Eerste Geref. Zendingsmiddag in het Gooi.
Begunstigd door prachtig lenteweer, had op Hemelvaartsdag een Zendingsmiddag plaats ten bate van den Gereformeerden Zendingsbond, in het Spanderswoud te Hilversum. Deze was georganiseerd door verschillende hulpvereenigingen uit het Gooi, onder leiding van de H.V. te Hilversum. Buiten verwachting was er een groote schare bijeengekomen. Om 2 uur opende ds. W.J. van Lokhorst van Hilversum, de samenkomst en liet zingen Psalm 36 vers 2, waarna hij voorging in gebed. Naar aanleiding van het voorgelezen Schriftgedeelte, n.l. Psalm 110, hield spreker een openingsrede. Spreker wees er op dat de Hemelvaartsdag bij uitstek geschikt was voor het houden van een Zendingsmiddag. Op dezen dag worden wij bepaald bij de Hemelvaart. In den hemel werkt Christus dóór als Priester-Koning over Zijn volk. Psalm 110 zegt daarom ook: „DeHeere heeft tot mijnen Heere gezegd: Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uwe vijanden gezet zal hebben tot een voetbank uwer voeten". De Heere wil een gewillig volk hebben op den dag Zijner heirkracht. Nu is de dag Zijner heirkracht aangebroken, maar nu komt het er op aan of er een gewillig volk is. Wij zijn onwillig van nature. Wij willen niet, dat Hij Koning over ons zijn zal. Toch is er een gewillig volk, maar deze gewilligheid ligt in Hem. Het gaat dan niet om ons, maar om Christus' Koninkrijk. Dat volk kent een eeuwige jeugd door de bediening van dien eeuwigen Priester-Koning. Ze worden vergeleken bij dauw druppen. Als de zon opgaat, komt de schoonheid van die dauwdruppen openbaar. In ziehzelven hebben ze geen schoonheid, maar alleen in de Zonne der Gerechtigheid is hun schoonheid gelegen. Spreker wenschte van harte, dat God het geven mocht dat er op dezen dag nog dauwdruppen geboren werden. Dan zal de Zendingsliefde verdiept worden. Dan wordt onze afhankelijkheid grooter, alleen gedragen door dit beginsel: „Niet ons, niet ons o, Heere, maar Uw grooten Naam zij de eere!" Hierna werd gezongen Psalm 145 vers 2.
Als tweede spreker tfad op ds. J.Ch.W. Kruishoop van Soest met het onderwerp: „Uit éénen bloede", nadat er vooraf gezongen was Psalm 67 vers 1. Ook deze spreker bracht den Hemelvaartsdag in verband met de Zending. Bij de hemelvaart van Christus valt alle tijd en afstand weg, eveneens is dat bij de Zending het geval. Alle menschen behooren tot één geslacht; zijn gesproten uit éénen bloede, namelijk Adam. In wezen is er geen verschil tusschen heidenen en ons. Spreker vergelijkt Adam, en met hem het ganche menschelijk geslacht, met een gekortwiekten vogel. Vruchteloos is zijn arbeid alle eeuwen door. Er is een hongeren en dorsten, maar niet naar de gerechtigheid. Allen hebben een godsdienst, maar het is naakte armoede. Laten wij niet meenen dat daar in de heidenwereld een zweem van geluk te vinden is. Een eigengemaakte godsdienst delft haar eigen graf. Treedt hun heiligdommen binnen. Het altaar wijst op het Oud-Testamentische offer, liefst bestaande uit menschenbloed. Men meent daarmede de macht van de booze geesten te verbannen. Spreker keert terug naar Paulus op den Areopagus. Twee gedachten komen daar in Paulus' prediking naar voren: uit éénen bloede — verloren, dóór éénen bloede — gered door Jezus Christus. Evenals men Paulus niet liet uitspreken, zoo gaat 't onzen zendelingen ook. Doch de Zending wil geen bekeerlingen maken, maar het evangelie prediken. God Zelf zal er zorg voor dragen wie er door de poorten der eeuwigheid zullen binnengaan. Zending is niet alleen de taak der zendelingen, maar ook de taak van degenen, die achter hen staan. Noodig is bij ons het besef, dat wij óók uit dat bloed van Adam zijn gesproten, dat wij door eigen schuld verloren gaan. Dan eerst zullen wij inzien, dat de gansche wereld voor God verdoemelijk ligt en dan wordt er eerst gebed geboren. Als er zulk een biddend volk achter de zending staat dan zal ze zeker vrucht dragen. Spreker liet zingen Psalm 95 vers 2.
Nadat vooraf gezongen was Psalm 105 vers 1 trad ds. G.A. Pott van Bodegraven op met het onderwerp:
„De zegen der Zending".
In het rijk der natuur is er een wet van het behoud van arbeidsvermogen. Er gaat niets verloren. Ook op geestelijk gebied gaat geen wezenlijk werk te niet. Dat is troostrijk vooral op het gebied der Zending." Het is troostvol te weten dat God er voor zorgt. De zegen der Zending ligt in de eerste plaats daarin, dat wij het ideaal, dat God er in gelegd heeft, recht voor oogen hebben. Wat geeft God voor idealen aan Zijn volk? De wereld voor den Christus Gods. De wereld is des Heeren gebied met alle natiën en tongen. Dat wij met de bede: „Uw wil geschiede" onzen eigen wil moeten verzaken en Gods wil gehoorzaam zijn. 't Geldt van ons, dat wij een brandenden ijver moeten hebben voor den Christus. „Wendt u naar mij toe, alle gij einden der aarde en wordt behouden", dat kan echter niet van allen gezegd worden, doch alle volken moeten schooven aandragen voor Gods schuren. Als wij waarlijk leven, gebonden aan de belofte, dat alles tenslotte voor God zal zijn, dan worden we aan den arbeid gezet. Wij moeten niet denken: „Als wij het maar hebben", maar de kring moet zoo ruim mogelijk getrokken worden. De Zending houdt de liefde levend. Liefde is altijd op verovering uit en dat komt vooral uit op het gebied der Zending. Wat een verwording van godsdienst tot een gedrocht van een afgod! Heele stammen worden vernietigd door een zedelijke verlaging. De liefde van Christus dringt ons, om ook hen deelgenoot te maken van dat heil, dat wij zelf verkregen hebben. Die liefde Gods zet aan den arbeid. De Vader en de Zoon werken tot nu toe, maar Zijn volk moet het niet minder doen. Het nieuwe leven zoekt zichzelf niet. Die liefde zal menigmaal stuiten op tegenstand, maar toch zal die liefde niet gedoofd kunnen worden, wanneer God ze werkt. Wij mogen niet zeggen: „Wat nut het?" want we strijden voor een zaak, die ten deele gewonnen is. Christus maakt ook den Hemelvaartsdag vol beloften voor de Zending. Die beloften vinden hun hoogtepunt daarin, dat Hij terugkomt en dat kunnen wij weten; als den heidenen het Evangelie gebracht is, dan zal het einde zijn. Op de verwachting des Heeren houdt ook de Zending het oog gericht. „Waakt dan, want gij weet den dag niet, noch de ure, waarin de Zoon des menschen komen zal!" Tot slot werd gezongen Psalm 89 vers 7, waarna spreker de pauze aankondigde, welke vooral benut moest worden door zich op te geven als lid van den G.Z.B.
Na de pauze werd gezongen Psalm 67 vers 2, waarop ds. C.B. Holland van Rotterdam sprak over twee kleine woordjes
„Te gering".
Spreker schetste, hoe de heidenen bij Israël te gering geacht werden, om deelgenooten te worden aan het Koninkrijk Gods. Doch Christus heeft ze niet te gering geacht. De Heere zendt Zijn Zoon wel voor Israël, maar nog veel meer dan voor Israël heeft Hij Zijn Zaligmaker weggegeven voor de heidenen. De Heere heeft ook de heidenen in Zijn eeuwige genade bedacht. Ook voor hen is het heil des Heeren. Dat Heil is belichaamd in den Christus. Er leeft een heidensche, slaafsche geest onder de Toradja's maar ook in de beschaafde Christelijke wereld, ook in ons eigen vaderland, o.a. het materialisme. Theosophische, pantheïstische stroomingen, die er op uit zijn, de harten der jongeren in beslag te nemen. Ziekelijke stroomingen, gevoelsleven buiten den Christus om. Men moet zich juist in den Christus verliezen. Laat een arme zondaarsziel daarin onderduiken, zoo zal hij smaken het goede van Gods woning. Christus is ook een Licht der heidenen. Dat is iets ongehoords voor de Joden. Een heiden mocht niet in den voorhof van den tempel komen, hij mocht zich niet onder het volk des Heeren tellen. Israël achtte de heidenen te gering, maar God niet. Dat die belofte ook nog vat op ons moge hebben. Dat de Heere deze samenkomst nog zoo moge zegenen, dat er nog eens één ziel mocht zien en ervaren, dat die heiden ook in hemzelf leeft. Spreker het zingen Psalm 146 vers 4.
Na een korte pauze trad ds. W.L. Mulder van Voorthuizen op en liet zingen Psalm 86: 5. Daarna sprak hij over:
„Een banier tegen het heidendom".
Spreker verklaarde dit onderwerp naar aanleiding van Jesaja 59 waar de profeet zegt: „Dan zal de Geest des Heeren een banier oprichten tegen den vijand". Er zijn verschillende vijanden, waartegen de mensch zoo machteloos staat. De grootste vijand is de satan, die zich op allerlei manier vertoont. Jezus noemt hem: „de overste der wereld". De wereld tooit zich en lokt met het kleed van den wellust en de vroomheid. Wij zijn door haar gevangen, voordat wij het weten. De derde vijand is „het eigen Ik". Dat „Ik" kan nooit te gruwelijk uitgeteekend worden. Het is zoo koud, ongeloovig en vijandig tegen God. Omdat ons „Ik" en „de wereld" zoo sterk zijn, daarom heeft de vorst der duisternis zooveel macht over ons. Na de verzoeking in de woestijn, lezen we, dat de duivel van Christus week, voor een tijd. Het wijken van satan ligt in het raadsbesluit des Heeren. Er zijn tijden, dat God het toelaat, die tijden kent ieder van Gods volk. Wanneer ze dan uit moeten roepen: „Nu is het een afgesneden zaak met ons!" dan komt God over. God handelt naar Zijn trouw, welke grooter is dan onze ontrouw. De zonde was zoo groot, dat God zelf zonde moest worden voor Zijn volk. Waar de Geest des Heeren werkt, daar werkt Hij door; dan moeten wij er aan, dan moeten onze afgoden er aan. Wij verzetten ons tegen dien Heiligen Geest, maar als Hij komt, dan wordt alles uit onze handen geslagen. Dan moeten we uitroepen: „Heere, wij vergaan!" Christus richt een banier op vóór Zijn volk, tegen Zijne vijanden. Dat de liefde van Christus ons dringe, om de banier vooruit te dragen, óók in het gebed voor de Zending. Dan gaat het er niet om „als ik het maar heb", maar dan maakt de liefde Gods mededeelzaam. Nu komt de eenheid van de Kerk van Christus nog weinig uit, maar de tijd komt, dat allen, ook de heidenen, samen zullen zingen het loflied voor het Lam: „Gij hebt ons Gode gekocht door Uw bloed." Hierna werd gezongen Psalm 22 vers 14.
Als laatste spreker hield ds. H.A. de Geus van Huizen een
Slotrede.
Alvorens hij begon liet hij zingen Psalm 138 vers 1. Spreker zegt dank aan allen, die er toe medegewerkt hebben, om dezen Zendingsmiddag wel te doen slagen. Bovenal hebben we reden, om God den dank te brengen. Deze landdag smaakt naar meer! Mij is verzocht, het laatste woord te spreken, doch het laatste woord is aan God. Job zegt: „Hij zal als de laatste over het stof opstaan". God zal ook als laatste over onzen Zendingsmiddag opstaan. Dan zal God zeggen: „Wat hebt gij met Mijn Woord gedaan?" Jezus zegt: „Indien gij deze dingen weet, zalig als gij ze ook doet". De groote vraag is: „Wie zijt gij voor het aangezicht des Heeren?" „Het is den mensch gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel". Alsdan zal de Koning zeggen tot de schapen: „Komt in, gij gezegenden Mijns Vaders, want Ik ben krank geweest en gij hebt Mij bezocht. Ik was in de gevangenis en gij zijt tot Mij gekomen". Ziedaar! een bijzondere aanwijzing op de Zending. Zijn de heidenen niet doodelijk krank en in de gevangenis? „Want al wat gij aan Mijn minste broederen gedaan hebt, hebt gij aan Mij gedaan", zegt Christus. Wij hebben hier dus wel onze roeping ten opzichte van de Zending te verstaan, want er is ook een ander laatste woord, namelijk: „Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, want Ik ben krank geweest en gij hebt Mij niet bezocht, enz." Ook dit geldt voor dezen Zendingsmiddag. Wij kunnen zelf den thermometer bij ons aanleggen of er liefde is voor de verre heidenen. Denkt aan 't laatste woord. Hij sluit en niemand opent. Hij opent en niemand sluit. Hiermede sloot spreker den goed bezochten Zendingsmiddag en liet vervolgens zingen Psalm 79 vers 7 en ging voor in dankgebed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's