De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Jezus aan de deur*)

13 minuten leestijd

 »Zie, ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijne stem zal hooren en de deur open doen, Ik zal tot hem inkomen en Ik. zal met hem Avondmaal houden en hij met Mij«.Openbaring 3 vers 20.

I.
Het is altoos een ernstige en plechtige ure, wanneer in de samenkomst der gemeente een schare vergaderd is om belijdenis des geloofs, om dus belijdenis van den Naam des Heeren te doen.
Wat dunkt u van den Christus? Wie zegt gij dat Ik ben? Dat is de vraag die ook nu weer aan de consciëntie van velen, zoowel hier als in onze andere kerk, zal voorgelegd worden. En nu weten we allen hoe verschillend de antwoorden zijn die op die vraag gegeven worden. Ach, in de dagen van 's Heilands omwandeling op aarde hield immers ook de een Hem voor Johannes den Dooper, een ander voor Elia, weer een ander voor Jeremia, of voor een der profeten. Maar daar was maar één antwoord dat het rechte was, en dat was het antwoord dat Simon Petrus in naam zijner medediscipelen gegeven heeft: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.
Dat antwoord was niet de vrucht van vleesch en bloed, maar was door den Vader zelf in het hart van Petrus gewerkt, en vandaar dat het ook van zijn lippen vernomen werd. En dat antwoord is nog altoos het eenig goede antwoord dat op alle vragen aangaande den Zoon des menschen gegeven moet worden. Dat antwoord moet in den grond der zaak het antwoord zijn ook van hen (haar) die straks geroepen zullen wezen te antwoorden op de vragen die hun zullen voorgelegd worden.
Jezus is de Christus! Zeker, de belijdenis van hun geloof zal er ook een moeten zijn van geloof in God den Vader en ook een van geloof in God den H. Geest. Maar toch, gelijk van alles, zoo moet ook van onze belijdenis Christus Jezus het middelpunt zijn. Paulus zegt: „indien gij met uwen mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart gelooven dat God Hem uit de dooden opgewekt heeft, zoo zult gij zalig worden".
Laten we dus hopen, dat het van alle belijders en belijderessen van dezen morgen het geloof des harten en de belijdenis der lippen zal mogen zijn: Christus is de hoogste profeet, door Wien ook ik, arme dwaas als ik ben in mij zelf, geleerd en onderwezen wil worden; Christus is de eenige Hoogepriester door Wien ook ik, groote zondaar als ik ben in mij zelf, gereinigd en geheiligd wil worden. Christus is de eeuwige Koning door Wien ook ik, slaaf van Satan als ik ben in mij zelf, verlost en gezaligd wil worden. Ziet, als dat de grondtoon van de belijdenis van de nieuwe belijders en belijderessen mag zijn, dan zullen zij ware lidmaten van de Kerk des Heeren zijn.
Laten we daartoe ons oor te luisteren leggen aan een woord dat de verheerlijkte Christus zelf bijzonder tot hen (haar) heeft te zeggen. Gij vindt het in Openbaring 3 vers 20. »Zie, ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijne stem zal hooren en de deur open doen, Ik zal tot hem inkomen en Ik. zal met hem Avondmaal houden en hij met Mij«.
Dit woord is ontleend aan een der zeven brieven die de apostel Johannes op bevel van den verheerlijkten Middelaar gericht heeft tot de zeven gemeenten in Klein-Azië. Die zeven gemeenten waren nog al verschillend. Zeker, zij hadden ook punten van overeenkomst. Aan al deze gemeenten immers was hetzelfde evangelie verkondigd. Alle zeven hadden zij dat evangelie aangenomen door het geloof. Maar het beleven van dat geloof bleek in die zeven gemeenten zeer onderscheiden te zijn. In dat opzicht waren er geen twee aan elkander gelijk. Efeze had haar eerste liefde verlaten. Smyrna werd vervolgd. In Pergamus waren aanhangers van de leer van Bileam. In Thyatire liet men de profetes Jesabel leeren. Sardis was dood. Philadelfia was zwak en Laodicéa was lauw.
Nu is ons tekstwoofd ontleend aan den brief, dien de apostel aan deze laatste gemeente geschreven heeft. Dat is niet omdat ik vind dat onze gemeente het meest op de gemeente van Laodicéa gelijkt. Wel denk ik dat er in iedere gemeente, dus ook in de onze, wel meerdere trekken van het beeld ook van deze gemeente te herkennen zullen zijn. Ach, wie van Gods kinderen zal zich zelf niet gedurig van lauwheid, van dat noch koud noch heet zijn, te beschuldigen hebben? Voor wien van Gods kinderen zal dan ook de raad om van den Heere goud en witte kleederen en oogenzalf te koopen, overbodig zijn? En tot welke gemeente zal het dus niet gezegd kunnen worden wat Jezus hier in ons tekst woord tot de gemeente van Laodicéa gesproken heeft?
Ja, Jezus staande aan de deur van ons hart. Ik denk dat er wel niemand in ons midden zal wezen op wien dat woord niet van toepassing is. En vooral aan de deur van hen (haar) die in deze ure Zijn Naam zullen belijden, zien we den verheerlijkten Middelaar als 't ware staan. Komt, laten we achtereenvolgens hooren:
1°. Wat Hij daar doet;
2°. Wat Hij daar verwacht;
3°. Wat Hij daar belooft.
Ons telkstwoord begint met het woordeke „Zie". Dat is een bewijs dat hetgeen er gezegd wordt bijzonder onze opmerkzaamheid behoort te trekken, onze aandacht dubbel waardig is. En inderdaad, wat hier gezegd wordt tot de gemeente des Heeren die zich in Laodicéa bevond, is wel waard om nauwkeurig overdacht te worden. Ik sta aan de deur en Ik klop. De verheerlijkte Heiland stelt zich hier dus voor als een buitenstaander, die bij iemand wenscht binnengelaten te worden en die nu voor de deur staat te kloppen, opdat Hem van binnen zal worden opengedaan. Eerst had Hij zich voorgesteld als een koopman die op de markt zijne waren als 't ware stond aan te prijzen. Immers „Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur". Maar toen dat blijkbaar niet had geholpen en men niet van Zijn goud en van Zijn witte kleederen en van Zijn oogenzalf had gekocht, stelt Hij zich voor als iemand, die nu de huizen langs gaat en op iedere deur aanklopt en daarmee het verzoek doet om daar binnen te komen.
O, wat een nederbuigende liefde, wat een rijke genade zien we hier schitteren! Immers wie is die Ik, die daar staat aan de deur? En wie zijn zij, aan wier deur Hij klopt? O, gij weet het allen, die Ik is de Hooge, de Verhevene, de Heilige, die in de eeuwigheid woont, en Wiens naam Heere is. Die Ik is de verheerlijkte Borg, dien Johannes zoo pas nog had zien staan in het midden van de zeven gouden kandelaren, bekleed met een lang kleed tot de voeten en omgord aan de borsten met een gouden gordel. Die Ik is de Held, Wiens voeten Johannes gezien had als voeten van koper, Wiens stem Johannes gehoord had als een stem veler wateren, Wiens aangezicht voor Johannes geweest was als de zon schijnt in hare kracht. Die Ik is de eeuwig levende, aan Wiens voeten Johannes als een doode was nedergevallen en die toen tot Johannes gezegd had dat Hij had de sleutels der hel en des doods.
En degenen, aan wier deur die Ik hier kloppende wordt voorgesteld, waren nietige, zondige menschen, behoorende tot de gemeente van Laodicéa, behoorende tot een gemeente die noch koud was noch heet en die de Heere dus gedreigd had uit Zijn mond te zullen uitspuwen. Aan de deuren van zulke menschen, die zich dat dus ten eenenmale hadden onwaardig gemaakt, stelt de Heiland zich hier voor te staan en te kloppen. En daarin, gij gevoelt het, komt vooral uit de nederbuigende goedheid en genade van Christus. Hij, de Heilige, staat aan de deur van onheiligen. Hij, de Rechtvaardige, staat aan de deur van hen wier gerechtigheden niet anders zijn dan een wegwerpelijk kleed. Hij, de Barmhartige, staat aan de deur van menschen die Zijn liefde versmaden en die de deur zoo dicht mogelijk voor Hem gesloten houden.
Maar als ons dat overkwam, dat wij stonden aan de deur van iemand, van wien wij wisten dat hij ons niet open wilde doen, zouden we niet aanstonds aan die deur voorbijgaan en zouden we ons niet aanstonds wenden tot die deuren, waarvan we wisten dat zij ons wél geopend zouden worden?
Alzoo niet met Jezus. Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Zoo sprak Hij tot de gemeente van Laodicéa en zoo spreekt Hij nog tot menschen die van nature niets beter zijn dan die gemeente die zich rijk waande en aan geen ding gebrek meende te hebben. Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Zoo spreekt de Heiland tot een iegelijk onzer; zoo spreekt Hij nog dagelijks, dus ook tot u en tot mij.
En vraagt ge nu op wat wijze de Heere ook bij ons aan de oorpoort en aan de hartepoort, aan de buitendeur en aan de binnendeur klopt, dan kunnen op die vraag onderscheiden antwoorden gegeven worden. Nu eens klopt Hij hard, dan weer klopt Hij zacht; nu eens klopt Hij door de prediking van Zijn Woord, dan weer klopt Hij door allerlei omstandigheden in ons leven. Nu eens klopt Hij middellijk door allerlei personen die Hij ons in ons leven doet ontmoeten, dan weer klopt Hij meer rechtstreeks door velerlei gebeurtenissen, waaraan Hij ons leven onderwerpt.
Wilt gij er enkele voorbeelden van? De Heere wierp u neer op het ziekbed en bracht u aan den rand van het graf. Gij dacht zelf niet anders dan dat gij zoudt gaan sterven en ook anderen meenden dat de poort des doods zich weldra voor u ontsluiten zou. Maar plotseling kwam er een keer in uw toestand; alle vreeze des doods werd beschaamd en de doodsschaduw werd weer in den morgenstond veranderd. Dan was èn die doodsschaduw èn die morgenstond voor u het kloppen van Jezus. Hij stond aan de deur en Hij klopte, toen gij daar neerlaagt in het gezicht van den dood; maar Hij stond ook aan de deur en Hij klopte toen u weer levensverlenging en levensvernieuwing geschonken werd.
Een ander voorbeeld is dit. De Heere ontnam u een of misschien wel meerderen uwer geliefden. God leidde u in een weg van tegenheid en smart. De band werd gebreken die u bond aan uw vader of moeder, aan uw man of vrouw, aan uw broeder of zuster, aan uw kind of uw vriend. Uw weg was de weg naar het kerkhof, die sombere, die moeilijke, die smartelijke weg. Dan was die droefheid, die God deed tot uw smart, voor u het kloppen van Jezus. Hij stond aan de deur en Hij klopte toen gij uw geliefde betrekkingen daar zaagt worstelen met den dood. Hij stond aan de deur en Hij klopte toen gij daar den grafkuil gedolven zaagt liggen en toen gij het moest aanzien dat wat u lief was daar wegzonk in dat kille en ijzige graf.
En zoo zijn daar wellicht zoo vele en velerlei omstandigheden en gebeurtenissen in ons leven geweest, dat Jezus het ons als 't ware toeriep: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Hij stond er dus niet alleen en Hij klopte niet alleen, maar Hij riep het ons bovendien nog toe dat Hij er stond en dat Hij klopte. En dat deed Hij bovenal wanneer Hij aan onze ziel klopte met den hamer, met den klopper van Zijn Woord.
Hoe menigmaal heeft Hij ons Zijn Woord niet doen verkondigen; hoe menigmaal is ons in ons eigen huis en in Gods huis, in kerk en op catechisatie niet voorgesteld de zegen en de vloek, niet voorgehouden de weg des levens en de weg des doods. Ja, hoe dikwijls hebben we ons een beeld zien teekenen van de diepe ellende van den zondaar, hoe vaak hebben wij het ons niet hooren toeroepen dat de mensch in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren en dat hij daarom aan allerhande ellendigheid, ja aan de verdoemenis zelve onderworpen is.
Welnu, dat beeld dat ons geteekend werd van ons dood zijn in de misdaden en in de zonden, was een kloppen van Jezus. Hij stond dan aan de deur van ons hart en riep het ons toe: die zondaar, die goddelooze, die vloek- en doemwaardige zondaar zijt gij. Gij hebt u door uw zonden den toorn, de gramschap des Heeren waardig, dubbel waardig gemaakt. Maar hoe dikwijls hebben we ons ook hooren voorstellen den weg der verzoening, den weg der verlossing, den weg van genade en zaligheid, die daar in Jezus Christus ontsloten is. Hoe menigmaal is het ons toegeroepen: daar is geen andere naam onder den hemel gegeven, waardoor wij moeten zalig worden, dan de naam van Hem, die de Weg, de Waarheid en het Leven is. Hoe vaak zouden we 't al gehoord hebben dat 't bloed van Jezus Christus, Gods Zoon van alle zonden reinigt?
Welnu, dat beeld dat ons getekend werd van Christus was een kloppen van Jezus. Hij stond dan aan de deur van ons hart en riep het ons toe: ook voor uw zonden is er vergeving; ook voor uw schuld is er betaling; ook voor uw nood is er leniging; ook voor uw smart is er verzachting; ook voor uw duisternis is er licht; ook voor uw dood is er leven. Komt tot Mij, o allen gij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven.
Maar hoe dikwijls hebben we ons ook hooren voorstellen den weg der dankbaarheid, den weg der heiligmaking, zonder welken niemand den Heere zal zien; den weg der bekeering, waarop onze oude mensch moet sterven en waarop onze nieuwe mensch moet opstaan tot een leven dat den Heere gewijd en geheiligd is. Hoe menigmaal hebben we al hooren spreken van dat vermaak in de Wet Gods naar den inwendigen mensch.
Welnu, dat beeld dat ons van het nieuwe leven geteekend werd, was een kloppen van Jezus. Hij stond dan aan de deur van ons hart en riep het ons toe: zondaar, wat gij mist in uzelf, dat kunt gij vinden in Mij. Ik ben u immers niet alleen tot rechtvaardigmaking, maar ook tot heiligmaking geschonken. In Mij kunt gij dus vinden wat gij tot uw volkomen verlossing behoeft.
Zoo heeft Jezus al zoovele dagen, al zoovele weken, al zoovele maanden, al zoovele jaren wellicht staan kloppen aan de deur van ons aller hart. En zoo heeft Hij niet het minst de laatste weken telkens weer bij vernieuwing geklopt aan de harten van hen, die in deze morgenure in samenkomst der gemeente zijn gekomen om belijdenis van den Naam van Jezus te doen. Hoe telkens is hun weer gewezen de weg der ellende, waarop zij van nature wandelaars zijn.
Hoe telkens is hun weer voorgehouden de weg der verlossing, die daar voor den grootsten der zondaren in Christus ontsloten is.
Hoe telkens is hun weer aangeprezen de weg der waarachtige levensvernieuwing, de weg der bekeering en is het hun gezegd dat ook die weg alleen door het geloof in Christus te bewandelen is.
En als zij nu vanmorgen hier kwamen om van hun geloof bedijdenis te doen, dan staat Jezus zeker nu niet het minst aan de deur van hun hart en we zien Hem als 't ware den klopper opheffen en we hooren het Hem als 't ware roepen:
Komt, kind'ren! hoort naar Mij,
Neemt Mijn getrouwen raad in acht.
Ik leer, opdat g' uw plicht betracht
Wat 's Heeren vreeze zij.
Komt, maakt God met mij groot,
Verbreidt, verhoogt met hart en stem
Den nooit volprezen Naam van Hem
Die ons behoedt in nood.
(Slot volgt).
*) Predicatie, gehouden op Zondagmorgen 14 April 1929 in de Oude Kerk te Veenendaal, bij het afleggen van openbare belijdenis des geloofs. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's