De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

6 minuten leestijd

De krijgsdienst.
Het vraagstuk der ontwapening staat, nu de verkiezingen weer in aantocht zijn, in het centrum van de belangstelling van ons volk. Bij de aandacht, welke aan dit ontwerp wordt geschonken, wordt het vraagstuk van verschillend standpunt bezien. Meest zijn de ontwapenaars aan het woord, die likwidatie van leger en vloot wenschen op grond van de socialistische idee, dat internationaal gevoeld, alle volken als broeders met elkander hebben te leven en te verkeeren. Daarom moet de weermacht verdwijnen. Anderen verklaren weer, dat land- en zeemacht overbodig zijn, omdat Nederland zich toch niet kan verdedigen, de oorlog veel ellende met zich brengt en het geld, dat voor de defensie wordt uitgegeven, op andere wijze veel nuttiger en veel economischer kan worden besteed.
Maar nu en dan hoort men nog wel eens een stem opgaan — voorheen was dit meer het geval dan tegenwoordig — die het vraagstuk der ontwapening uit een principieel oogpunt beziet en daarbij tot de conclusie komt dat een christen tegenstander moet zijn van een weermacht.
Die stem beluisteren wij ditmaal in het Aprilnummer van het maandblad „Kerk en Vrede", het orgaan van de groep van godsdienstige voorgangers en gemeenteleden tegen oorlog en oorlogstoerusting. In dit Aprilnummer komt een meditatie voor over den tekst Genesis 22 vers 16 en 17: "Daarom dat gij uw zoon, uw eenigen, niet onthouden hebt, voorzeker zal ik u grootelijks zegenen".
Uit den inhoud van het stuk, zoomede uit den neergeschreven tekst, die niet uit de Staten-vertaling werd overgenomen, blijkt wel, dat hier een modern theoloog aan het woord is. Teneinde duidelijk te kunnen aanduiden, waarin de schrijver van de meditatie, die het voor de ontwapening opneemt, mis gaat, willen wij eerst in het kort den inhoud van het stuk weergeven.
De meditatie vangt aan met de mededeeling, dat God veel van Zijn kinderen eischt en dat daarom in eigen leven alles moet worden opgegeven. Dat deed Abraham, toen hij zijn land, zijn huis, zijn vrienden verliet en den weg ging, dien God hem wees; en zoo handelde diezelfde aartsvader, toen God het liefste, dat hij bezat, van hem eischte.
„God eischt alles en zegent".
God eischt van ieder van ons iets anders. God vraagt, dat wij onszelf verloochenen. Hij vraagt ons leven, alles wat wij liefhebben; ja God eischt tenslotte alles. En als dan alles wat God eischt is afgestaan, dan zegent Hij. Deze gedachte, nu overbrengende naar het terrein van de weermacht, gaat de schrijver van de meditatie bij het verwijzen naar het mobiliseeren van het leger verder en zegt:
Maar nu komt Gods eisch: Gij zult niet dooden. — Steek uw zwaard in uw scheede. — Het is beter onrecht te lijden, dan onrecht te doen. — Wie vader of moeder, of wat ook, liefheeft boven mij, is mijns niet waardig. — Wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de linker toe. O, God eischt nog meer.
Wat nu te doen? zoo vraagt het blad. En dan zegt „Kerk en Vrede": dan komt het offer van Abraham ons voor oogen en zien wij, wat in Gethsémané heeft plaats gehad!
God eischt alles. „Van den ontwapenaar, van den dienstweigeraar misschien aardsche liefde en aardsche vreugde, misschien zijn leven. Omdat het geweld, omdat de Booze sterker schijnt dan God".
„God zal den ontwapenaar, den dienstweigeraar zegenen, omdat hij alles gaf. En voor u — zoo eindigt de meditatieschrijver — verschijnt Jezus, die Zijn oogen opheft naar den hemel en zegt: Ik bid voor hen want zij zijn Uwe".
Hier worden enkele conclusies getrokken, in een vroom kleed gehuld.
De aandachtige lezer zal al onmiddellijk begrepen hebben dat de premissen — stellingen —, waarop de conclusies werden gebouwd, absoluut onjuist zijn.
Want — en dit in de eerste plaats — wanneer de Heere tot Abraham zegt: „Voorzeker zal Ik u grootelijks zegenen", dan ontvangt de aartsvader als genadeloon op zijne gehoorzaamheid de bevestiging van den zegen, de bevestiging van het verbond, dat God met hem had opgericht. Die zegen was hier particulier. Dezen zegen in verband te brengen met de ontwapening, lijkt ons, om geen ander woord te noemen, eenvoudigweg dwaasheid. Wij zagen dan ook nimmer, dat op den tekst uit Genesis 22 een beroep werd gedaan om de weerloosheid te verdedigen.
Anders staat dit met het beroep op de Bergrede: „Zoo wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe". Zij, die de Bergrede gebruiken om daarmede de ontwapening te verdedigen, vergeten echter dat deze rede zich niet richt tot de wereld, maar tot Jezus' discipelen. Dit blijkt duidelijk uit de eerste twee verzen uit Mattheüs 5, luidende: „En Jezus de scharen ziende, is geklommen op een berg, en als hij nedergezeten was, kwamen Zijne discipelen tot Hem. En Zijnen mond geopend hebbende, leerde hij hen (dat zijn de discipelen) zeggende", enz. De Heilige Schrift leert nergens, dat krijgsdienst met het christen-zijn onbestaanbaar is.
Als tot Johannes den Dooper de krijgslieden komen en deze aan den Dooper vragen: „En wij, wat zullen wij doen?", dan antwoordt deze Godsgezant niet: ontdoet u van uw wapenrok, maar hij eert den krijgsmansstand en zegt alleen: „Doet niemand overlast, en laat u vergenoegen met uwe bezoldigingen".
Wanneer de Heere Jezus voor Pontius Pilatus staat, zegt de Zaligmaker: ,,Indien mijn Koninkrijk van deze wereld ware, alzoo zouden mijne dienstknechten gestreden hebben, opdat ik den Joden niet ware overgeleverd". Ook hier dus geen verbod tot het dragen van het zwaard, integendeel, wanneer Jezus' Koninkrijk van deze wereld was geweest, zouden zijne dienaren ook het zwaard hebben gebruikt.
En tenslotte een derde bewijs, om verder geen voorbeelden meer te noemen. Dit bewijs is te vinden bij Cornelius, den hoofdman over honderd, van de bende genaamd de Italiaansche. Met dezen krijgsman stelt een Engel des Heeren zich in verbinding. Deze zegt tot hem, dat hij moet ontbieden Simon, die toegenaamd wordt Petrus, welke tehuis ligt bij Simon den lederbereider, wiens huis is bij de zee te Joppe. En als Cornelius dan gevolg geeft aan wat de Engel hem gezegd had en Petrus in zijn woning binnenkomt, dan verneemt men in Gods Woord er niets van, dat Petrus hem zou geboden hebben het zwaard af te leggen. Cornelius, de christen, blijft krijgsman.
Zoo leert de H. Schrift nergens dat de krijgsdienst met den Christusdienst onvereenigbaar zou zijn. Daarom is wat „Kerk en Vrede" schreef, geheel mis en niet overeenkomstig het Woord Gods. Ditzelfde is ook het geval, waar het maandblad in het geheel niet rept van de taak, welke God aan de Overheid heeft opgedragen. De krijgsman draagt toch het zwaard niet naar eigen goeddunken, maar gordt het zwaard aan op bevel van de Overheid. En als dan de schrijver van de meditatie opkomt voor Gods eisch, dan mag zeker niet worden voorbij gezien, de eisch, die de Overheid van Godswege stelt en waarnaar de onderdaan zich heeft te schikken. Doch daarover nader den volgenden keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's