De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE    RONDSCH0UW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCH0UW

29 minuten leestijd

De Kerk en Ieertucht.
In de Kerk moet God aan 't woord gelaten worden. Daarop heeft de Heere recht, bizonder in Zijn Kerk. De Kerk bestaat door Gods Geest en door Gods Woord. En daarom zal het alleen goed zijn, wanneer de Kerk, door den Geest, naar het Woord des Heeren wandelt. Hoe meer de Kerk bij het Woord leeft en zich in 's Heeren wegen, ons in Zijn Woord geopenbaard, schikt, hoe meer de Kerk aan haar aard en wezen en doel beantwoordt; en hoe rijker de zegen zal wezen, door haar verspreid.
Het is het grootste onrecht, dat aan de Kerk kan worden aangedaan, indien zij belemmerd wordt Kerk des Woords te zijn; indien zij verhinderd wordt — b.v. door de Overheid of door een organisatie, haar wederrechtelijk opgelegd — naar het Woord te leven, te handelen en te wandelen; om te zijn een verkondigster van goede boodschap. Dan verschrompelt en verarmt en versterft de Kerk. Dan komt menschelijke wijsheid in plaats van de geopenbaarde levenswaarheid Gods; dan komt filosofie inplaats van de leer der godzaligheid, welke is in Jezus Christus, onzen Heere. Dan wordt de Kerk des Heeren ingeruild voor allerlei menschelijke vereenigingen, zooals het liberalistisch beginsel altijd heeft gewild.
Wanneer de Kerk van het Woord beroofd wordt of belet wordt Kerk des Woords te zijn, handelt men ook wreed tegenover het volk; men begaat dan de grootste onbarmhartigheid tegenover de natie, waarvan de gevolgen voor land en volk niet zullen uitblijven. Want in dat Woord Gods, in de Heilige Schrift, zijn de woorden des eeuwigen levens gegeven aan de Kerk, om die uit te deelen in het midden van het volk; om te zijn een verkondigster van goede boodschap; en daarin verhindert men dan de Kerk, maar wordt dan tegelijk oorzaak dat het volk en het Vaderland beroofd wordt van de kennis, die ten leven is, waardoor de profetie versterft en het volk verloren gaat, omdat er geen kennis is.
Met de gezondheid van de Kerk des Woords hangt zooveel samen, ook wat land en volk aangaat. Als 't zout smakeloos wordt, is het tot niets nut en het bederf grijpt allerwegen rond, zonder dat er een tegenmiddel tot behoud is.
Alles roept dan ook om de gezondmaking van de Kerk des Heeren in dezen lande. En dan moet de Kerk zich kunnen en willen inrichten naar het Woord, om de draagster te zijn van de woorden des eeuwigen levens, de dienstmaagd des Heeren, die telkens zegt: mij geschiede naar Uw Woord.
In die belijdende Kerk van Christus, aan welke de woorden Gods zijn toebetrouwd, zal handhaving van die goddelijke Waarheid moeten gevonden worden, te meer, waar wij er op rekenen moeten dat er allerlei onwaarheid, dwaling en leugen zal zijn, die trachten zal binnen te dringen. Er zullen ten allen tijde gevonden worden, die velerlei verboden waar zullen trachten binnen te smokkelen, waarom waakzaamheid gebiedende eisch is.
Om drieërlei oorzaak zal de Kerk bij de Waarheid, haar van God toebetrouwd, moeten waken. Zoowel Calvijn, als het Formulier van den Ban leeren ons dat. En a Lasco en Voetius zeggen hetzelfde. Alle Gereformeerden van alle tijden en alle landen stemmen hierin overeen.
Calvijn, Institutie 4, 12, 5 zegt dat de tucht noodig is: Ten eerste opdat de Naam Gods niet gelasterd wordt, om oorzaak dat Zijn Waarheid wordt geschonden; ten tweede, opdat de geloovigen in de Kerk voor de besmetting van allerlei leugen en dwaling beschermd worden; ten derde, om degenen die dwalen tot berouw en tot bekeering te brengen.
A Lasco zegt het in zijn Forma ac Ratio II, 173 korter, maar bedoelt hetzelfde. Hij zegt, dat de geheele Kerk als lichaam des Heeren, en een ieder in 't bizonder, bij z'n plicht en roeping worde gehouden. Er moet een teugel zijn voor onze bedorven natuur en onderlinge tucht moet gehouden worden in liefde. Geen tucht te houden, doet de Kerk ontaarden en het is liefdeloos tegenover elkander!
't Formulier van den Ban, van de 16de eeuw af onder ons in gebruik, noemt ook drie oorzaken, zij 't in andere volgorde. Het doel van de tucht wordt daar omschreven als: 1°. den zondaar te beschamen; 2°. de Christelijke gemeente niet in gevaar te brengen; 3°. de eere van Gods Naam te bevorderen. Hier wordt dus hetzelfde doel aangegeven als bij Calvijn, bijna met dezelfde woorden, maar in omgekeerde volgorde. Zie verder Voetius Politica Ecclesiastica IV, 872.
Den zondaar te behouden en de ergernis uit de gemeente weg te nemen, noemt artikel 71 van de Dordtsche Kerkorde als doel van de tucht.
Om den zondaar met de Kerk en z'n naaste te verzoenen of te behouden, staat voorop. (2 Thess. 3 vers 14; 1 Cor. 5 vers 5—7, 11; 2 Cor. 2 vers 7). „Opdat de geest behouden moge worden in den dag van den Heere Jezus" (1 Cor. 5 vers 5). Dan is het doel van de tucht bereikt: door verootmoediging, in den weg der bestraffing verkregen, is men wedergekeerd van den weg der dwaling en zonde en behouden ten goede en ten leven.
Ook is het noodig „om de geloovigen voor besmetting te bewaren", „om de ergernis uit de gemeente van Christus weg te nemen" (ergernis = besmetting, n.l. wat iemand tot zonde brengt). Voor de Kerk, voor de geloovigen zelf is dus de tucht noodig. 1 Cor. 5 vers 6, 7, 10, II. Het dulden van allerlei ongerechtigheid bederft de geheele gemeente. 1 Cor. 10 vers 6; 1 Cor. 11 vers 20, 34; Jes. 1 vers 11; 66 vers 3; Jer. 7 vers 21 enz.
De derde oorzaak is: om de eere des Heeren. Er moet in de Kerk zijn een heilig houden van hetgeen heilig is. Rom. 2 vers 24; 1 Petrus 2 vers 12 enz.
Nu willen wij bij deze materie even op het volgende wijzen, waarvoor wij gaarne aandacht vragen.
Men stelt het zoo gaarne voor, alsof de tucht, met name de leertucht, zou zijn om iemand, om een of anderen persoon, of een of andere groep van personen, b.v. de Vrijzinnigen, te treffen. Dit is geenszins 't geval. En wij wilden zoo gaarne, dat men deze dingen eens zakelijk wilde en kon behandelen.
In de Kerk, welke de Kerk van Christus en een Kerk des Woords is, moet als recht en vrijheid gelden voor ieder, die een ander inzicht in de Waarheid meent verkregen te hebben, zich te mogen en te kunnen verantwoorden tegenover z'n medeleden en broeders. De Kerk moet dus het Woord belijden en haar belijdenis handhaven.
Maar ieder in de Kerk moet in de gelegenheid gesteld worden wanneer men eventueel de Waarheid anders en beter heeft leeren zien, dan de Kerk leert, van zijn gevoelens mededeeling te doen en — op grond van de Schrift — zijn standpunt en zienswijze aan te prijzen en zoo mogelijk anderen voor zijn gevoelen te winnen (op grond van de Schrift). Die gelegenheid moet er in de Kerk van Christus zijn, waarvoor ook noodig is dat de Kerk hare vergaderingen heeft, waarop deze dingen, rakende de belijdenis, aan de hand van Gods Woord kerkelijk besproken kunnen worden. Zoowel om de wille van de Kerk als om de wille van de belijdende lidmaten is dat noodzakelijk.
Stel nu, dat op de kerkelijke vergadering, naar orde, het „nieuwe" gevoelen en standpunt van een of meer van de belijdende lidmaten behandeld wordt, maar het wordt naar uitwijzen, van het Woord, beschouwd als een afwijkend gevoelen en een verkeerd standpunt; wat dan?
Als iemand, die zijn gevoelens heeft voorgedragen ter plaatse, met bewijsgronden uit en redeneering naar de Schrift, geen gehoor heeft gekregen, of althans in de minderheid is gebleven, dan moet in de Kerk van Christus aan zoo iemand in breedere kerkelijke vergadering gelegenheid gegeven worden van zijn gevoelens mededeeling te doen en rekenschap te geven, in den ruimeren kring van de Classis, van de Provinciale Synode, en zoo noodig van de Nationale Synode, mits met duidelijk geformuleerde en gemotiveerde bezwaren, ontleend aan de Schrift, welke door de Kerk als diepste grond en hoogste autoriteit moet worden beschouwd en geëerbiedigd.
Wanneer het nu zóó gaat, is dus in 't geding niet een persoon, niet een groep van personen, maar een standpunt, eem gevoelen, een belijdenis, een leer — dus een zakelijk, geestelijk, principieel iets, dat ook als standpunt en gevoelen, als leer en belijdenis kerkelijk moet behandeld worden, getoetst en gewaardeerd.
Om zaken gaat het dan, niet om personen. Om belijdenis en leer, niet om een lidmaat of vereeniging of bond, of wat ook. In Christus' Kerk is niet de vraag en mag niet de vraag zijn: behoort die persoon of die groep wel in de Kerk? De vraag moet wezen en moet blijven: is deze of die leering of belijdenis overeenkomstig Schrift en kerkelijke Confessie? Zoo blijft de belijdenis der Kerk leven, en zoo moet telkens het licht van Gods Woord uitstralen over hetgeen geleerd wordt.
En stelt nu, dat een bepaalde leering, een bepaald gevoelen, een bepaald standpunt dat men aanhangt en verdedigt, door de Kerk in kerkelijken weg veroordeeld wordt? Wat gebeurt er dan?
Dan krijgt men dit: een bepaald gevoelen, een bepaalde leering is door de Kerk, als in strijd met Gods Woord, afgewezen, als niet in de Kerk des Woords toelaatbaar zijnde. Het gevoelen is afgewezen. Het ging niet tegen personen, 't ging over zaken. En de zaak is beslist en veroordeeld.
Dan zullen personen, die aanhangers zijn van dat verkeerd gevoelen, dat door de Kerk veroordeeld en afgewezen is, dat veroordeelde gevoelen en die leering en dat standpunt, dat verworpen is door de Kerk, moeten loslaten.
Dan zullen personen, die aanvankelijk dat gevoelen zagen en droegen als een waar en zelfs beter gevoelen dan de Kerk voorstond, van die leering en van dat stand punt moeten afzien. Dan zullen zij zich moeten voegen naar de uitspraak der Kerk zelve, zich willig onderwerpend.
Dan is 't in orde, als zij dat als leden der Kerk, buigend voor het Woord, doen.
Dan is de zaak als zaak behandeld en 't is uit nu met die verkeerde leering. In eenigheid des waren geloofs gaat men dan saam verder.
Maar natuurlijk kan ook iets anders plaats hebben, 't Kan zijn, dat de aanhangers van het betrokken gevoelen in hun consciëntie van oordeel zijn, dat de Kerk verkeerd heeft gedaan door hun standpunt en hun leering te veroordeelen. Dan houden zij vast aan hun gevoelen en dan is de Kerk in hun oog niet meer de ware Kerk des Woords, waarbij zij zich thuis voelen. Dan is die Kerk niet meer voor hen de Kerk, waarin zij begeeren saam te wonen met de broeders en zusters. Dan maken zij zich los van die Kerk, scheiden zich af en voegen zich dan bij de Kerk, die voor hen de ware Kerk is, zoolang de Kerk, waarvan zij zich moeten afscheiden, in haar dwaling volhardt.
We krijgen dan dezen toestand: in de oogen van de Kerk dwalen degenen, die de „nieuwe" gevoelens aanhangen; in de oogen van de voorstanders der nieuwe leer dwaalt de Kerk.
Als zóó 't geval staat, gaat dus de broeder of zuster, die voor de gevoelens, welke men voorgedragen heeft, maar waarvoor geen instemming en geen plaats was in de Kerk, héén. Natuurlijk. De Kerk is voor hem of voor haar immers dan niet meer de ware Kerk, die naar waarheid Gods Woord belijdt en volgt. De breuk is er dan. Om des beginsels wille; niet om de wille van personen; om de zaak van de belijdenis, van de waarheid, van het geloof. Waarbij dan natuurlijk zich ook nog het volgende kan voordoen.
Het gevoelen, de leering, het standpunt, boven bedoeld, is in en door de Kerk, op grond van Gods Woord, veroordeeld. Maar nu zijn er personen, die de veroordeelde gevoelens en leeringen, rakende de belijdenis der Waarheid, blijven aanhangen, en dan óók willen blijven in de Kerk, om in strijd met de belijdenis der Kerk en tegen de uitspraak en de beslissing der Kerk in, in de Kerk de dwaling vast te houden en dwaalleer te propageeren. De veroordeelde dwaalgevoelens belijdt men dan in de Kerk tegen de ordening der Kerk ingaande.
Dan komt men in conflict. Omdat in de Kerk „eendracht en eenigheid moet worden gevoed en bewaard in de gehoorzaamheid Gods" (art. 32 Ned. Gel. bel.). Dan komt de tucht in een tuchtzaak, wegens ongehoorzaamheid en wederstreving tegen de ordeningen der Kerk.
De zaak is dan eerst door de Kerk als zaak behandeld en het gevoelen is in den kerkelijken weg als leer, belijdenis of standpunt, veroordeeld. Dat eerst.
Maar dan komt nu ook de kwestie van gehoorzaamheid óf ongehoorzaamheid. En bij ongehoorzaamheid, ingaande tegen het verbod der Kerk om dit of dat te leeren, moet de Kerk handelend optreden. Dat is een trek van het Gereformeerd Protestantisme en een trek van de Gereformeerde Confessie, zoowel als van het Gereformeerd Kerkrecht, die niet weggewischt kan of mag worden en onlosmakelijk van ouds met de Gereformeerde Kerk vast zit.
De Kerk moet haar belijdenis handhaven. De Kerk moet over haar belijdenis waken. Die belijdenis moet leven in de Kerk. En 't moet de moeite waard zijn voor de Kerk, die het Woord liefheeft, voor de belijdenis op te komen en voor de belijdenis te staan. Gods eer is er mee gemoeid, de welstand van de Kerk hangt er van af, de geloovigen moeten beschermd tegen alles wat kan afvoeren van de gezonde leer en de dwalenden moeten vermaand, opdat zij behouden mogen worden, of anders — onverhoopt — uit het midden van de Kerk uitgesloten. Onze Nederlandsche Geloofsbel. geeft de lijnen hier zoo mooi en zoo duidelijk aan en in alle Kerkordeningen is het vanouds zoo naar waarheid voorgedragen en vastgelegd.
Art. 30 Ned. Gel. bel. zegt: „dat er Dienaars of Herders moeten zijn, om Gods Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen; dat er ook Opzieners en Diakenen moeten zijn, om met de Herders te zijn als de Raad der Kerk; en door dit middel (wat in de Kerkorde vanouds nader en breeder is uitgewerkt, zoowel in de Gereformeerde Kerk hier als in de Kerken in andere landen) „de ware religie te onderhouden en te maken, dat de ware leer haren loop hebbe, dat ook de overtreders op geestelijke wijze gestraft worden en in den toom gehouden".
Zóó moet „de ware Kerk" (waarvan ,,Jezus Christus de eenige algemeene Bisschop en het eenige Hoofd is", zie Art. 31 Ned. Gel. bel.), ,,geregeerd worden naar de geestelijke regeerwijze, die ons onze Heere heeft geleerd in Zijn Woord" (art. 30) en allen zijn schuldig „de eenigheid der Kerk te bewaren en zich te onderwerpen aan hare onderwijzing en tucht, den hals buigende onder het juk van Jezus Christus en dienende de opbouwing der broederen" „volgens Gods Woord" (art. 28 Ned. Gel. bel.). De Kerk moet een Kerk des Woords zijn. Zij moet den Naam des Heeren belijden naar Zijn Woord.
Zij moet Jezus Christus erkennen als haar eenig Hoofd, die wil dat de Kerk van Zijn Woord belijde dat het waarachtig is en dat zij in Zijn Woord blijve. De Kerk mag voor haar belijdenis, die naar de Schriften is, niet onverschillig zijn; zij mag niet slordig en nalatig zijn ten opzichte van de belijdenis der Waarheid naar de Schriften. Anders verwordt zij tot een vereeniging met eigengemaakte stellingen en bestuursregelen. Maar zij is Kerk en moet Kerk blijven. En zelve eerbied hebbend voor haar Hoofd en Koning, voor Zijn Woord en waarheid, moet zij ook Hem gehoorzaam zijn en de belijdenis der Waarheid handhaven.
Zelfs als de Overheid haar zou dwingen — zooals de Remonstrantsche Overheden in den goeden ouden tijd zoo dikwijls gedaan hebben! — van de Waarheid af te laten, mag zij dat, als Kerk van Christus, niet doen. Ook al zouden de straffen van de Magistraten en de plakkaten der Prinsen (art. 28 Ned. Gel. bel.), haar willen dwingen tegen haar consciëntie te handelen, zij moet getrouw zijn en de Waarheid Gods niet verloochenen.
Zelve zal zij „zich moeten onderwerpen aan de ware leer en den hals buigen onder het juk van Jezus Christus" en dat moeten óók doen allen, die tot de Kerk behooren, „onderhoudende de eenigheid des geloofs" en medewerkende tot den opbouw en niet tot de afbraak, van het lichaam van Christus. Hier staat de Gereformeerde Kerk-idee óók al weer tegenover de modernistische Kerk-idee. Waarbij het liberalistische beginsel de Kerk geen Kerk wil laten, met onttrooning van Christus als het éénig Hoofd der Kerk en met loochening van Gods Woord, als de ons gegeven openbaring der zaligmakende Waarheid. Door Kerk en Volk moet hier een keus gedaan worden. Welbewust en eerlijk. Om Gods wil, om de wille der Kerk, om de wille der lidmaten, om de wille der dwalenden en om de wille der geloovigen.

De Classis Amsterdam en de Synodale Organisatie van 1816.
In »Stemmen des Tijds«, Maandblad voor Christendom en Cultuur, geeft prof. dr. A. Eekhof van Leiden een belangrijk artikel, dat de hand van den echten historiekenner verraadt, over „De Classis Amsterdam" 1578—1928.
Wij ontleenen een en ander aan dit professorale stuk:
"Vierhonderd jaar heeft die Classis nu bestaan en er is veel goeds van te zeggen. L'histoire est une resurrection, dat is: de geschiedenis is een herrijzenis. Dan krijgt alles weer een nieuwen glans, wanneer de geschiedenis nog eens nageplozen en naverteld wordt. Hernieuwde beteekenis krijgt wat voorbij ging en achter ons ligt. Alles krijgt weer gloed en leven. En het zal goed zijn, ook voor onze Hervormde Kerk, dat wij onze geschiedenis weer bij vernieuwing leeren kennen en waardeeren, om voor de toekomst uit de geschiedenis wijsheid en geloof, moed en bezieling te ontvangen. Een Christen is geen anarchist, die alles veracht en verwerpt wat er was en wat er is, om een nieuw gebouw in revolutiestijl op te trekken. Een Christen is verstandiger en meer dankbaar; hij weet te waardeeren wat vroeger was en weet te benutten wat de historie leert. Als hij tenminste niet al te eigenwijs is en toch ook dweept met den revolutie-bouw
In 1578 kwam het jaar van de vrijmaking. Na een periode van anabaptistische overheersching en een tijd van roomsch-Katholieke familie-regeering, kwam het doelbewuste Calvinisme in 1578 met de Alteratie of groote verandering.
Petrus Datheen mocht den eersten predikant der Gereformeerde Kerk van Amsterdam bevestigen een zekeren Johannes Cuchlinus — en in het koor der Oude Kerk werd ingeschreven:
   't Misbruyck, in Godes Kerk allengsktns ingebracht,
   Is hier weer afgedaan, 't jaar zeventig en acht.
Sedert November 1578 is de Nieuwe Kerk voor hoofdkerk bestemd en voor den gezuiverden — gereformeerden — eeredienst in gebruik genomen.  Op de Synodale Vergadering in Noord-Holland, 15 Sept. 1578 gehouden, werd geconstateerd, dat de dienaren en ouderlingen der Kerken in de stad Amsterdam zich vereenigd hadden, (geünieerd) met het corpus of lichaam der N.-Hollandsche Kerken en is goed gevonden, dat de broederen van Amsterdam binnen hun stad een Classis zouden hebben. Ziedaar de geboorte-akte van de Classis van Amsterdam.
In 1672 was rondom Amsterdam alles platgebrand. Diemen's Kerk was verwoest; Naarden was uitgemoord; Sloterdijk was een prooi der vlammen geworden.
Door den Kerkeraad van Amsterdam werd toen alles in het werk gesteld om de gemeenten te helpen. Van de Classis als zoodanig is tot 22 Mei 1582 eigenlijk nog geen sprake, maar Amsterdam's Kerkeraad zorgt als een moeder voor de omliggende Kerken. Aanvankelijk vergaderde de Classis om de drie, na 1583 om de vier weken; echter alleen des zomers; des winters werd de regeling van zaken aan de Kerk te Amsterdam overgelaten.
Wanneer de Classis vergaderde, deed zij dat telkens in een andere gemeente, en de predikant van de Kerk waar men samenkwam, was praeses. Gewoonlijk vergaderde men te Weesp, Loenen, Loosdrecht, Muiden, Zaandam en Amsterdam. De praeses opende met gebed en hield een korte bespreking over den Heidelbergschen Catechismus; misschien wel een laatste overblijfsel van de te Emden en Londen zoo bekende „Profetie". Ouderlingen waren zelden tegenwoordig. Vervolgens werd een onderzoek ingesteld of de Kerkeraadsvergaderingen in de gemeenten der Classis getrouw werden gehouden; of de kerkelijke tucht stipt werd uitgeoefend; met den ambachtsheer moest collatie en jus patronatus geregeld worden; tractements kwesties dienden opgelost; navraag werd gedaan of de armen werden verzorgd en de scholendienst onderhouden; bizonder werd nagegaan of de schoolmeesters wel goed-gereformeerd waren, omdat bekend was, dat deze menschen niet zelden in stilte de roomsche leer waren toegedaan. Diemen vraagt zelfs in 1596 stoutmoedig om een papistischen schoolmeester.
Ook examineerde de Classis de Dienaren des Woords, approbeerde de beroepen, bepaalde of een predikant aan een roeping buiten de Classis gehoor mocht geven en regelde den dienst in geval van ziekte.
Amsterdam dreef 'n uitgebreiden handel op Oost-en West-Indië, N.-Amerika, Kaap de Goede Hoop, Ceylon, Curacao enz. enz.
Op de schepen was godsdienstige verzorging van noode. Daartoe werden krankenbezoekers of ziekentroosters aangesteld. Vooral toen in 1602 de O.-Indische- en in 1621 de W.-Indische Compagnie was opgericht, was er voortdurend behoefte aan zulke mannen. Er waren Deputati adres Indicas, deputaten tot de Indische zaken, en dezen zorgden voor krankenbezoekers, die op de handelsvloot de vermaninge moesten doen, de gebeden lezen, de kranken vertroosten. In het vreemde land moesten ze voor het eigen volk zorgen, maar ook de blinde heidenen trachten te bewegen tot het geloof. Zij mochten geen Sacramenten bedienen, ook dus niet doopen, tenzij dan bij uitdrukkelijke afzonderlijke instructie. Later volgden predikanten, die door de Classis van Amsterdam in de leer waren onderzocht, beroepen en van instructie voorzien, waarna de Compagnie met hen een contract, gewoonlijk voor vier jaar, afsloot en ze uitzond. (Zie de dissertatie van C.W.Th. van Boetzelaer van Dubbeldam, De Geref. Kerken in Nederland en de Zending in Oost-Indië in de dagen der O.I. Compagnie. Utrecht 1906).
De Classis zorgde verder voor leger- en oorlogsvlootpredikanten, ook voor predikanten die met een ambassade meetrokken, kortom voor heel het buitenlandsch kerkelijk bewind, voor zoover Amsterdam er bij betrokken was. Ook onze groote zeeheld Michiel Adriaansz. de Ruyter kreeg een vlootpredikant mee (10 Juni 1654).
Bij die menschen zijn er helaas! geweest die om hun dronkenschap en liederlijken wandel als ballast met de retourschepen naar het Vaderland werden terug gezonden, maar terecht zegt prof. Knappert, dat „niet weinigen vertoonden een staat van dienst, waarvoor wij in bewondering den hoed lichten" (prof. Knappert, Schets van eene geschiedenis onzer Handelskerken, blz. 103)
Bij de leer en de belijdenis der Gereformeerde Kerk heeft de Classis Amsterdam van 't begin af aan de wacht gehouden. In 1582 komt de zaak van Hieronymus Hortensius voor. Hij was een spiritueele perfectionist, die leerde, dat de mensch tot zulk een schat van heiligheid op aarde kon komen, dat hij zonder zonde is. Hij werd ook verdacht een verkapte aanhanger te zijn van den libertijn Coornhert.
't Remonstrantisme gaf later groote zorg. Binnen de Classis waren er in 1628, dus zeer kort na de Synode van Dordrecht, die in twijfel trokken de gewichtigheid en noodzakelijkheid van de Vijf Artikelen tegen de Remonstranten; zoodat de Classis wenschte dat men openlijk op den kansel zulke opiniën zoude weerleggen.
Vijftig jaar later, omstreeks 1677, zijn er moeilijkheden met den mysticus ds. Jacobus Koelman, die in en om Amsterdam overal vergaderingen houdt, de Sacramenten bedient zonder de formulieren van Doop en Avondmaal te gebruiken, zonder het „Onze Vader" te bidden, enz. Sprekende voor druk bezochte vergaderingen, liet hij zich soms verachtelijk uit over het gansche ministerie van Amsterdamsche predikanten, enz. Burgemeesteren zegden hem aan, de stad te verlaten.
Niet minder zorg baarde aan de Classis de rationalistische doctor Balthasar Bekker, schrijver van het boek „De Betooverde Wereld". Scherp trad men op tegen zijn kettersche gevoelens inzake het duivel- en geestengeloof. (Zie: W.P C. Knuttel, Balthasar Bekker, de bestrijder van het bijgeloof. 's-Gravenhage. Mart. Nijhoff, 1906).
Jaar en dag nadien moesten de proponenten bij hun examen nog verklaren, dat zij niet besmet waren met de ketterij van Balthasar Bekker en dien anderen Cartesiaanschen theoloog prof. Herman Alexander Roëll.
Tegen Paapsche stoutigheden, die in het midden van de gereformeerde gemeenten voorkwamen, moest de Classis ook meer dan eens optreden; de roomsche zuurdeesem was nog lang niet overal uitgezuiverd en het bijgeloof was soms zeer sterk.
Tegen Zondagsontheiliging, comediën, boeken die uitgegeven werden, enz., waakte de Classis. En ook kwam zij op voor den Heiddbergschen Catechismus. In 1777 liepen er geruchten in de landen van de Paltz, dat men in de Nederlanden minder dan in vorige tijden op dat „dierbaar kleinood" gesteld zou zijn, zoodat het aan de vrijheid der predikanten werd overgelaten of zij in de middagpredikatiën den Catechismus wilden gebruiken of niet. De Classis, hierover bedroefd, beraadslaagde over deze zaak en bevreesd, dat de geruchten een verkeerden indruk zouden wekken in het geboorteland van den Heidelberger, schreef aanstonds een brief, om die geruchten te weerspreken en te verzekeren, dat de Heidelbergsche Catechismus in eere was als ooit. (1 Sept. 1777). Men was er van overtuigd, dat het Gereformeerd Protestantisme het boek, zoo dierbaar aan de kinderen Gods, heeft hoog te houden èn om de vragen, die zoo diep in de ziel doen zien, èn om de antwoorden, die zoo wonderschoon op de zaken ingaan.
In de 18de eeuw begon echter de macht en de beteekenis der Classis al meer en meer af te brokkelen; de gloriedagen van het gouden tijdperk waren voorbij. En toen kwam het jaar 1816, waarin Koning Willem I der Kerk een nieuwe organisatie oplegde.
De Classis Amsterdam was het, die bezwaren tegen deze inbracht, samengevat in een adres, dat aan den Commissaris-generaal Repelaer van Driel is aangeboden. De Classis sprak als haar bezwaar uit, dat het nieuwe reglement niet door de kerkelijke vergaderingen, maar door den Koning was vastgesteld; althans het maken van het ontwerp aan deze behoorde te zijn opgedragen; zij achtte de verhouding tusschen Kerk en Departement niet scherp genoeg afgebakend, zoodat een Minister ook in het godsdienstige wel eens de wet zou kunnen voorschrijven; zij vreesde voorts, dat de macht der Synode zelfs zóóver zou kunnen gaan, dat zij ook de beroeping der predikanten en de verandering der formulieren van eenigheid aan zich zou kunnen trekken, wat op een soort pauselijke of bisschoppelijke heerschappij zou uitloopen. Zij was verder beangst, dat door de invoering der nieuwe organisatie tweespalt zou ontstaan en „slapende driften" zouden worden gewekt, waardoor de bedehuizen ledig zouden komen te staan.
Waar ieder zweeg, heeft de Classis van Amsterdam dan toch gesproken, maar haar bescheiden optreden werd in zijn antwoord door Repelaer van Driel nog „aanmatigend" genoemd, en hij zeide het niet te begrijpen, „daar toch de geheele grondvorm en zelfs de oude namen behouden bleven en alles neerkwam op een meerdere concentratie".
Voortaan werd een Classicaal Bestuur benoemd en de Classicale Vergadering kreeg mindere bevoegdheden. De eenmaal zoo fiere eik was verkapt tot een afgeknotten tronk.
Al wil men niet uit het oog verliezen, dat bij 't eindigen der Fransche overheersching de Kerk zich in een droeven toestand bevond en al pleitte de Koning dan ook gebiedende noodzakelijkheid en algemeen belang, velen, vroeger en thans, achten de daad des Konings een onrecht en een voortdurende belemmering voor de ontplooiing van een gezond en vruchtbaar kerkelijk leven, ja een inbreuk op het recht der Kerk en des Heeren heerschappij over haar. Gelukkig heeft het verder niet aan zegening ontbroken. Gelijk de zuidenwind de takken vol bloesems toovert, zoo heeft Gods Geest daarna rijken geestelijken zegen gebracht. Een lijvig kwartijn zou te vullen zijn.

De kerkelijke goederen.
Mr. H. de Bie, schrijver van het boekje „Algem. Reglement op het Beheer, enz.", (3de druk), staat op het standpunt, blijkens de breede historische inleiding in dat boekje, dat de kerkegoederen zelfstandige stichtingen of fundaties zijn. De kerkegoederen hooren niet aan de Kerk, aan de gemeente, aan den kerkeraad — maar zijn zelfstandige stichtingen. Ze waren wel bestemd voor de gemeente, voor de Kerk, enz. Maar de bestemming maakt nog niet, dat ze ook eigendom van de Kerk, van de gemeente waren. De goederen zijn gesticht of gefundeerd (vandaar 't woord „fundaties") ten behoevevan het kerkgebouw, de pastorie, de kosterie enz. Ze werden bestemd, zooals het gewoonlijk uitgedrukt wordt, „ad pios usu'S" (tot vroom gebruik, voor een vroom doel, voor de Kerk en de heilige zaajk). De parochie, de plaatselijke gemeente had niet het eigendomsrecht. Maar omdat de kerkegoederen bestemd waren „ad pios usus", tot vroom gebruik en voor een heilig doel, had de plaatselijke gemeente wel den plicht om voor en over die kerkegoederen — niet haar eigendom zijnde, maar wel voor haar bestemd — te zorgen.
Wel de verzorgingsplicht, niet het eigendomsrecht dus. De kerkegoederen waren fundaties of stichtingen, die zelf eigendomsrecht hadden en hielden; ze waren van zichzelf. De kerkelijke goederen (pastorie-, kosteriegoederen, enz.) waren eigen vermogenscomplexen. De stichtingen of fundaties (onderwerpen) hadden hun eigen goederen tot bezit (voorwerpen). Niemand anders had eigendomsrecht.
Maar — zoo redeneert mr. de Bie — deze stichtingen behoefden personen, om hare rechten uit te oefenen. Deze fundaties, die van eigen rechte waren, hadden verzorgers, bestuurders noodig, om hare belangen te behartigen; kortom haar te beheeren en er voor te zorgen dat ze tot vroom gebruik, tot het heilig doel, benut werden, en zoo beantwoordden aan 't doel, waarvoor zij waren gesticht, dat zij in zichzelf bezaten.
Waar het de kerkelijke goederen in engeren zin betrof — de z.g.n. „Kerk-fabriek" — daar geschiedde de verzorging door „Kerkmeesters", onder toezicht van de parochie of ook wel andere autoriteiten.
De kerkeraad alszoodanig stond er buiten, 't Geschiedde steeds onder toezicht van de Overheid als „Opperkerkmeester". Na de Hervorming vormden de Staten „geestelijke kantoren". Daar werden de geestelijke goederen vereenigd en de verschillende stichtingen als 't ware tot één Stichting gemaakt.
't Was geen „onteigening", maar bedoelde slechts vereeniging. De goederen bleven van eigen-rechte, maar de verzorging werd geconcentreerd. De kerkmeesters bleven los van den kerkeraad — beheer gescheiden van bestuur — en stonden alleen onder toezicht van de wereldlijke Overheid, die zich „Opperkerkmeester" beschouwde. De kerkeraad en de gemeente zelve stond en bleef er dus buiten.
Na de Revolutie — met hare verwarring — is 1816 gekomen. De Synodale Organisatie ging over het bestuur der Kerk. Het beheer bleef wat 't was. De kerkegoederen bleven eigen stichting, met eigendomsrecht voor de kerkegoederen zelve; 't eigendomsrecht kwam niet aan de Kerk, niet aan de gemeente, niet aan den kerkeraad dus. 
Tot 1869 bleef het Staatsoppertoezicht over het beheer van de kerkegoederen, die van eigen-rechte waren; toen trok de Staat zijn handen van het beheer dezer goederen terug. De verzorgers van die goederen riepen toen een nieuwe organisatie in 't leven en bij die sinds 1869 bestaande nieuwe organisatie van het beheer (zooals die thans in hoofdzaak nog bestaat) sloten zich ongeveer 800 Hervormde gemeenten aan. 
Volgens rechterlijke uitspraken is die Organisatie van het Algemeen College van Toezicht geldig en een aansluiting is wettig, zoodra de meerderjarige manslidmaten bij meerderheid van stemmen zich hier vóór hebben verklaard. Een gemeente, die eenmaal tot de Organisatie van het Algemeen College van Toezicht is toegetreden, kan dezen band niet verbreken, omdat men in die Organisatie gezamenlijke verplichtingen op zich genomen heeft, die wel samen, maar niet eenzijdig verbroken kunnen worden. Geen gemeente, die zich aangesloten heeft, kan zich dus aan het „toezicht" onttrekken. 
Tot zoover de redeneering van dr. H. de Bie.
Wij gelooven gaarne, dat al deze dingen waar zijn. De juristen weten het wel en de geschiedenis, de feiten, spreken natuurlijk voor zichzelf. (Hoewel ook onder juristen wel eens „verschil van meening" wordt gevonden). Het kerkegoed is dus „stichting". Niet de gemeente, de Kerk, is eigenares. De „stichting" hoort aan zichzelf.
Maar — hoewel we geen juristen zijn — we zouden hier willen vragen: kan men onder de huidige omstandigheden, waar de bestemming van de kerkegoederen „tot vroom gebruik en tot een heilig doel" is (ad pios usus) en de beheerders van het kerkegoed dit als „kerkmeesters" of „kerkvoogden" enz. voor het bepaalde doel verzorgen, nu niet zoo'n regeling treffen, dat ook feitelijk het geval wordt, wat eigenlijk al feit is, n.l. dat het kerkegoed aan de gemeente, aan de Kerk, komt in eigendom, terwijl dan de gemeente dat kerkegoed als haar eigendom bezit en beheert?
Dezelfde menschen die het kiescollege kiezen — bestuur — kiezen bijna overal, óók de notabelen; en de notabelen kiezen de kerkvoogden.
Als de kerkegoederen aan de gemeente, aan de Kerk, konden komen, dan zou de kerkeraad, die ambtshalve, naar uitwijzen van Gods Woord en naar de beginselen van het oud-Vaderlandsch Gereformeerd Kerkrecht de gemeenten besturen en vertegenwoordigen, ook maatregelen kunnen treffen dat een Commissie van Beheer, namens de gemeente, de kerkegoederen bestuurt en beheert en verzorgt.
Nu is men toch al aan 't scharrelen in deze. Want het kerkegoed is ,,stichting" en is eigenaar van zichzelf; heeft zelf het eigendomsrecht van het goed.
Maar wie bepaalt nu de wijze, waarop het kerkegoed, — dat toch moeilijk zonder menschenhulp zichzelf beheeren kan! — zal worden verzorgd? Doen dat tenslotte niet de stemgerechtigde leden der gemeente?
En waar het niet de stemgerechtigde leden doen, heerschen de onmogelijkste toestanden ten opzichte van „kerkegoederen", die bestemd zijn „ad pios usus", tot een vroom gebruik en heilig doel! Wat is er al niet wonderlijk omgesprongen met het „kerkegoed"!
We moeten een regeling krijgen, die het zuiver kerkelijk karakter van de „stichting" of „fundatie" onaangetast laat en die het kerkegoed brengt waar het toch in wezen hoort en naar aard en bestemming voor aangewezen is: n.l. aan de gemeente zelve. Het goed, voor de Kerk bestemd, kome aan de Kerk in eigendom! Er moet immers toch een lichaam zijn, dat 't kerkegoed verzorgt en dat uitmaakt wat „ad pios usus" is; tot welk „vroom gebruik" de kerkegoederen moeten worden aangewend; voor welk „heilig doel" ze moeten worden bestemd.
Zoo'n lichaam is uit den aard der zaak onmisbaar. Gewoonlijk de kerkmeesters of kerkvoogden. Maar het eenige lichaam, dat officieel zal kunnen beslissen, zal toch zeker een kerkelijk lichaam zijn, waarachter de leden der gemeente staan en waarin de leden der gemeente zijn vertegenwoordigd? Bij welke handeling de kerkeraad als zoodanig een van de eerst aangewezenen is. 
Nu zit in het Algemeen College van Toezicht trouwens reeds ambtshalve een lid der Synode. In de Provinciale Colleges van Toezicht zitten reeds ambtshalve leden van het Provinciaal Kerkbestuur. In de Kerkvoogdijen hier en daar zit reeds ambtshalve de predikant als mede-kerkvoogd of als adviseur. Dat de kerkegoederen en het beheer van die kerkegoederen, los van de Kerk, los van den kerkeraad, los van het bestuur staan kan in principe nooit aanbevelenswaardig zijn. En de theoretische, juridische kwestie van „eigendom", hetwelk dan aan de „stichting" zelve en niet aan de gemeente zou toekomen, lijkt ons als practische aangelegenheid reeds opgelost, nu door allerlei wijzigingen in het kerkegoed sinds de vorige eeuwen, de gemeente in feite eigenares en bestuurster der goederen is. Voor haar, tot vroom gebruik, is het onder verschillende vormen ook eigenlijk gegeven; voor haar is het bestemd en voor niets anders.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 mei 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE    RONDSCH0UW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 mei 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's