dan ook een opmerkelijk verschijnsel, wel bekend overigens, dat secten en conventikels niet slechts broeinesten kunnen zijn van krankzinnigheid, maar ook van ontuchtige levensvormen. Denk maar aan de geschiedenis van de Wederdoopers die Naaktloopers werden, aan de Zwijndrechtsche Nieuwlichters en aan menig conventikel, waar men meende in den geest begonnen te zijn, om erger dan de Galaten met het vleesch te eindigen.
Van een uitlegging van Gods Woord en een ontsluiting der Schrift komt vaak niets of zoo goed als niets terecht. Er is niet zelden een minachting van Gods Woord. Predikers of voorgangers lezen een tekst af, maar roeren het Woord verder niet aan. Er is geen uitgraven van de schatten van Gods Woord, geen diep afdalen om te zoeken de parelen van Gods Getuigenis, veeleer is er onteering van Gods Woord, dat door menschenwoord — en welk menschenwoord dan nog — vervangen wordt. De prediking doelt hier niet op de openbaring van de heerlijkheid van Gods Getuigenis voor de gemeente, maar op uitstalling van de diepzinnige, allerwonderiijkste bevindelijkheid van den prediker. In de plaats der uitlegging en toe-eigening treden zeer wonderlijke inleggingen en willekeurige, dwaze, belachelijke opsieringen, die Gods Woord mishandelen.
Op deze wijze worden gemeenten en soms bepaalde streken van ons Vaderland, waar men zulke dingen begeert en zoekt, volkomen bedorven. Daar wordt een gezonde, Schriftuurlijke prediking onmogelijk gemaakt en de schare wordt afgevoerd van den weg der Waarheid, van het leven uit en met Gods Woord, om afgevoerd te worden naar het moeras der ziekelijke bevinding, naar den drassigen bodem van het ziekelijk mysticisme.
Losgemaakt van den band des Woords, voelt men dan ook niet meer voor een geordenden Dienst des Woord; de vorming voor en de opleiding tot den heiligen Dienst wordt volkomen overbodig geacht en als letterknechterij veroordeeld. Men vergadert zich zelf leeraren en de beste prediker wordt hij, die zich niet voorbereidt en op schandelijke wijze z'n plicht verwaarloost. 't Heet dan, dat zulke menschen „van God geleerd" zijn en „uit den Geest" preeken.
Zulke woekerplanten komen hier en daar op en tieren welig. Er is geen eerbied noch voor God, noch voor Zijn Woord en onder mystisch gewaad sluipt de geest van anarchie ook in de kringen van ons gereformeerde volk rond. Predikanten, ook kerkeraden hebben hier schuld. Men laat zich misleiden en men heeft zelf niet genoeg kennis der Waarheid om zich te verzetten tegen zulke ziekelijke practijken, die het volk ontblooten van alle kennis en leven. Laten de broeders ouderlingen het formulier ter bevestiging nog eens lezen en de dienaren des Woords het hunne. Voor de ziekelijike ontaarding moet weer een gezonde ontwikkeling komen!
VII. Hoe zal nu in de prediking het mystieke element tot zijn recht komen Het zal duideiijk zijn, dat die vromen, die onvoorbereid preeken en in buitenissigheden een buitengewoon geestelijke genieting smaken, Gods Woord beleedigen en van de leer der Vaderen verre afwijken. De Schrift draagt het levend en eeuwig blijvend Woord Gods in zich, hetgeen de heilige mannen Gods onder de bewerking des Heiligen Geestes doorleefd hebben en dat Woord leest men dan niet eens, onderzoekt men niet predikt men niet. Men graaft niet de schatten van Gods Getuigenis uit dat Woord, en brengt ze niet aan de Gemeente.
En dat wilden onze Gereformeerde Vaderen, daarvan spreken de oude Schrijvers uit den bloeitijd der Gereformeerde Kerk. Alexander Comrie zegt, dat we altijd beginnen moeten „nauwkeurig de kracht der woorden in hun verband na te gaan". En als het er nu op aankomt „de onfeilbare schrijvers door den Heiligen Geest gedreven te verstaan, hoe verkeerd is het dan de Schrift te willen uitleggen, niet naar de kracht en den zin der woorden in hun verband beschouwd, maar naar een, eigen bevatting, die men zichzelven maakt" (Zie Comrie's aanteekeningen op Voetius' Proeve van de Kragt der Godzaligheid, enz. Leeuwarden, 1763). Comrie leefde in donkere dagen, toen het intellectualisme reeds groote schade had toegebracht aan het geestelijk leven onzer Kerk (geb. 1706; 1735—1773 pred. te Woubrugge; 1774 als emeritus te Gouda gestorven). Deze godzalige prediker legde juist zoo grooten nadruk op een zoo juist mogelijke verklaring van den tekst.
En dat men den Dienst des Woords niet als iets onbeduidends beschouwen mag en dat men zich met grooten ijver behoort toe te leggen op de studie der Schrift en er dus niet zóó maar, onvoorbereid, mag gaan staan, dat kan ons de geleerde en godzalige Voetius leeren, die er grooten nadruk op legt, dat de uiterste voorzichtigheid eisch is, wanneer iemand „van God en Zijne verhevene gedachten en werken de waarheid zelve zeggen zal" (Proeve van de Kragt der Godzaligheid, enz.). Voetius zegt, dat daarvoor noodig is de klaarheid van onderscheiding, maar ook voorzichtigheid in het spreken in het midden van Gods gemeente. Het is daarom, zegt hij, noodig: „dat men niet dan doorkneede en te voren wel gekookte overdenkingen voortbrenge". De prediking „moet opheffen tot heiligen eerbied, moet opwekken tot oefening, vertroosting en verbetering". De vorm moet passen bij de heerlijkheid van de zaak, opdat de hoorders „in verwonderinig en heilige ontroering tot de bergen des Heeren worden opgevoerd". En Voetius, die in dit vertband wijst op Augustinus en Calvijn, spoort hen, die zich voorbereiden ,,deze verborgenheden" aan Gods volk voor te dragen (1 Cor. 4 vers 1), aan, toch vooral de Institutie van den grooten Hervormer Calvijn te lezen.
Wie prediker is, moet de Schriften onderzoeken en Mozes, de Profeten, de Psalmen, ja gansch Gods Woord brengen, gelijk de Heiland Zelf ons een exempel heeft nagelaten en de gemeente moet voelen, dat daar een man staat, die uit levendige overtuiging spreekt. „Gij zult mijne getuigen zijn", heeft de Heiland gezegd. En dan moet verkondigd worden wat men zelf kent en gelooft, naar de Schriften. Op den weg des levens, die naar de Schriften is, mag de prediker geen vreemdeling zijn; zijn hart moet brandende in hem bevonden worden. En daarom zegt Voetius: „Wie levendig van deze dingen leert als in betooning van kracht, die God heeft verkoren tot zijn rotssteen, die Zijne liefde in 't harte draagt en betoont met de werken, die man is een gezegend prediker". Voetius waarschuwt tegen valsche mystiek, tegen valsche lijdelijkheid en antinomianisme, waarbij de vleeschelijke zonden eer op ergerlijke wijze worden vergoelijkt dan streng bestraft. Gruwelijke dingen mogen niet goedgepraat worden met verwijzing naar het talent van den spreker en zijn zalvenden woordenstroom.
Voetius waarschuwt tegen spreken voor de vuist zonder nauwgezette studie, tegen een Woordvloed uit het verstand om eens te laten zien wat men kan en weet. Hij wil geen ordeloos en verward spreken; en hij moet niets hebben van het theatrale, gemaakte, tooneelachtige; noch van woorden aan straattaal ontleend.
Ook Calvijn waarschuwt in zijn verklaring van 2 Cor. 2 vers 4 tegen mooie woorden en een zorgeloos, zondig, slordig leven. En zoo hebben de Vaderen aangespoord om rekening, te houden met de rijkdommen en schatten van Gods Getuigenis. Het is van groot belang, dat wij ons door hun voorbeeld laten leeren. De ziel kan alleen leven bij alle Woord, dat uit Gods mond uitgaat. Ook in dit opzicht stelt de werkelijkheid dezer dagen ons voor eene zware schuld der Kerk, die in geestelooze verarming verwordt. Met de leeraren zakken de gemeenten af. Ziekelijke naargeestigheid komt in de plaats van gezonde prediking en gezond geloof en gezond leven. Geestelijke hoogmoed bederft zooveel. Wie zal zeggen hoeveel beschimmeld en bedorven en vergiftigd brood er wordt opgedischt en wordt gegeten. Van verdoemenis spreekt men, maar de genade der rechtvaardigmaking en het geloof en het gebedsleven zijn verachtelijk en woorden worden gebruikt en termen gebezigd, die een ziekelijke onnatuur verraden. Daarbij worden de Sacramenten miskend en verwaarloosd. En de heiligheden des Heeren worden tot een bespotting, tot een aanfluiting gemaakt, terwijl het volk verwildert en de zielen wegdwalen.
Zal er voor de Kerk, voor onze Kerk, redding zijn? Alleen in wederkeer tot den God der Vaderen en tot Zijn Woord. En één der wapenen in die worsteling om redding is zuivere en daarom levende prediking van het Evangelie van Christus Jezus.
De arbeid van den Bond zal niet ijdel zijn, als hij meewerkt om in onze oude en dikwijls verguisde Kerk weder te doen komen een prediking, die zelfs hen aantrekt, wier levenswegen er toe geleid hebben dat zij aan de oude Moeder-Kerk een scheldbrief gaven. Laten wij ons beijveren in het midden der Hervormde Kerk trouw te zijn in datgene, waarin wij volkomen vrij bleven: in de prediking des Woords. En laten wij daarbij vasthouden aan de normen van de oude Gereformeerde belijdenis. Hopeloos is 't niet, want de Heere heeft reeds getoond dat Hij machtig is, ondanks den smaad die over onze Kerk ging, uit haar afgehouwen tronk een rijsje, en een scheut uit hare wortelen te doen opgaan, die vrucht voortbrengt. Hij zal Zijne eer aan geen anderen geven. In dit vertrouwen zal onze sterkte zijn, want Hij VERLOST ZIJN KERK DOOR ZIJN WOORD ALLEEN.
Na deze met gespannen aandacht gevolgde rede van prof. dr. H. Visscher, vertolkte de Voorzitter in welgekozen woorden den hartelijken dank der vergadering voor dit mooie woord, dat met zooveel kennis en teederheid deze gewichtige zaak behandelt, en verzocht de vergadering Ps. 25 vers 7 te zingen.
Met dankzegging door prof. Visscher werd de morgenvergadering gesloten.
De middagvergadering, die alleen voor de leden van den Bond toegankelijk was, werd om kwart over twee door den Voorzitter geopend. Hij noodigde, nadat Psalm 89 vers 3 door de vergadering gezongen was, ds. Timmer van Ermelo uit in het gebed voor te gaan. Na een kort welkomstwoord van den Voorzitter werd aan den Secretaris de gelegenheid gegeven zijn jaarverslag voor te lezen. Het luidde aldus:
JAARVERSLAG VAN DEN SECRETARIS.
Het strekt mij tot groote dankbaarheid, dat ik het geheele jaar het werk, dat uw Secretaris te doen heeft, heb mogen verrichten. Slechts korten tijd immers nadat ik van een ernstige ziekte was hersteld, werd mij deze functie opgedragen. Nu ik mijn eerste verslag lever, in deze onze 24e Bondsvergadering, mag deze persoonlijke bekentenis wel even voorafgaan. Mijne zaak is hierin toch ook de uwe. Met weemoed en droefheid gedenken wij aan het sterven van ds. G. H. Beekenkamp. Vanaf de vorige algemeene vergadering was zijn plaats in het Hoofdbestuur door ­een ander ingenomen, maar wij rekenden hem nog onder ons, dezen strijder voor de Waarheid, met open vizier, die zoo vele jaren met eer lid was van ons Hoofdbestuur. Wij zijn Gode dankbaar voor hetgeen hij voor onzen Bond mocht zijn. De Heere trooste bij voortduring zijn bedroefde weduwe en kinderen.
Het Hoofdbestuur vergaderde dit jaar zeven keer. Het heeft zich in die vergaderingen gedurig bezig gehouden met het werk der evangelisatie in de Noordelijke provinciën. Ds. Timmer vormde daarbij het levend contact tusschen het Hoofdbestuur en de voor dezen noodzakelijken arbeid in het leven geroepen commissie. Meer zeg ik hierover niet, aangezien de vergadering straks breedvoeriger over dit werk zal worden ingelicht.
Van de eene commissie kom ik tot de andere. Die van het Studiefonds had gedurig de handen vol. Zeer veel zorg besteedde zij aan het onderzoek naar de aanvragen om steun. Zij moest helaas menig aanzoek van de hand wijzen, wijl van den aanvrager redelijkerwijs niet veel te verwachten was voor de studie, voor den Bond en voor de Kerk. Een groot gedeelte van elke vergadering van het Hoofdbestuur werd besteed aan wat deze commissie ter tafel bracht.
Ten slotte moet ik nog een derde commissie vermelden, die nog maar aan het begin van haar moeilijke taak staat, 'k Bedoel de commissie voor „Kerk en Staat", die in 't leven geroepen is door den Bond, ingevolge het besluit op de vorige Algemeene Vergadering genomen. De commissie van ,,zeven", waarin in de eerste plaats hebben zitting genomen prof. dr. J.A.C. van Leeuwen met onzen Voorzitter, de twee heeren die reeds zitting hadden in de officiëele commissie vanwege de Antirevolutionaire Staatspartij. Het Hoofdbestuur heeft nog vijf andere heeren hierbij toegevoegd, n.l. ds. M. Jongebreur, dr. J. Severijn, ds. J.H.F. Remme, ds. R. Bartlema en mr. Verkerk De commissie is reeds begonnen met haar voorbereidende werkzaamheden.
Met dankbaarheid mag vermeld dat vanwege het Leerstoelfonds prof. dr. H. Visscher steeds voortgaat college te geven aan een groot aantal studenten. Z.H.Gel. gaf ook nu weer over den afgeloopen cursus een belangrijk verslag. Zijn onderwijs over onderwerpen, ontleend aan de Gereformeerde wereld- en levensbeschouwingen, houdt blijkbaar z'n groote attractie. Nog versch ligt in ons aller geheugen het Jubileum van Z.H.Gel. Wel gold dit zijn 25jarige professorale loopbaan aan de Utrechtsche Rijks-Universiteit, maar hij is door zijn positie en arbeid zoo nauw verbonden aan onzen Bond, dat ik in dit jaarverslag van dit schoone jubileum niet zwijgen wil en kan. God spare hem met de hem geschonken gaven nog lang voor onzen Bond en voor des Heeren Kerk in ons land.
Uit het verslag van den Penningmeester zal u blijken dat het aantal lezers van ,,De Waarheidsvriend" aanmerkelijk is toegenomen. De administratie van ons blad was voorheen, evenals het drukken, in goede handen, toen ook het eerste geschiedde door den Maassluisschen Boekhandel. Toch heeft het Hoofdbestuur gemeend tot meerdere actie in de propaganda een administrateur te moeten aanstellen. Zij heeft dezen gevonden in den heer Middelhoven te Veenendaal, van welke keuze wij nog geen spijt hebben. Toch moeten de leden van den Bond zelf meer medewerken tot verbreiding van ons blad. Wij kunnen met den inhoud best voor den dag komen. Ieder lid van den Bond moet lezer van „De Waarheidsvriend" zijn, en iedere lezer propagandist voor onzen Bond!
'k Weet niet of de afdeelingen van den Bond ook wat betreft ,,De Waarheidsvriend" wel actief genoeg zijn. 'k Weet zelfs niet of die afdeelingen in 't algemeen wel actief zijn. Slechts twee afdeelingen zonden een kort verslagje in, waarin met andere woorden stond dat er niet veel gebeurd was. Als er ook niets anders heeft plaats gehad dan dat er één of twee spreekbeurten zijn gehouden, dan is er ook niet veel te vermelden. Toch weet ik dat er afdeelingen zijn die met eere zijn te noemen, waaronder ik niet vergeten wil de nog jeugdige te Vlaardingen. Als de Vlaardingsche visschers in de groote wateren hun netten uitwerpen, roepen zij daarbij: „Op hoop van zegen". Nu, dit Vlaardingsche schip is goed bemand, de netten zijn in orde, stuurlui en maats zijn actief. Wij zullen maar zeggen: Op hoop van zegen!
Op vele plaatsen zijn ook in dezen wintertijd een of meerdere spreekbeurten gehouden, waarin de sprekers niet maar een gewone preek met een bondswoordje er tusschen in hebben gehouden of hebben moeten houden, maar waarin op de Bondsactie in het algemeen en op die van Leerstoelfonds, Studiefonds, Evangelisatiefonds en van „De Waarheidsvriend" in het bijzonder krachtig is aangedrongen. Zóó had het althans moeten geschieden! Wij zijn de vele sprekers hartelijk dankbaar voor hun medewerking. Waartoe zou ik die lange lijst van predikantera noemen? Wij voegen er den wensch aan toe dat alle Gereformeerde dominees lid worden van den Bond en dat zij er in hun gemeente ook goed voor uitkomen. Het is in dit opzicht nog altijd: Zooals de herder is, zoo zijn de schapen.
'k Mag dit verslag niet eindigen zonder met vreugde te herinneren aan een tweetal jubilea. Ds. Goslinga en ds. Batelaan herdachten in breedere kring van hun gemeente en van hun vele vrienden dat de Heere hen 25 jaar in hun ambt liet werkzaam zijn. Waarlijk, onze broeders hebben in dien tijd het brood der luiheid niet gegeten! Beiden zitting hebbende in de commissie van het Studiefonds, weten zij wat zij hierin te doen hebben. De zegen Gods ruste op hen en hun werk! 
Ruste Gods zegen op onze algeheele Bondsactie.
Er ligt nog veel werk voor ons. Wij zijn nog niet aan den eindpaal. Wij staan pas aan 't begin. Laat ons voortgaan met vastberadenheid en met kloeken gang, om het goede te zoeken voor des Heeren Kerk in ons land. Maar laat ons het ook doen in alle eenvoudigheid, door het verbreiden en verdedigen der Waarheid in onze Nederlandsche Hervormde Kerk. God geve ons allen hierin getrouwheid. God van den hemel, die zal het ons doen gelukken, en wij Zijne knechten zullen, ons opmaken en bouwen.
Na het verslag van den Secretaris, kwam dat van den Penningmeester. Hieraan wordt het volgende ontleend:
D e  W a a r h e i d s v r i e n d. De exploitatierekening van „De Waarheidsvriend'' wijst een voordeelig saldo aan van ƒ 1359.22. Het vorig jaar bedroeg het voordeelig saldo ƒ  2041.05. De winst verminderde dus met ƒ 681.83..
De oorzaken hiervan zijn de volgende. In den loop van het verslagjaar bleek, dat de N.V. Maassluissche Boekh. en Drukkerij nog een vordering van ƒ 463.74 van de maand Februari 1927 te goed had. Aangezien de rekening van het boekjaar 1926— '27 toen reeds lang was afgesloten, moest dat bedrag geboekt worden ten laste van de rekening 1927—'28. Verder zijn gedurende het verslagjaar — 19e jaargang — 53 nummers in plaats van 52 nummers verschenen, hetgeen een verschil maakt in drukloon en expeditiekosten van circa 200 gulden. Ook de verplaatsing van de Administratie bracht eenige extra kosten (drukwerk, kantoorbehoeften enz.) met zich mee. Het aantal betalende abonné's bedroeg op 1 December 1928 cirga 3880, hetgeen een vooruitgang, van ± 200 beteekent. De nieuwe-abonné's zijn voor het meerendeel gewonnen gedurende het laatste kwartaal, en betaalden dus gedurende het verslagjaar nog geen abonnementsgeld. Het batig saldo van „De Waarheidsvriend" werd voor de helft ten gunste van het Studiefonds en voor de helft ten gunste van het Leerstoelfonds geboekt.
D e  G e r e f o r m e e r d e   B o n d (B o n d s k a s). De inkomsten, van den Gereform. Bond bedroegen ƒ 2788.25 De uitgaven beliepen ƒ 2120.35 Voordeelig saldo ƒ 667.90, welk saldo geheel ten gunste van het Studiefonds is geboekt.
H e t  S t u d i e f o n d s. De totale inkomsten van dit fonds hebben bedragen de som van ƒ 17872.34. Dit bedrag is verkregen door de geheele opbrengst van de spreekbeurten en de geheele opbrengst van de Paaschcoliecten voor dit fonds te bestemmen. De uitgaven bedroegen ƒ 17766.18, zoodat een voordeelig saldo van ƒ 106.16 is ontstaan, welk saldo bij het kapitaal van het Studiefonds is gevoegd. Aan studenten werd ƒ 2308.55 meer uitbetaald dan gedurende het vorige jaar.
H e t  L e e r s t o e l f o n d s. De inkomsten van dit fonds bedroegen ƒ 7212.74 De uitgavenƒ 3722.12. Voordeelig saldo ƒ 3490.62 welk saldo bij het kapitaal van het Leerstoelfonds is gevoegd.
De commissie, die werd aangewezen tot het nazien der rekening, bestaat uit de heeren ds. Bartlema van Zeist en ds. Van den Berg van Amersfoort.
Aan de orde kwam nu het verslag van de Evangelisatie-Commissie. Ds. G. Lans van Suawoude deelde van het werk dezer commissie ongeveer het volgende mede. Ds. Lans vereenigt in zijn persoon de functies van Secretaris en Penningmeester. Dit is tot heden nog zeer goed mogelijk. Door de commissie, die bestaat uit de heeren ds. Timmer, ds. Wolthers, ds. Meijers, ds. Lans. en ds. Remme, is driemaal vergaderd. Ds. Remme was steeds verhinderd en is ten teslotte uit de commissie getreden. Ds. Luteijn van Genemuiden nam zijn plaats in. Ds. Timmer werd tot voorzitter aangewezen, ds. Lans tot secretaris-penningmeester, ds. Wolthers tot algemeen-adjunct. De commissie heeft ongeveer 200 circulaires aan kerkeraden, verzonden. Zij verwachtte veel meer steun dan inderdaad ontvangen is, hoewel zij verblijd is met de mooie collecten die in verschillende gemeenten voor haar gehouden zijn. Drie posten konden vooreerst gesteund worden, n.l. de Evangelisaties te Oude-Pekela, Ureterp en Tolbert. De commissie heeft veel aanbiedingen va.. godsdienstonderwijzers ontvangen. Zij meenden dat wij zoo maar een evangelisatie ergens zouden stichten, waarvoor dan een Evangelist noodig was. Wij staan nog maar aan het begin. De hulp van godsdienstonderwijzers kunnen wij nog niet gebruiken. Eerst moeten de kerkeraden, de gemeenten ons helpen. Zij moeten toonen dat de verbreiding en verdediging der Waarheid hen ernst is. De commissie heeft zich ten doel gesteld in de eerste plaats de Evangelisaties te steunen en niet de Evangelisten en Godsdienstonderwijzers, die aan die Evangelisaties verbonden zijn.
Hoewel de commissie zeer gaarne voor de noodzakelijke bouwkosten der Evangelisaties haar bijdragen zou geven, kan zij zïch op dien weg nog niet begeven. Het werk dat daar in die groote, volkrijke plaatsen geschiedt, is klein. De gebouwen zijn klein, de groep van belangstellenden is klein. Er zijn geheele streken met een talrijke en welgestelde bevolking, die totaal van het Evangelie der genade vervreemd zijn. De grootste onverschilligheid heerscht daar. De onkunde is groot. De jeugd groeit op, zonder dat zij ook maar de geringste aanraking met het Evangelie ontvangt. En in zulk eene bijna heidensche bevolking vindt ge een klein evangelisatiegebouwtje, terwijl zij, die daarin de leiding hebben, en zij, die hun zielevoedsel daardoor begeeren te ontvangen, met verachting en smaad worden bejegend.
Zij, die in dit meer Zuidelijk gedeelte van ons Vaderland in onze groote kerken het Woord van God mogen beluisteren, hebben er dikwijls zoo weinig begrip van hoe anderen, die dat zelfde Woord begeeren te hooren, moeten worstelen met de grootste moeilijkheden, ook wat betreft de opvoeding hunner kinderen. Er moet in het midden van onzen Bond meer met dit werk worden meegeleefd! Onze Gereformeerde gemeenten moeten weten welk een nood daar is. Zij moeten uit hun traagheid worden opgeschud. Zij mogen het er maar niet bij laten, als zij zelf de Waarheid kunnen hooren. Zij moeten leeren te geven voor een werk, dat aan anderen in ons Vaderland dit zelfde voorrecht wil brengen.
In Ureterp deden zich moeilijkheden voor. De Godsdienstonderwijzer, die daar werkt, bleek daar niet op z'n plaats. Hij was ook nog niet voor vast aangesteld. De hr. Timmermans zal tegen Mei a.s. zijn plaats innemen. Het eischt veel geloofsmoed om 't werk met zoo'n klein groepje belangstellenden te beginnen. Ook in Tolbert rezen moeiten. Wij zeggen deze dingen om te toonen, dat met geld nog alles ineens niet vlottend gaat. Het werk van planten en nat maken baart in menig opzicht veel zorg. Wij hebben den steun en de voorlichting van anderen hierin noodig, maar ook het gebed der gemeente. Helpe een ieder ons, die de belijdenis onzer Kerk lief heeft, opdat het planten en het natmaken zoo goed mogelijk geschieden mag. De Heere der Gemeente, de Koning der Kerk, gave Zijn wasdom.
Bij de drie posten die reeds gesteund werden, is nu ook de Evangelisatie van Kibbelgaarn gekomen. De inkomsten bedroegen in 1928 vanaf Juni ƒ 2187.47. Die in 1928 tot heden ƒ 527.
Uitgegeven werd tot ondersteuning der Evangelisaties ƒ 1195. De commissie zou gaarne de vier Evangelisaties dit jaar flink steunen. Maar het moet verder gaan. Er moeten meerdere posten gesticht en gesteund worden. 't Moet komen tot een geheel zelfstandig werk van den Gereformeerden Bond in de Noordelijke Provincies. Er ligt zeer veel arbeid! Er is een nood, die groot is! Tot zoover het verslag dat ds. Lans gaf.
't Was een warm woord, waarnaar de vergadering met veel aandacht luisterde. De Voorzitter sprak zeker namens de gansche vergadering, toen hij ds. Lans hartelijk dank zegde voor zijn bezielende woorden. Laten zij in ruimen kring gehoor vinden!
De heer Van Maurik, van Amsterdam, vroeg het woord, naar aanleiding van het verslag der Evangelisatie-commissie. Hij betreurde het ten zeerste dat ds. Remme uit de commissie was uitgetreden. Nu zit er niemand uit Noord-Holland in. Wordt deze provincie nu geheel uit het oog verloren? Ds. Lans antwoordde, dat dit laatste niet het geval is. Maar de commissie kan niet alles tegelijk doen. Toch zal er worden uitgezien naar iemand (het behoeft geen predikant te zijn) uit Noord-Hdland, die in de commissie wil zitting nemen. De Voorzitter sloot nu dit zesde punt van de agenda.
Ondertusschen was de uitslag bekend van de gehouden bestuursverkiezing. De aftredende heeren bleken met groote meerderheid herkozen te zijn. Van de uitgebrachte 404 stemmen verkreeg de heer L. F. Duymaer van Twist 402 stehtimen, ds. J.J. Timmer 373, de heer J.L. Verbeek Wolthuys 399. De drie heeren lieten zich hun verkiezing welgevallen. Ds. J.J. Timmer van Ermelo verkreeg nu 't woord om te spreken over „De noodzakelijkheid van het Evangelisatiewerk".
Enkele gedachten uit zijn rede vinden ook hier een plaats.
„Ik heb" — zeide hij — „in het begin mij groote illusies gemaakt van dit werk, waartoe onze commissie is in het leven geroepen. Ik had mij voorgesteld dat onze Gereformeerde gemeenten nu eenparig de schouders er onder zouden zetten. Er wordt wel eens geklaagd: de Bond doet niets. Dit klagen geschiedt geheel ten onrechte. Door de gestadige verbreiding en verdediging der Waarheid, wordt een groot werk gedaan, waarover wij Gods zegen mogen afsmeeken. De zuurdeesem, dien de vrouw nam en verborg in het meel, zooals de gelijkenis des Heeren zegt, deed iets zeer belangrijks. Maar goed de klagers willen meer zien. Er moesten meer daden openbaar worden. Welnu, hier is nu een wenk. Daardoor kan in zeer vele gemeenten, die tot de Ned. Hervormde Kerk behooren, de Waarheid verbreid worden Ik had mij illusies gemaakt. Ik dacht: als nu in de ongeveer 200 Gereformeerde gemeenten gecollecteerd wordt en iedere gemeente jaarlijks gemiddeld ƒ 100.— bijdraagt (er zijn er die 't zoo hoog niet kunnen brengen, maar er zijn vele andere die tot veel hooger in staat zijn), wel, dan krijgt de commissie jaarlijks over twintig duizend gulden te beschikken. Dat was toch niet onmogelijk! Als allen nu maar werkelijk mee wilden helpen, dan ging het best. Als die gemeenten nu maar eens wer­kelijk iets voor hun beginsel over hadden, ge zoudt eens zien, wij kwamen de som nog te boven. Ge zoudt eens zien dat de vasthoudendheid aan de Waarheid geen vasthoudendheid beteekent aan het geld. O, welk een zegen zou de commissie hebben kunnen verspreiden! Zij zou in de bijna heidensche streken van onze Noordelijke Provincies het Evangelie kunnen planten, ook daar, waar nog geen Evangelisatie is opgericht en waar 't toch zoo broodnoodig is. De Bond zou een mooi werk kunnen doen, een werk dat hij helaas veel te lang aan anderen heeft overgelaten. Aan anderen, die wel 't geld willen hebben uit de Bondsgemeenten, maar die een Godsdienstonderwijzer, die tot den Bond behoort, als een kwaad van zich afwijzen.
Ik heb mij illusies gemaakt. Twintig duizend gulden! Onmogelijk was het niet. Hoeveel geld wordt er niet jaarlijks gegeven voor het gezegende werk der Zending! Hoeveel geld komt er niet binnen voor 't Leerstoelfonds en het Studiefonds! De commissie verblijdt zich ten zeerste over het een en het ander! Maar zij houdt nog vol, 't is evenzeer mogelijk, als schouder zich aan schouder zet, en men hierbij alle traagheid eens afschudt en de onderlinge verschillen vergeet, om de genoemde som bijeen te brengen Wat is er van m'n illusies terecht gekomen? In plaats van twintig duizend gulden heeft de commissie er twee duizend gekregen. Al ben ik erg ontnuchterd, met evenveel kracht als voorheen blijf ik roepen om hulp. 'k Moet mij troosten met de gedachte dat alle arbeid in Gods Koninkrijk klein begint. Als 'k m'n illusie verkregen had, zou het toch eigenlijk een wonderboom geweest zijn. En een wonderboom kan door 'n knagend wormpje ineens verwelken! Neen, van een onnatuurlijken groei is niet veel te verwachten. Onze beide fondsen zijn ook van klein begonnen. Dat geeft ons moed om voort te gaan. Onze commissie en haar werk groeie langzamerhand. Dan behoeft zij voor een knagend wormpje niet te vreezen. Dan zal het werk stormen kunnen trotseeren. Het Koninkrijk Gods is als een mosterdzaad.
Tenslotte zuilen de vogelen ook nestelen in de takken van ons Evangelisatie-werk. Maar al heb ik m'n eerste illusie verloren, met niet minder kracht dring ik hierop aan: iedere gemeente houde jaarlijks minstens één collecte voor ons werk. Mag die collecte niet „de Kerstcollecte" heeten? Laat ieder van ons met deze vraag naar huis gaan en er in zijn gemeente belangstelling voor wekken! De zaak van den Koning heeft haast! Wij moeten de handen uitsteken naar een werk, dat die Koning zelf ons in dezen tijd kennelijk op de handen legt. Men heeft ons ook weer verkeerd verstaan. Er waren Godsdienstonderwijzers, die er haastig bij waren hun hulp ons aan te bieden, maar er waren ook Evangelisaties die meenden dat de commissieleden nu spreekbeurten wilden vervullen in hun kring. Daartoe ontbreekt ons de tijd. Wij kunnen onze eigene gemeenten niet prijs geven. Wij willen niets anders zijn dan een schakel tusschen hen die de Gereformeerde Waanheid liefhebben en den weg, waarlangs zij tot eer van God en tot zegen van Christus' Kerk die Waarheid kunnen verbreiden. Meer dan een brug kunnen wij niet zijn! Maar laat men dan ook „over de brug" komen met zijn steun en met de offers der gemeenten. Zoo zegene God het werk der commissie. Zoo zegene Hij de gemeenten, die zich over de prediking van het rijke Evangelie der genade gedurig mogen verheugen. Zoo zegene Hij onzen Bond, opdat hij ook in dezen tak van arbeid aan zijn heerlijk doel mag beantwoorden".
Tot zoover de rede van ds. Timmer. Ook hij had van begin tot eind het oor der vergadering. Zijn woord zal wel indruk gemaakt hebben. Ds. Batelaan noemt, naar aanleiding van het gesprokene, een voorbeeld, waarin hij wijst op den „zegen der tekorten". Hij vraagt: zou de commissie reeds niet kunnen beginnen in Groningen of in Noord-Holland, 't zij dan met een groot „tekort"? 'k Geloof vast dat ons Gereformeerde volk de commissie in haar nood niet alleen zal doen staan. Ds. Timmer antwoordt dat hij zóó „den zegen der tekorten" niet opvat. Niemand bouwt een toren, zonder eerst de kosten te overzien. Maar als de toren tenslotte door omstandigheden buiten onze schuld, onvoorziene kosten vraagt, dan kan er sprake zijn van den „zegen der tekorten". Ds. Lans wil nog het volgende opmerken: Wij zijn nog slechts een commissie. Een reglement bezitten wij nog niet. Wij hebben nog geen vaste lijn. Ook is nog niet vastgesteld de verhouding tusschen het Hoofdbestuur en de Evangelisatiecommissie. Alles is nog in wording! Maar wij gelooven dat het kleine zich krachtig zal ontplooien. Wij zien den groei komen. Wij staan in de Lente! God helpe ons, opdat wij in eendracht voortgaan!
De Voorzitter spreekt zijn hartelijken dank uiit aan de commissie voor haar werk en voor haar moeite om deze vergadering van haren arbeid op de hoogte te stellen. (Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 april 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VERSLAG van de 24ste Jaarvergadering van den Geref. Bond op Donderdag 11 April 1929 te Utrecht gehouden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 april 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's