FEUILLETON
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
— DOOR IDSARDI —
53)
„'t Zal een mooie brief worden" — had Rijpkema gegekscheerd, en de oudste dochter had gevraagd of hij ook een velletje papier wou hebben; ze had een prachtige map gekocht, rose kleur, met een duifje in den linkerhoek. Maar Jasper is stiekum naar boven gegaan, waar de eikenhouten kleerkist stond, die al zijn hebben en houden bevatte, heeft een stoel bijgeschoven, om zoo goed en zoo kwaad het ging aan 't papier toe te vertrouwen, wat er in zijn hart leefde voor Griet. 't Ging niet makkelijk. Tegen Sander heeft hij gezegd, dat hij liever een heelen dag in „de jister" stond, om de mestwagens te laden, maar 't was er op gekomen. Toen heeft hij het brievenzakje flink nat gemaakt en stevig dichtgeplakt, en bij gebrek aan lak met zwarte inktstreepjes over de sluiting zijn geheim verzegeld.
„Of zij niet eens lezen mocht; in elk geval den brief voor hem zou posten, daar zij toch naar het dorp moest", — heeft zijn plaaggeest gevraagd, maar Jasper heeft hem zorgvuldig in zijn buis verborgen en 's avonds zélf den tocht naar het postkantoor ondernomen, om zeker te wezen dat hij goed en wel werd afgeleverd.
Daarop zijn dagen van spanning gevolgd. Tot op een morgen, toen hij van 't melken thuis kwam, de vrouw hem in het voorhuis tegen trad en zei: „raad eens wat ik voor je heb".
Nu, dat begreep hij aanstonds, maar het te zeggen was iets anders.
„Misschien wel een nieuwe pijp" — heeft hij toen geantwoord, ,,want mijn mooie doorrooker is stuk".
„Nou, dan beloof ik je dien, zoodra ik weer naar de stad ga, maar het is iets anders, dat voor jou zeker nog van veel meer waarde is".
„'k Geef het op, vrouw" — heeft hij toen maar gauw gezegd, maar ondertusschen met belangstelling toegekeken wat er onder den breeden wollen boezelaar vandaan zou komen; en toen werd hem lachend 't antwoord van Griet ter hand gesteld, waar naar hij zoo begeerig uitzag.
In zijn eentje heeft hij toen na het broodeten den brief gelezen, waarvan de inhoud weldra aan allen op „Olga State" bekend was. Jasper zag zoo vroolijk en was zoo buitengewoon spraakzaam. Zelfs had Rijpkema hem dien eigen avond hooren zingen, wat nog nooit gebeurd was, zoolang hij hier woonde.
„Of daar geen bruiloft van komt, dan weet ik het niet" — zei de boer dien avond tegen zijn volk, en het overig personeel dacht er precies zoó over.
Zoodra hij vrijaf kon krijgen, werd de reis naar de geboorteplaats ondernomen, en weldra was het een publiek geheim, dat Jasper en Griet elkaar weer gevonden hadden, om zoo spoedig mogelijk samen den levensweg verder te gaan.
Kort daarop werd te Zorgvliet de betrekking van koster, met al de bijbehoorende baantjes vacant, doordat de tegenwoordige wegens hoogen ouderdom door h.h. kerkvoogden gepensioneerd werd. Een andere vraag echter was, wie zijn opvolger moest zijn. Liefst iemand in de kracht der jaren, die voor dezen veelzijdigen arbeid gevoelde en daarbij de kerk liefhad.
Op een morgen heeft Rijpkema Jasper gevraagd of hij misschien ook trouwplannen had. ,,Als er maar een woning disponibel was" — zoo heeft hij gezegd — dan wèl, maar waar moet je in dezen tijd iets vinden". Hij bleef graag in deze gemeente en Griet zou ook liefst naar Zorgvliet komen, doch alles was bezet. „Behalve de kosterswoning" — zei Rijpkema. „Ja, maar die was voor den koster" — „ ..... En als hij dat nu eens werd ....."
Daar had Jasper geen oogenblik bij stilgestaan. Hij was boerenknecht, en nu koster! „Denk er eens over na" — zei de boer, „en vertel het mij dan eens met een paar dagen".
Opnieuw moest Sander hierbij geraadpleegd, die dit als een bizondere beschikking van Hoogerhand beschouwde, en toen Griet zelf hiertegen ook geen bezwaar had, omdat 't haar beter leek dan in deze dure tijden om te zien naar een boerderij, al was het dan ook maar op bescheiden voet, was Jasper z'n besluit spoedig genomen.
Of hij dan in aanmerking mocht komen en de boer een goed woordje bij de andere kerkvoogden voor hem wilde doen?
Dat beloofde Rijpkema, en zoo is 't gekomen dat Jasper koster-doodgraver-klokluider werd, plus alles wat er verder bijbehoorde. Mocht hij nog al vrijen tijd over houden, welken hij nuttig besteden wilde, zoo vond hij op ,,0lga State" altijd een open deur en werk in overvloed.
Spoedig daarop is de trouwdag gekomen, 't Is gegaan zonder veel feestvertoon, want daar waren Jasper en Griet beiden niet van gediend, maar niemand kon verhinderen dat de vlag twee Zondagen achter elkaar, en ook bij het trouwen, op den watertoren stond, dien hij zoo vaak bij dag en bij nacht bediend had, en óók niet, dat er op „Olga State" eenige kennissen genoodigd waren om de jongelui eere aan te doen. Want de boer en de vrouw hadden beiden gezegd, dat zij d'r op stonden dat Jasper bij hen uit huis trouwde. 't Was wel wat geweest dien dag, toen hij niks niemendal doen mocht, en al maar uit die mooie pijp met bloemen en lintjes moest rooken, en op dien versierden stoel moest zitten, die anders in de pronkkamer stond. Men had veel te veel drukte met hem, zei hij, maar Rijpkema sprak: „eere, wien eere toekomt, en morgen is 't weer wat anders".
Natuurlijk was Sander ook van de partij, die in deze geheele zaak de hand had gehad, veel meer dan Jasper toen nog wist.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 mei 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's