FINANCIEN
Postgiro 138421.
Dat had onze vorige Penningmeester nog eens moeten beleven, dacht ik van de week, zoo in twee weken een bedrag van ongeveer ƒ 5500.—. Wat zou hij zich in de handen hebben gewreven en wat een blijde glimlach zou om zijn gelaat hebben gespeeld. Misschien dat we wel den een of anderen kwinkslag van hem gehoord hadden. Want ja, onze vriend Fliehe was in zijn hart door en door ernstig, maar als men hem zoo zag en hoorde, scheen 't wel eens alsof hij niet ernstig was. Dat gaat wel eens méér zoo in de wereld. Er zijn wel eens menschen die soms heel ernstig schijnen, maar die heelemaal niet ernstig zijn, en er zijn ook wel eens menschen die soms heel niet ernstig schijnen en die toch heel, heel ernstig zijn. Tot deze laatsten behoorde mijn nog altoos hoog gewaardeerde voorganger. En toen ik zijn werk overnam heb ik beloofd dat ik zooveel mogelijk in zijn voetspoor zou trachten te wandelen. In hoever mij dat tot hiertoe gelukt is, daar kan ik zelf niet over oordeelen. Dat laat ik maar aan anderen over en een heel klein tikje heb ik dan wel eens van Paulus, toen hij zei: „mij is voor het minste door ulieden" — dus door menschen — „geoordeeld te worden, maar die mij oordeelt, is de Heere". Wel heb ik al eens gemerkt dat ik ook niet altoos even ernstig schijn te zijn, en dat ik ook wel eens iets zeg of schrijf waaraan soms menschen die wel altoos even ernstig schijnen en zijn, zich dan stooten. Dat is natuurlijk nooit mijn bedoeling om iemand zeer te doen, maar ja, als de menschen ernstig gaan opnemen wat ik heelemaal niet ernstig bedoel, dan komt dat er van. Dat ondervond ik dezer dagen, toen ik van onzen Voorzitter toegezonden kreeg een „ingezonden" stuk van den Kerkeraad en de Kerkvoogdij van Wapenvelde. Nee maar daar kreeg ik er van langs hoor, niet zoo zuinig. Ik had n.l. geschreven dat mijn collega Van Wijngaarden wel wist hoe ver hij kon springen om niet „in de sloot" te springen. En nu hadden die beste Wapenvelders dat opgevat alsof hun gemeente „de sloot" was. En dat kan je begrijpen, dat moest ik herroepen en anders nooit meer een collecte voor de Fondsen uit Wapenveld, enz. enz. En alsof dat nog niet genoeg was, kreeg ik persoonlijk nog twee brieven van „twee zusters der gemeente", die nu ja, ik zal maar zeggen erg „zusterlijk" gesteld waren. Nu is het in mijn gedachten niet opgekomen om Wapenveld met „een sloot" te vergelijken. Als ik dat gedaan had, dan zou ik het dadelijk herroepen, dadelijk terugnemen hoor! Dus de kwestie „geen collecte meer" is daarmee de wereld al uit; laten ze me nu maar gauw 'n vette Paaschcollecte sturen! Maar heusch, toen ik de bewuste zinsnede schreef, heb ik geen oogenblik bedoeld dat mijn collega, als hij naar W. gegaan zou zijn, „in de sloot" gesprongen zou zijn. Dat zou ik zelfs niet bedoelen al zou hij een beroep aannemen naar een gemeente, die veel, veel kleiner was dan Wapenvelde. 'k Heb er alleen dit mee bedoeld. Kijk eens, als een dominé een beroep heeft, dan wordt hij van twee kanten getrokken. Zoowel in de gemeente waar hij is, als in die hem roept, gelooft men natuurlijk dat hij zich in den weg des Heeren moet stellen. En iedere dominé die ernstig is — al is het dan dat hij soms niet ernstig schijnt — zal dat ook voor zichzelf begeeren. Maar wat zien we nu? De gemeente waar hij is en die hem graag houdt, meent al gauw den weg des Heeren er in te zien als hij blijft, en de gemeente die hem riep meent er al gauw den weg des Heeren in te zien als hij gaat. Ik herinner mij nog uit mijn jonge jaren, toen ik ook wel eens een beroep kreeg, dat ik ook eens een beroep had naar X, en dat daar een vrouw was die mij schreef dat de Heere haar klaar geopenbaard had dat ik zou komen, maar hier was een vrouw die mij kwam vertellen dat de Heere haar klaarlijk geopenbaard had dat ik blijven zou. En waarschijnlijk dat wel meerderen van mijn collega's dergelijke ervaringen gehad hebben, waaruit blijkt dat ook in geestelijke dingen de wensch wel eens de vader van de gedachte kan zijn. Daarom moeten wij met dat afbakenen van 's Heeren weg altoos maar erg voorzichtig zijn en dat maar overlaten aan den beroepen leeraar, die het heeft uit te maken tusschen God en zijn ziel. Wat wij dan wèl mogen doen? Ons stellen in den weg der middelen en in den regel gebeurt dat ook. In den regel gaat de gemeente een dominé die een beroep heeft, althans degenen die hem graag houden willen, ook al weten zij en belijden zij dat hij buiten den weg des Heeren niet blijven mag, toch vragen of hij blijft. En de gemeente die hem beriep, tracht, ook al weet en belijdt men daar wel dat hij buiten den weg des Heeren niet komen mag, toch alles te doen wat mogelijk is dat hij komt. Dit nu is beider recht en daar is niets tegen te zeggen. Beiden hebben gelijk, ook al weten zij wel dat de Raad des Heeren zal bestaan, — dat zij doen wat zij kunnen. Maar de argumenten die dan gebruikt worden, eenerzijds „om hem te houden" en anderzijds „om hem te krijgen", zijn dan wel eens niet altoos even steekhoudend, zijn ook niet altoos even ernstig. 't Kan best zijn dat zij zich in Wapenvelde te dien opzichte nooit bezondigd hebben, maar hier in 't Veen en ik zou zeggen wel in alle gemeenten waar ik beroepen geweest ben, werden dan nog wel eens woorden gebruikt — het mag dan 't woord „sloot" niet geweest zijn —, maar die er toch heel veel mee overeenkwamen. Men bedoelde dat dan natuurlijk zoo kwaad wel niet, maar ja, als men alle woorden, half schertsend daarheen geworpen, in ernst had willen opnemen, dan zou er nog al wal kwalijk te nemen zijn en dan zouden er nog al wat gemeenten zijn die zouden kunnen zeggen: „denk je dan dat ik dit toen, of dat ik dat toen?" — 'k Wil maar zeggen: in zulke gevallen zeg je allemaal wel eens wat dat de tegenpartij niet zoo hoog moet opnemen en waar je vooral nooit kwaad om moet worden. Ieder gebruikt dan wel eens argumenten en geeft dan wel eens adviezen die hij in ernst niet gebruiken en niet geven zou. Als men b.v. uit een roepende gemeente wel eens tot mij zeide: „dominé, je staat daar al zoo lang in dat Veen, 't wordt hoog tijd dat je d'er eens uitkomt, anders zink je heelemaal weg en begraaf je je daar heelemaal", dan voelt ieder wel: dat is geen argument, waarom ik een beroep had moeten aannemen, maar 'k ben er ook nooit boos om geworden. En zoo ook als ik tot de Wapenvelders zeg: spring nu niet verder dan je stok lang is, dan voelt ook ieder wel: dat is nu niet omdat W. een dominé uit 't Veen heeft beroepen — want ik stem dadelijk toe: daar zijn wel grooter wonderen gebeurd — en dat is nu ook niet omdat ik wil zeggen: beroep nu nooit meer iemand uit een grooter gemeente dan de uwe, want ik geloof dat er heel wat dominé's zijn uit een grootere gemeente, die heel graag naar Wapenveld zouden gaan. 'k Heb er alleen mee bedoeld: als je een dominé beroept uit een kleinere gemeente hebt gij, menschelijkerwijs gesproken — en anders kunnen we nooit spreken — meer kans, dan dat ge er een beroept uit een grootere. Maar wat 't gunnen betreft, nee maar, ik gun Wapenveld er een van de bovenste plank hoor, al is het er een uit Amsterdam, Rotterdam of Den Haag. En als zij er zoo een willen beroepen, wel, als ik er voor onze Fondsen een centje mee verdienen kan, dan wil ik ook nog wel een brief schrijven aan den beroepene en hem vragen: „kom, stel nu die leeraarlievende gemeente in dat mooie plaatsje op de Veluwe eens niet teleur". Alléén maar als zij weer naar 't Veen komen, dan moeten de Wapenvelders het mij niet kwalijk nemen, maar dan zeg ik — en nu lijk ik misschien erg egoïstisch — een ieder is zijn eigen het naast. Zie zoo, nu hoop ik, dat ik het kromme weer recht heb gezet en dat men in een flinke Paaschcollecte vanuit Wapenveld weldra vurige kolen op mijn hoofd zal stapelen.
Maar 'k heb nog meer van de week. Groot nieuws zelfs, 'k Kan u n.l. mededeelen dat 't Veen het heeft moeten afleggen. Ja, werkelijk, we zijn verslagen hoor. We zijn met onze prachtige Paaschcollecte van ƒ 555.— de hoogste niet meer. Daar is er een die ons nog al een heel eindje achter zich laat. En wie denkt ge dat dat is. Bodegraven, zegt ge misschien. Neen, misgeraden! Daar schijnen zij van 't jaar ook wat aan den laten kant te wezen. 'k Heb er althans nog niets van gehoord. Zeker ook iets waar zij nog op wachten. Maar ge zult zien, dat komt wel terecht. Neen, daar is een ander die ons overtrof, 't Is niet de eerste de beste hoor! Dat kan ons tot vertroosting zijn. 't Is niemand minder dan de stad Rotterdam, die ons in 't zand liet bijten. Ja, 't was of ik voelde dat daar in de gemeente van onzen geachten Voorzitter iets broeide. 'k Had n.l. onlangs eens 'n circulaire gehad, waaruit ik begreep dat zij daar in Rotterdam de zaak goed hadden aangepakt. Ik merkte dat zij niet alleen Rotterdam zelf, maar ook de voorsteden Kralingen, Feijenoord, Delfshaven en ik meen ook Charlois, wilden afvisschen. En dat hebben zij nu blijkbaar gedaan. En wat denkt ge dat het resultaat is? Zaterdagavond kreeg ik een briefkaart van den hr. Z.H. de Groot, waarop deze mij meedeelde dat men een eindbedrag had van meer dan ƒ 900.—. 'k Begin dus dezen keer met
R o t t e r d a m, aan Paaschgiften verzameld een bedrag van
NEGEN HONDERD EEN EN DERTIG GULDEN EN VEERTIG CENT (ƒ 931.40).
Zij hebben dus blijkbaar gedacht: we willen dat „Veensche slootje" eens even overwippen. En ja, het is hun gelukt hoor, met één sprong er overheen. Hier in 't Veen kijken ze natuurlijk wel een beetje op hun neus dat zij overtroefd zijn, want ach, hoe is een mensch? 'k Heb al hooren zeggen: „ja, geen wonder, 't is van 4 of 5 gemeenten bij elkaar", en weer een ander zei: „ja, op de korte baan zijn zij ons nu de baas, maar op de lange baan moeten we nog maar eens overtellen". Maar je kunt nu eenmaal met alles geen rekening houden. Het water van de zee wascht niet af, dat ik uit Rotterdam ditmaal bijna ƒ 400.— meer in 't laadje kreeg dan uit Veenendaal, en daarom een eeresaluut aan de wakkere Rotterdammers voor de kranige wijze waar op zij deze zaak aangepakt hebben en ten slotte is het ook hier, zooals de heer de Groot zijn bericht eindigde: „Gode alleen de eer".
Maar ik heb nog zoo iets. Wel niet in die mate, maar toch ook een bedrag dat er zijn kan. Ik ontving n.l. een bericht uit
's -G r a v e n h a g e, van den heer C. Goedhart, dat men ook daar een Paaschinzameling had gehouden, waarbij vooral veel liefde en ijver betoond was door mej. Suze Tensen. Ja, als we de vrouwen er toch niet bij hadden! Dan zou 't eerst recht blijken wat een sukkels wij mannen zijn. Paulus, die ook wel eens last had van de vrouwen, want hij spreekt ergens van „vrouwkens die altijd leeren, enz.", had er ook al veel gemak van, want ook in zijn dagen bleken zij al tot „bevordering des Evangelies" te zijn. Welnu, met behulp dan van deze Haagsche zuster, die er, volgens den heer Goedhart, „zelfs heele dagen aan gegeven had", had men in de residentie een bedrag bijeen gekregen van
HONDERD NEGEN EN DERTIG GULDEN EN VIJFTIG CENT (ƒ 139.50).
Dat vond ik voor Den Haag ook schitterend en daarom ook voor onze Haagsche vrienden een eereschot. Dat gaat dus uit Rotterdam en Den Haag samen deze week al weer over de 1000 heen. Maar nu ik toch met Den Haag bezig toen, moet ik er eerst maar mee afhandelen. Ik ontving n.l. uit
's- G r a v e n h a g e nog ƒ 13.— van ds. Van Dorp, die ik ook maar geheel als Paaschgift geboekt heb. Deze ƒ 13.— was samengesteld als volgt: ƒ 1.— van den hr. van E. voor den G.B., ƒ 1.— gevonden in de brieventous, ƒ 1.50 van den heer van E. voor de Fondsen, ƒ 2.50 van mej. N.N. door mej. L.H. voor de Fondsen, ƒ 2.50 als Paaschgift gecollecteerd in de Nieuwe Kerk, ƒ 1.— van een vriendinnetje van den G.B. „uit dankbaarheid", ƒ 1.— van N.N. voor den G.B., gecollecteerd in de Julianakerk, ƒ 2.50 Paaschgave van mej. L.H.
Verder ontving ik uit
K o o t w ij k e r b r o e k, van ds. Zijlstra een Paaschcollecte van ƒ 12.—.
R a n d w ij k, van ds. Van Asch een Paaschcollecte van ƒ 38.53.
O e n e, van ouderling Stokking een Paaschcollecte van ƒ 48.02.
P o l s b r o e k, van ds. Rijnsburger een Paaschcollecte van ƒ 81.50.
P u t t e n, van ds. Bouthoorn een Paaschcollecte van
HONDERD TACHTIG GULDEN EN DRIE EN VEERTIG CENT (ƒ 180.43).
Putten wil blijkbaar ook zoo langzamerhand tot de „hoogst aangeslagenen" gaan behooren. Nu, het is al aardig op weg. Nu, Paaschcollecten heb ik, geloof ik, nu niet meer, maar zij zijn nog lang allemaal niet binnen. Nu heb ik nog wat nagekomen en losse Paaschgiften.
G e n e m u i d e n, van ds. Luteijn een nagift op de Paaschcollecte van ƒ 1.—.
V e e n e n d a a l, van iemand, die ook wel eens een beetje boos op mij is, maar die temidden van al zijn boosheid toch altijd een trouwe vriend van me blijft, ook nog een nagift van ƒ 1.—.
G o u d a, van den heer W. P. Frederikse een Paaschgift van mej. N.N. van ƒ 10.—.
W o u b r u g g e, van ds. Lijsen, gevonden in de collecte een Paaschgift van ƒ 2.50
K r a l i n g e n, door middel van ds. Van der Snoek van mej. S. de J. een Paaschgift van ƒ 2.50.
Z a a m s l a g, van M. Verhelst een Paaschgift van N.N. van ƒ 5.—. Op het schrijven van dezen vriend kom ik nog wel nader terug.
B a r e n d r e c h t, van mijn vriend Dirk Vroon een Paaschgift van f 1.— en ƒ 1.50 contributie van zijn lidmaatschap van den Bond. Ja, dat wordt straks ook al weer tijd.
R o t t e r d a m, van ds. de Bruin een gift van mej. N.N. voor het bedanken voor het beroep naar Huizen van ƒ 5.—.
R o t t e r d am, van ds. Van Grieken een gift van ƒ 10.— van de kerkelijke kiesvereeniging „Schrift en Belijdenis" te Meppel, als nagift van de lezing aldaar in Januari door ds. Van Grieken gehouden, bestemd voor het Studiefonds.
En nu krijgen wij, zoo waar, ten besluite nog een collecte van een winteravondspreekbeurt en wel uit
S o m m e l s d ij k, vanwaar ds. v. Ameide mij een collecte zond van ƒ 53.19, gehouden bij een spreekbeurt van ds. Rappard van Dinteloord.
En hiermee kan ik weer eindigen deze week. Aan Paaschcollecten en giften ontving ik een bedrag van ƒ 1467.38 en de vier laatste posten, die ik daaronder niet boek, bedragen ƒ 69.69, zoodat ik weer kom tot een eindbedrag van
ƒ 1537.07.
Nu, ik ben weer dankbaar en voldaan. Mij dunkt daar is weer stof om te besluiten met 't woord van den Psalmist: „Loof den Heere, mijne ziel, en vergeet geene van Zijne weldaden".
De Penningmeester, Ds. M. JONGEBREUR,
Veenendaal.
POSTZ., CAPSULES EN ZILVERPAPIER.
Ontvangen van:
1e. R. Timmermans, Wanswerd, zilverpapier, lood en zink, verzameld door eenige jeugdige vrienden aldaar. Dit is, naar ik meen, het eerste pakje dat ik vandaar ontvang. Dat het een begin van meerdere moge zijn. Vooral in deze slappe tijden zou mij dit zeer goed te pas komen.
2e. N. van Veen, De Meern, zilverpapier, postzegels en capsules. Ook deze tweede zending heb ik met genoegen ontvangen. Ik had juist al eens gedacht dat de verre afstand een bezwaar was voor u om mij uw verzameling te zenden, want de verzending aan 't oude adres was gemakkelijker. Maar gelukkig dat dit niet zoo is en zal ik dan ook maar weer hopen op een volgenden keer. Ik dank u dan intusschen hartelijk voor deze zending en ook voor uw begeleidend schrijven. Het deed mij genoegen te vernemen, dat 't u zoo goed gaat, wat ik ook wederkeerig van mezelf kan zeggen.
Met hartelijke groeten.
Mejuffr. J. DEN HARTOG.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's