De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERSLAG van de 24ste Jaarvergadering van den Geref. Bond op Donderdag 11 April 1929 te Utrecht gehouden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERSLAG van de 24ste Jaarvergadering van den Geref. Bond op Donderdag 11 April 1929 te Utrecht gehouden.

11 minuten leestijd

(Slot).
Het woord wordt thans gegeven aan den heer L.F. Duymaer van Twist, om te spreken over „Onze roeping ten opzichte van de Zuiderzee-provincie".
Mijnheer de Voorzitter, Geachte Toehoorders,
Op de agenda voor deze middagvergadering is aangekondigd, dat ik het onderwerp zou inleiden: »Onze roeping ten opzichte van de Zuiderzee-provincie«. Ik moet al dadelijk opmerken, dat de redactie van dit onderwerp niet in alle opzichten juist is gekozen. Immers het ligt, tot op dit oogeniblik niet in de bedoeling, om de gronden, welke door de afsluiting en de droogmaking der Zuiderzee zullen worden verkregen, tot één provincie samen te voegen. Daarom zal het beter zijn als titel van mijn onderwerp te kiezen: »Onze roeping ten opzichte van de bevolking in de nieuw aan te winnen gronden van de Zuiderzee«.
Deze gronden zullen verdeeld zijn over vier polders, te weten:
1°. de Noord-Westpolder — de tegenwoordige Wieringermeer — begrensd tusschen de provincie Noord-Hoiland en den afsluitdijk den Oever (noordoostelijk Wieringen) — Medemblik;
2°. de Zuid-Westpolder, aansluitend aan de provincie Noord-Holland vanaf Enkhuizen tot oostelijk Muiden;
3°. de Zuid-Oostpolder, noordelijk van de provincie Utrecht en westelijk van de provincie Gelderland (de Veluwe), langs Huizen, Nijkerk, Harderwijk, Elburg, naar het Kampereiland; en
4°. de Noord-Oostpolder, ten westen van de provincie Overijssel, en ten zuiden van de provincie Friesland, vanaf Vollenhove tot westelijk De Lemmer. Deze polders zijn niet onderling verbonden, doch staan geheel op zich zelf.
De Noord-Westpolder komt dit jaar gereed, althans de afsluitdijk Wieringen— Medemblik wordt in den loop van 1929 voltooid. In 1930 zal de polder worden leeggemalen. Met de werkzaamheden aan de andere drie polders kan eerst dan worden begonnen, wanneer de groote afsluitdijk Wieringen—Zurig (aan de Friesche kust) gereed is. Dit grootsche werk zal waarschijnlijk in 1933 zijn voleindigd. Zoodat na dit jaar kan worden aangevangen met de inpoldering van den Zuid-Westpolder, den Zuid-Oostpolder en den Noord-Oostpolder.
De tijdsduur voor het tot stand komen van deze polders wordt berekend op 10 à 15 jaar. Echter kan 't werk meevallen, tengevolge van de meerdere routine, welke bij het leggen van de dijken wordt verkregen en den drang, die zal geoefend worden, om spoediger over de nieuwe gronden te kunnen beschikken. Alvorens ik deze korte technische en geografische voorlichting beëindig, is het nog van belang u mede te deelen:
1° de hoeveelheid grond, welke door de drooglegging van de Zuiderzee wordt verkregen. De Noord-Westpolder zal een oppervlakte beslaan van 20000, de Zuid-Westpolder van 55000, de Zuid-Oostpolder van 95000 en de Noord-Oostpolder van 55000 bunder grond. In totaal dus 225000 bunder grond, gelijkstaande met 1% maal de grootte van de provincie Utrecht.
2° dat nog geen beslissing genomen is over de indeeling der polders in gemeenten en de wijze waarop de gronden zullen worden uitgegeven.
Mijnheer de Voorzitter,
Ik kom thans tot het onderwerp, dat ons hedenmiddag heeft bezig te houden, n.l. „Onze roeping ten opzichte van de bevolking in de nieuw aan te winnen gronden van de Zuiderzee". Wij willen daartoe eerst de polders iets meer van nabij bezien. Zooals reeds gezegd werd, zal de afsluitdijk van de Wieringermeer (Noord-Westpolder) dit jaar gereed komen. Gebeurt dit, dan kan veilig worden aangenomen, dat wanneer de ontwatering in 1930 heeft plaats gehad, binnen enkele jaren de land- en waterwegen in den polder zullen zijn aangelegd, de gronden zijn uitgegeven en de nieuwe bevolking zich ter plaatse zal hebben gevestigd.
De Noord-Westpolder zal dus in de eerste plaats onze aandacht moeten hebben. En dan valt ten aanzien van de voorziening in de godsdienstige behoeften van hen, die zich in dien polder zullen vestigen, al dadelijk op te merken, dat de nieuw aangewonnen grond van de Wieringermeer zich onmiddellijk aansluit bij dat gedeelte van de provincie Noord-Hoiland, waar het Modernisme in de Kerk heerschappij voert. Om u daarvan nader te overtuigen behoef ik slechts de namen te noemen van gemeenten als: Nieuwe-Niedorp, Winkel, Abbekerk, Ewijeksluis, Hypolytushoef op Wieringen, enz. Nu heeft onze Bond meermalen voor zijn Evangelisatiearbeid het oog geslagen gehad op Noord-Holland, de provincie, waar naast 't Modernisme ook in het bijzonder Rome's Kerk tot grooten bloei en groote ontwikkeling is gekomen. Echter waren de bezwaren tegen het Evangeliseeren vanwege de Gereformeerde Bond in Noord-Holland boven het IJ niet weinigen.
De vraag rijst nu, of wanneer de Noord-Westpolder zoover ontgonnen zal zijn dat hij bewoonbaar wordt, hij ook niet een object zal opleveren voor Evangelisatie van onzentwege. Natuurlijk zal hier veel afhangen van den geest der bevolking, die zich in den polder zal komen vestigen. Doch 't lijkt mij toe, dat aan deze omstandigheid niet te veel aandacht mag worden geschonken. Daarom zal het gewenscht zijn, om te overwegen om in den Noord-Westpolder minstens één Evangelisatiepost te vestigen. Dat voor dit doel krachtige financiëele steun noodig zal zijn, zal niet behoeven te worden betoogd. Onze Evangelisatie-Commissie zal zich voor haar arbeid bijtijds van den noodigen grond tot het bouwen van lokaliteit hebben te voorzien. En komt op deze wijze een Evangelisatiepost tot stand, dan zal vanuit de nieuw ontgonnen gronden in westelijke ricïhting naar Noord-Holland toe moeten worden gewerkt. Zoo zal onder beding van Gods genade uit den Noord-Westpolder door den arbeid van de Evangelisatie-Commissie het licht des Evangelies over Noord-Holland kunnen opgaan. Daarom hebben wij al onze aandacht op dien polder te vestigen. Wij kunnen dit op rustige wijze doen, omdat er na het jaar 1932 nog jaren zullen voorbij gaan, alvorens wij ons met de andere polders zullen hebben bezig te houden. De arbeid, die in den Zuid-Westpolder, den Zuid-Oostpolder en den Noord-Oostpolder later zal moeten worden ter hand genomen, lijkt mij eenvoudiger en ook gemakkelijker. Dit betreft bijzonder den Zuid-Oostpolder.
Het ligt in het voornemen om de gemeenten Huizen, Bunschoten, Nijkerk, Harderwijk, Elburg, Kamperveen en Kampen door het leggen van bruggen over het vaarwater, dat de polder van den vasten wal scheidt, toegangswegen tot den polder te maken. Uit deze gemeenten zal de Zuid-Oost polder geestelijk moeten worden bearbeid. Wij verheugen er ons over, dat juist in de gemeenten, die wij daareven noemden, de beginselen van den Gereformeerden Bond geen onbekende zijn. Men zegt wel eens, dat zij, die zich op dit oogenblik bezig houden met het voorbereidend werk ter voorziening in de godsdienstige verzorging van de toekomstige bevolking in de Zuiderzeegronden, te voorbarig zijn en dat alles nog wel wat kan wachten.
Ik geloof dit niet. Want er zal heel wat materiaal moeten worden verzameld en heel wat moeten worden geordend, om te zijner tijd met het werk gereed te zijn. Niet voor het minst zullen de gelden bijtijds moeten worden bijeengezameld om 't voortreffelijk werk van den Evangelisatiearbeid te kunnen bekostigen.
Dat de Ned. Hervormde Kerk de fondsen voor onze Evangelisatieposten zal willen beschikbaar stellen, betwijfelen wij; ook zijn wij er niet van verzekerd, dat de Kerk in alle opzichten in de godsdienstige behoefte van de toekomstige Zuiderzee-bewoners zal kunnen voorzien. Wij zouden niet gaarne zien, dat hier op de Overheidskassen een beroep moest worden gedaan. Daarvan zou — en dit leert de ervaring — ook Rome's Kerk niet weinig profiteeren.
Wij, Gereformeerden, zullen daarom op ons zelf zijn aangewezen.
Doch dit is niet erg. Immers wij hebben het geven geleerd. Het is ons een eere uit het onze te mogen bijdragen tot den bouw van 's Heeren Kerk hier op aarde.
Wat nu onze taak betreft ten opzichte van de bevolking in de nieuw aan te winnen gronden van de Zuiderzee, zoo heb ik gemeend haar in een paar stellingen te moeten onderbrengen. Deze stellingen luiden:
1 ° de Gereformeerde Bond neemt 't werk mede ter hand ter voorziening in de geestelijke behoeften van de bevolking in de nieuw aan te winnen gronden van de Zuiderzee;
2° hij noodigt de Evangelisatie-Commissie uit, hare bijzondere aandacht te vestigen op den Noord-Westpolder en zoo eenigszins mogelijik de maatregelen te treffen om daar ter plaatse het Evangelisatiewerk te kunnen aanvangen;
3° hij benoemt een commissie met de opdracht:
a. de benoodigde gelden te verzamelen;
b. zich met de regeering in verbinding te stellen, om bij de uitgifte van de gronden rekening te houden met de verschillende gezindten en kringen der bevolking; en
4° hij verleent aan de bestaande Zuiderzeegemeenten al die hulp en voorlichting, die kan dienen om het voorbereidend werk te vergemakkelijken en te doen slagen.
Ziehier, Mijnheer de Voorzitter, in groote trekken weergegeven, wat ik zou willen rekenen tot de roeping te dezer zake van den Gereformeerden Bond. De grond, die aan de baren der zee zal worden ontwoekerd, zal zoo aanstonds, als hij van het water is verlost, woest en ledig liggen. Zoo zag ook Nehemia Jeruzalem, toen hij door de Dalpoort binnenging. Jeruzalem was woest en zijne poorten met vuur verbrand. Moge het ons in Gods gunst gegeven worden in navolging van den knecht Gods het al onzen Gereformeerden mannen en vrouwen, zonen en dochters toe te roepen: „God van den diemel zal het ons doen gelukken, en wij, Zijne knechten, zullen ons opmaken en bouwen". Dit schenke de Heere ons uit genade.
Na deze leerzame en aanmoedigende rede volgde een korte gedachtenwisseling.
De heer Van Maurik, van Amsterdam, wil dat nu reeds geëvangeliseerd zal worden, n.l. onder hen die aan het droogmaken van de verschillende polders arbeiden.
Hierop heeft de inleider geantwoord: Daarover heb ik niet gesiproken. Dat was m'n onderwerp niet. De zaak waarover ik sprak eischt nu reeds onze aandacht.
Ds. Bouthoorn, van Putten, vindt 't noodig dat de menschen op de Veluwe goed worden voorgelicht. Zij noemen alles wat van de droogmaking gezegd wordt slechts „luchtkasteelen". Zou de heer Duymaer van Twist door geschrift en woord niet meer voorlichting willen geven? Ds. Timmer dikt deze vraag aan. Hij wijst er op dat het boekje „Domme golven", geschreven door den heer Den Herder, veel misverstand wekt.
De Inleider beantwoordt deze twee sprekers aldus: Indien de menschen in Putten 't slechts „luchtkasteelen" noemen, de visschers spreken vast en zeker zóó niet. Zij gevoelen nu al reeds den druk. Ik wil er wel voor gaan spreken, maar eerst na de verkiezing. Men moet ook niet vergeten dat de heer Den Herder een belanghebbende is.
De Heer Van de Weetering, van Heelsum, vraagt: De regeling van de gronden zal toch zeker bij de wet worden vastgesteld. Dan kan toch de heer Duymaer v. Twist daarbij medewerken dat niet slechts aan een bepaald gedeelte van de bevolking de grond wordt toegewezen. Hierop antwoordt de inleider: Er is heden reeds zulk een landhonger, dat de regeling van Staatswege hierin wel moet optreden, maar toch zal deze zich weinig kunnen inlaten met de godsdienstige gezindheden der toekomstige bewoners.
De heer D. Vroon, van Barendrecht, zegt in krachtige woorden dat er heden overal zooveel te doen is voor den Bond, dat hij zich om het werk dat in de toekomst ligt maar niet al te veel bekommeren moet.
De heer Duymaer van Twist antwoordt dezen vurigen spreker door te zeggen, dat men 't een moet doen en het andere niet nalaten. Wij hebben heden te doen met wat ons voor de hand ligt en wij mogen daarin niet verslappen, maar de Evangelisatiearbeid in de droog te leggen polders is zóó belangrijk, dat het de meest nauwkeurige voorbereiding vereischt. Nu reeds. Wij moeten klaar zijn!
Hierna sluit de Voorzitter de gedachtenwisseling. Hij dankt den inleider hartelijk voor zijn mooie, leerzame rede.
De Voorzitter ging thans over tot het sluiten der vergadering.
Hij sprak zeker naar het hart van allen die deze 24ste Algemeene Vergadering hebben bijgewoond, dat het een mooie dag voor onzen Bond was. Wij hebben zeer veel gehoord! Wij hebben rustig vergaderd! Wij hebben elkander niet met onaangenaamheden bestookt, maar wij hebben het doel van onzen Bond van begin tot eind zuiver voor oogen gehad, 't was ons waarlijk te doen om de verbreiding en verdediging der Waarheid in onze Ned. Hervormde Kerk! Met grooten dank in ons hart keeren wij naar huis terug. God geve dat de band in onzen Bond hoe langer hoe vaster worde. Zij het ons allen gegeven om in de kracht van God moedig voort te gaan. Aan de afdeeling „Utrecht" wordt namens de vergadering hartelijk dank gebracht voor hare goede zorgen. Zij heeft er voor gezorgd dat alles dezen dag weer zoo keurig in orde was, zooals wij van haar gewoon zijn. Nadat de vergadering, die tot het eind met een groot getal vereenigd bleef, gezongen had Psalm 75 vers 1, ging ds. M. jongebreur van Veenendaal, op verzoek van den Voorzitter, in dankzegging voor.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VERSLAG van de 24ste Jaarvergadering van den Geref. Bond op Donderdag 11 April 1929 te Utrecht gehouden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's