KERKELIJKE RONDSCHOUW
De zaak-Bähler herdacht.
De N.R.Crt brengt in herinnering, dat het juist 25 jaar geleden is, dat de Kerkeraad van Amsterdam de aandacht van de Synode vestigde op den predikant dr. Louis Bähler, Nederl. Herv. pred. te Oosterwolde (Fr.), Classis Heerenveen. Het is misschien niet ondienstig van die zaak, die ook nog wel in verband staat met de oprichting van onzen Gereformeerden Bond, een en ander even wat op te halen. Dr. Louis Bahler had een vlugschrift uit het Duitsch vertaald en doen verspreiden onder den titel: „Het „Christelijk" barbarendom in Europa", en op den omslag van dit boekje prijkte het opschrift: Boeddhistische Zending. Vooral de voorrede wekte ergernis, omdat blijkbaar aan het Boeddhisme de voorrang werd toegekend boven het Christendom; en omdat werd gezegd, dat de Christelijke volken van het Westen inplaats van het Christendom in het Oosten te verbreiden, veeleer zelven tot het licht van het Boeddhisme, dat uit het Oosten daagt, moeten worden bekeerd.
Zeventig Kerkeraden, steunden den Amsterdamschen Kerkeraad, om deze zaak bij de Synode aanhangig te maken.
Toen dit verzoek in de Synode in behandeling kwam, had inmiddels het Classicaal Bestuur van Heerenveen, waaronder Oosterwolde, de standplaats van dr. Bahler, ressorteerde, op aansporing van het Provinciaal Kerkbestuur van Friesland de zaak reeds ter tafel genomen, en de Synode kon het zich derhalve gemakkelijk maken met een „motie van orde" aan te nemen, waarin zij verklaarde „geen uitspraak te kunnen doen in een zaak, die later aan haar oordeel zou kunnen worden onderworpen, zoolang het betrokken Classicaal Bestuur in dezen werkzaam was".
Het Classicaal Bestuur van Heerenveen, dat ook in een paar vroegere geschriften van dr. Louis Bahler allerlei had aangetroffen, dat ergernis verwekt had vanwege beleedigende woorden aan het adres van het Christendom, vond nu in het bovengenoemd geschrift aanleiding om den schrijver ter verantwoording te roepen. Men oordeelde, dat dr. Bähler in strijd had gehandeld met de beloften bij zijn belijdenis en bij de toelating tot de Evangeliebediening afgelegd.
Het noodigde dr. Bahler uit om, onder terugneming van wat zoo terecht groote ergernis verwekt heeft in de Vaderlandsche Kerk, vóór 1 November a.s. aan het Classicaal Bestuur een betuiging van schuldbelijdenis te doen toekomen.
Toen dr. Bähler antwoordde, zich niet bewust te zijn iets te hebben geschreven, dat in strijd zou zijn met de afgelegde belofte en zelfs verklaarde die plechtige beloften thans met meer warmte te kunnen herhalen dan waarmee hij ze destijds had afgelegd, verzocht het Classicaal Bestuur nadere toelichting en toen deze toelichting het bestuur niet afdoende voorkwam, stelde het hem een viertal vragen, welke hij „kortelijk" en „zonder (zich) in bespiegelingen te begeven" vóór 31 December 1904 had te beantwoorden. Eén van deze vragen luidde, of dr. Bahler bereid was openlijk schuld te belijden.
Hierop antwoordde dr. Bahler o. a.: „Waar schuldgevoel gebleken is, daar pas mag een eisch tot schuldbelijdenis gesteld worden. Na een schuldloochenend getuigenis van het geweten mag zulk een eisch, die zonder blijk van schuldgevoel redelijkerwijze reeds niet gesteld mocht worden, in geen geval meer worden gehandhaafd, als zijnde dan een onzedelijke eisch geworden. Wie na een schuldloochenend getuigenis van zijn geweten toch schuldbelijdenis deed, zou een eveneens immoreele daad verrichten".
Dr. Bähler fantaseerde dus wat over „de beloften", indertijd door hem afgelegd en kwam met zijn „schuldloochenend getuigenis van het geweten". Filosofisch-individualistisch optreden dus in de Kerk, en men schoot in de kerkelijke aangelegenheid zoo niet op; zooals dat meer bij dergelijke kwesties voorkomt
Maar toen heeft dr. Bähler, die lont begon te ruiken, een brochure geschreven, waarin hij kwam met de verklaring, dat hij het — — —niet zóó bedoeld had, als men het blijkbaar had aangevoeld! Hij had het Boeddhisme niet boven het Christendom willen stellen — — —.
Die brochure droeg tot titel: „Oordeelt mede!" Daarin zei dr. Bahler, dat men de strekking van zijn geschrift „Het Chris telijk barbarendom enz." had misverstaan. Dit beoogde alleen, om „het Boeddhisme bij het Westersche Christendom onpartijdiger bekend te maken dan pleegt te geschieden en tevens „de waanwijze en eigenwijze Westerlingen eens wat te vernederen en te laten vernederen terwille van hunne zedelijke en geestelijke gezondheid". „Mijne bedoeling is" — aldus schreef hij aan het Classicaal Bestuur van Heerenveen — „natuurlijk niet geweest dat ons volk het Boeddhisme zal gaan omhelzen, maar wèl, dat ons volk een beter Christendom zal gaan vertoonen".
Daarmee had de zaak dus eigenlijk een keer genomen. Natuurlijk! Want dr. Bahler zei nu, dat hij het Boeddhisme niet boven het Christendom stelde en dat het Christendom in Europa nog wel wat leeren kan van het Boeddhisme. Men moest komen tot „een beter Christendom". Door die zwenking van dr. Bähler was dus formeel de zaak van de baan. Het Classicaal Bestuur van Heerenveen had dat moeten constateeren en publiceeren; en daarmee uit. Dr. Bahler had bakzeil gehaald. Men had hem verkeerd begrepen.
Maar het Classicaal Bestuur van Heerenveen liet het er niet bij zitten — wat psychologisch heel goed te verklaren is bij al dat vorig geschetter en nu dat onwaarachtig gedoe van dr. Bähler — en droeg hem voor aan het Provinciaal Kerkbestuur van Friesland tot ontzetting uit zijn ambt Dr. Bähler werd toen door dat Kerkbestuur verzocht zijn uitspraken te herroepen, waartoe hij, op bovengenoemde filosofische gronden, niet bereid was. Hij praatte er omheen. Hij zei, dat hij niet bedoeld had het Boeddhisme boven het Christendom te stellen, enz.
Het Provinciaal Kerkbestuur heeft hem toen provisioneel of voorloopig geschorst Dr. Bähler ging natuurlijk in hooger beroep bij de Synode; deze droeg aan een synodus contracta, door 't lot verkleinde Synode, de uitspraak op en de synodus contracta vernietigde, met hulp van de modernen in de Synode, het vonnis van het Provinciaal Kerkbestuur en sprak den beschuldigde, die telkens retireerde, vrij.
Formeel was 't daarmee uit.
Wel brachten een zevental Synodeleden, na de eindbeslissing, een bezwaar in de Synode ter tafel, maar de Synode — de dappere! — weigerde natuurlijk dit gravamen toe te laten.
Formeel was 't hiermee uit Maar in werkelijkheid was het niet uit. Een dergelijk onwaarachtig optreden van een vrijzinnig man, die iets schreef en wilde propageeren, maar waarvan hij tegelijk zei, dat hij 't niet zoo bedoelde, moest meer nog dan te voren doen gevoelen over de heele breedte van de orthodoxie, dat het zóó toch in de Kerk van Christus niet gaan mag.
En sinds zijn zulke uit-den-band-springende dingen als van dr. Bähler, met z'n Boeddhistische sympathieën, niet meer voorgekomen. Sinds is het duidelijker geworden, dat de modernistische vrijzinnigen niet rond en eerlijk voor hun anti-christelijke en anti-gereformeerd protestantsche gevoelens durven uitkomen, alles bedekkend met hun filosofische redeneevingen. En dat heeft ergernis verwekt en dat heeft ook tegen-actie in 't leven geroepen, méér dan te voren, zoodat sinds de kracht van de orthodoxie meer is geconcentreerd en 't kerkelijk vraagstuk aller aandacht heeft
Ook in 1904 in de zaak dr. Bähler is de dubbelhartige positie ingenomen: iets te beloven, n.l. „het Evangelie van Jezus Christus te prediken naar Gods Heilig Woord" (proponentsbelofte en onderteekende beroepsbrief), terwijl men principieel iets anders, iets gehéél anders bedoelt en voorstaat. Brutaal zegt men van vrijzinnige zijde: „leg ons maar voor wat gij wilt, wij onderteekenen alles" — om dan zonder blikken of blozen in de Christus-belijdende Hervormde Kerk gansch iets anders te prediken en te onderwijzen.
Daarom moeten we ons méér dan te voren concentreeren op dit eene, dat de Hervormde Kerk als Kerk belijdt den Christus, den historischen Jezus van Nazareth, den Christus der Schriften, gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Die belijdenis heeft onze Hervormde Kerk en daar wil onze Hervormde Kerk ook bij blijven; alleen moet het meer doordringen bij de vrijzinnigen, dat zij dan geen recht hebben, om staande onder beloften inzake dat Evangelie, dat naar Gods Heilig Woord is, een ander Evangelie, dat tenslotte geen waarachtig Evangelie is, te prediken. Hier kruipen ze, tegen beter weten in, telkens door de mazen heen. Dat is 't immoreele. En hier moet de aandacht aan geschonken worden door al de Christusbelijders.
Christendom en Boeddhisme.
Die als belijdend lidmaat tot de Ned. Hervormde Kerk toetreedt, in welke gemeente ook als zoodanig „aangenomen" en „bevestigd", staat op den bodem van het positieve Christendom. Bij de toetreding wordt dat expresselijk uitgesproken door bevestigend te antwoorden op de drie bekende vragen van artikel 39 Reglement op het Godsdienstonderwijs.
Die vragen zijn: 1. belijdt gij te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus, Zijnen Eeniggeboren Zoon, onzen Heere, en in den Heiligen Geest? 2. Zijt gij des zins en willens bij deze belijdenis door Gods genade te volharden, enz. 3. Belooft gij, tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Ned. Hervormde Kerk in het bijzonder, met opvolging van hare verordeningen, naar uw vermogen volijverig mede te werken? Op die drie vragen aangaande de belijdenis van den drieëenigen God moet ieder, althans wat betreft den geest en de hoofdzaak van de daarin vervatte belijdenis, bevestigend antwoorden.
Een drieëenig God: Vader, Zoon en H. Geest; de schepping; Jezus Christus Gods eeniggeboren Zoon; de Heilige Geest — dat alles moet geloofd worden met het hart en beleden met den mond. (Artikel 1 Ned. Gel. bel.).
Die hierin principieel verschilt en die hierin, wat de fundamenteele waarheden betreft, afwijkt, kan niet als belijdend lid tot de Ned. Hervormde Kerk toetreden. In de drie belijdenisvragen zit een positieve belijdenis, waarmee de Apostolische Geloofsbelijdenis, de Heid. Catechismus, de formulieren van Doop en Avondmaal, het kerkelijk lied enz. enz. overeenstemt. In die belijdenis der Hervormde Kerk moet men zich dus wat geest en hoofdzaak betreft, thuis voelen.
En nu moet de Vrijzinnige modernist niet zeggen: ja, juist! „in geest en hoofdzaak" en dus nu mogen wij den drieëenigen God loochenen en daar iets anders voor in de plaats zetten, waardoor de belijdenis van een drieëenig God in gereformeerd protestantschen zin, zooals de Apostolische geloofsbelijdenis, de Heid. Catechismus, het Doop- en Avondmaalformulier, het kerkelijk lied in geest en hoofdzaak weggewerkt wordt. Want die zóó spreekt, ook al hult hij zich in een wolk van filosofische redeneeringen, moet in het midden der Ned. Hervormde Kerk als oneerlijk worden gesignaleerd. En wie de belijdenis aangaande Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, den Christus der Schriften en der belijdenis, in geest en hoofdzaak, in aard en wezen verandert en vierkant gaat staan tegenover de belijdenis der Kerk in deze, doet iets dat niet toelaatbaar is in de Ned. Hervormde Kerk.
Vanaf 1816 tot 1929 is officieel nooit anders in het midden der Ned. Hervormde Kerk verklaard, getuigd, bevestigd en verzekerd, dan dat „de aangenomen Formulieren van Eenigheid de kenmerkende leerstukken der Hervormde Kerk bevatten; en zoo zijn dan ook die Formulieren als zoodanig, wel verre van buiten kracht en waarde te zijn gesteld, bij de nieuwe Kerkeorde in 1816 in derzelver eigen karakter aangenomen en gehandhaafd". (Synodaal Rapport Dermout, 1841).
De Synode van 1861 heeft (31 Juli 1861) in eene „Inlichting omtrent de beteekenis der vraag naar onberispelijkheid in de belijdenis" over de leer gesproken „welke begrepen is in de belijdenisschriften onzer Nederlandsche Hervormde Kerk, die rechtens nooit zijn afgeschaft". En de Synode van 1874 sluit zich bij die beschouwing (in het Rapport van prof. dr. F. W. B. Bell) aan, zeggende: „aan die woorden „de leer der Hervormde Kerk" in art. 11, kan en mag geen andere zin gehecht worden dan in de genoemde". „En aan het woord „handhaving" van die leer kan en mag geen andere beteekenis worden gegeven dan deze, dat allen die in onderscheidene betrekkingen met het Kerkelijk Bestuur belast zijn, die leer der Hervormde Kerk — en dat wel zooals zij luidt in haar geheel — moeten handhaven, zoowel door zelven die leer van harte te belijden en aan te bevelen, als door te waken, dat die leer gekend en beleden wordt door allen, die aan hun bestuur onderworpen zijn". (Handelingen der Synode 1874, blz. 140 enz.).
En niemand minder dan prof. dr. J.H. Scholten zegt: „Het was de bedoeling der Synode (1841) niet, om met de woorden aard en geest, wezen en hoofdzaak, de deur voor subjectieve willekeur te openen, zoodat het aan ieder zou vrij staan voor wezen en hoofdzaak te doen gelden, wat hem goed dacht — maar wel degelijk om hetgeen naar den geest en de beginselen der opstellers als het wezen en de hoofdzaak der Formulieren aangemerkt te worden" (Leer der Hervormde Kerk, blz. 39).
„Zóó ver is het er vandaan, alsof door het veranderd of gewijzigd Kerkbestuur in 1816 de Nederlandsche Hervormde Kerk van hare oude en vaste grondslagen losgerukt en daardoor in aard en wezen veranderd zou zijn" — zegt de heer Dermout, Secretaris der Synode in 1841, (blz. 132), waarnaast wij het woord van prof. A.M. Gooszen kunnen zetten: „De waarheid is ongetwijfeld deze, dat noch vóór noch in, noch na 1816 officieel de leervrijheid is ingevoerd; dat zeker in naam en naar de letter de Kerk confessioneel bleef in 1816" (Kerkel. Ct. 19 Juni 1914).
Herinneren we nu nog aan een uitspraak van de Synode van 1912, dan hebben we dus over héél de linie één zelfde getuigenis; want in de Handelingen der Synode van 1912, blz. 390, lezen we: „Uwe Commissie kan zich vereenigen met de bewering in de toelichting van den Gereformeerden Bond ter verbreiding en verdediging der Waarheid, dat noch in 1816 noch in latere jaren de Synode ooit heeft toegegeven, dat er geen kerkelijke leer of kerkelijke belijdenis zou bestaan en dat de hoofdwaarheden dier leer zouden mogen worden geloochend".
Schuift men dus, met allerlei filosofische redeneeringen in den trant van het rationalisme, allerlei onbijbelsche en onchristelijke leeringen in de plaats van de positief christelijke belijdenis van onze 12 geloofsartikelen, onzen Heid. Catechismus, onze liturgische formulieren enz., dan staat men oneerlijk tegenover zijn belofte, in de ure van de openbare belijdenis, zoowel bij de „aanneming" als bij de ,,bevestiging" in het midden van de Ned. Hervormde Kerk afgelegd.
Laat men niet „woordelijk" behoeven in te stemmen met dit alles, „zakelijk" zal men toch zeker, in den geest van de opstellers van de belijdenis, moeten gelooven en belijden; gaande in de lijn van Catechismus, enz. Daarbij komt dan voor predikanten de proponentsbelofte.
Daar verklaart ieder candidaat, die toegelaten wordt tot ,,de openbare Evangeliebediening in de Nederlandsche Hervormde Kerk, daarin met ijver en trouw te zullen werkzaam zijn om, overeenkomstig de beginselen en het karakter der Hervormde Kerk hier te lande (andere Kerken moeten zelf maar weten wat zij belijden en wat zij voor eischen stellen), het Evangelie van Jezus Christus te zullen verkondigen".
Elke proponent weet goed, dat hij staat in het midden van de Ned. Hervormde Kerk (niet in de Roomsche of Luthersche, noch in de Remonstrantsche of Doopsgezinde — maar in de Ned. Hervormde Kerk!) om naar het karakter en overeenkomstig de beginselen van die Hervormde Kerk het Evangelie van Jezus Christus (en dus geen ander Evangelie) te verkondigen.
En als dan de Beroepsbrie komt, dan staat daar: „.......... om door leer en voorbeeld, bestuur en opzicht, alles te doen wat een herder en leeraar, OVEREENKOMSTIG GODS HEILIG WOORD betaamt; inzonderheid door het verkondigen van het Evangelie en het bedienen van den H. Doop en van het H. Avondmaal .........."
Wie zóó dus in de Ned. Hervormde Kerk komt als belijdend lidmaat, en zóó candidaat tot den H. Dienst wordt en zóó een beroep aanneemt, die weet waarlijk dan toch wel dat hij in het midden van de belijdende Ned. Hervormde Kerk komt en dat daar geëischt wordt — en beloofd moet worden — zich in leer en leven, in prediking en onderwijs te voegen naar Gods Heilig Woord en te gaan en staan in gelooven en belijden naar den aard en den geest van de belijdenis, zoowel wat de bediening des Woords als de bediening der Sacramenten aangaat.
En dan wil men met filosofische redeneeringen gaan duidelijk maken, dat men als Hervormd predikant eigenlijk ook wel zoowat Boeddhist kan zijn! Laat ons iets van de 14 geloofsartikelen van 't Boeddhisme hier mogen noemen:
1. De Boeddhist moet alle menschen als broeders en alle leden van het dierenrijk met onveranderlijke goedheid behandelen.
2. Het heelal heeft zich ontwikkeld, is niet geschapen, en daarin heerscht de (immanente) wet, niet de willekeur van den een of anderen God.
3. De waarheden, waarop het Boeddhisme berust, zijn van natuurlijken aard. In opeenvolgende wereldperioden (Kalpa 's) zijn ze door verlichte wezens (Boeddha's) geleerd.
4. De vierde leeraar van de tegenwoordige wereldperiode (Kalpa) was Gautama Boeddha, die voor omstreeks 2500 jaren in een Indische koningsfamilie werd geboren.
5. De begeerte, door onwetendheid gewekt, is oorzaak voor de herhaalde geboorte (reïncarnatie). De onwetendheid moet gebluscht worden, dan wordt de begeerte gebluscht, dan ontkomt men ook aan de herhaalde geboorte en komt niet weer in het leven hier op aarde. De herhaalde geboorte is dan waardeloos. —
6. Onwetendheid bewerkt ook de bedriegelijke en onlogische voorstelling, als zou de mensch maar één enkele maal bestaan; ook de dwaze voorstelling, alsof na één leven een toestand van onveranderlijke vreugde of foltering volgt.
7. De verdrijving van die onzalige onwetendheid kan bereikt worden door de standvastige beoefening van eene alles omvattende naastenliefde, gaande over mensch en dier en bloem en alles; alsmede door vernietiging van de begeerte naar lage, persoonlijke genoegens.
8. Het begeeren is de oorzaak voor de herhaalde levens op aarde (reïncarnatie); houdt de begeerte op, in den weg der wijsheid, dan is het einde van den kringloop bereikt; en het individu gaat door meditatie over in een toestand van vrede, die Nirwana wordt genoemd.
9. Door kennis van de vier „edele waarheden" kan de onwetendheid verdreven en de smart overwonnen worden. Deze vier ,,edele waarheden" zijn: 1. kennis van de ellende van het bestaan; 2. kennis van de oorzaak van de ellende van het bestaan, zijnde de zelfzuchtige begeerte; 3. de vernietiging van die begeerte en het zich losmaken ervan; 4. het bewerken van het middel tot vernietiging van die begeerte (welk middel dan heet het achtdeelig pad, bestaande uit: het ware weten, het ware willen, het ware spreken, het ware doen, de ware levenswijze, de ware inspanning, de ware bepeinzing, de ware inkeer tot zich zelf).
10. De ware inkeer (meditatie) leidt tot geestelijke verlichting en stelt in staat een Boeddha te worden, welk vermogen in iederen mensch sluimert.
11. Het wezen van het Boeddhisme is dan: alle zonde na te laten, alle deugd na te jagen, het hart te reinigen. (Op Boeddhistische manier).
12. Het heelal is onderworpen aan een wet van oorzaak en gevolg, die als „Karma" bekend slaat. De toestanden van een vorig leven bepalen de omstandigheden van geluk of ramp in het tegenwoordig bestaan. Ieder werkt z'n eigen ellende en z'n eigen zaligheid.
13. Belemmeringen op den weg naar het geluk kunnen worden weggenomen als men zich voegt naar deze voorschriften der Boeddhistische moraal: 1. Dood niet. 2. Steel niet. 3. Geef u niet over aan verboden geslachtsgenot. 4. Lieg niet. 5. Gebruik geen alcohol, opium enz. en rook niet. Er zijn nog vijf andere voorschriften, die strenger zijn en als men die houdt, dan komt men sneller tot het hoogste geluk dan de middelmatigen die alleen de eerste vijf houden. Men behoeft dan ook minder dikwijls weer in 't leven terug te keeren (reïncarnatie).
14. Men moet zich voegen naar z'n redelijk inzicht en men moet niet bijgeloovig iets aannemen wat met z'n redelijk inzicht niet strookt.
Dat zijn de 14 geloofsartikelen, onderteekend door de hoofdvertegenwoordigers van het Boeddhisme, zooals dr. Louis Bähler ons die meedeelt en beschrijft in zijn keurig boekje: „Het Boeddhisme" (zonder jaartal uitgegeven als No. 5 van Het Nieuwe Boek. A.H. Kalis. Buitenpost, blz. 71—74).
Nu kan men natuurlijk heel veel eerbied hebben voor de dikke, papperig-weeke, stil-glimlachend peinzende Boeddha-figuur, die als popperig beeld staat op den omslag van het boek en vriendelijk u toefluistert: ,,gij zult geen levend wezen dooden, gij zult niet liegen, gij zult niet echtbreken, gij zult niet rooken, gij zult niet op een bed maar op een mat slapen, gij zult geen maaltijden gebruiken op verboden uren enz. enz." Gij kunt ook eerbied hebben voor honden en katten en ratten, voor koeien en andere dieren, om ze te verplegen als ze ziek zijn en ze nooit te slachten — want er zit een gereïncarneerde menschelijke geest in, gelijk Boeddha zelf vroeger een witte haas was en daarna een zwarte stier, toen een witte olifant en daarna Boeddha „de Verlichte". —
Alles mooi en braaf. Maar hoe iemand nu van zoo'n zuiver menschelijke godsdienstlooze godsdienst kan zeggen, dat deze in geest en hoofdzaak dezelfde is als de christelijke godsdienst en naar aard en wezen overeenstemmend met de belijdenis van de Hervormde Kerk, ja, in deugdelijkheid als Evangelie verre de voorkeur verdient, is ons absoluut onverklaarbaar. Men moet dan wel een zonderling filosofisch paganistisch warhoofd zijn. En het is volstrekt niet onredelijk, dat de Kerk in deze uitspreekt, dat dit alles ergernis geeft, een beleediging voor Jezus Christus onzen Zaligmaker is en diensvolgens in de Ned. Hervormde Kerk niet thuis hoort. Waarbij dan een filosofische reuzenzwaai van dr. Bähler alles weer op 't doode punt brengt, begunstigd door onze ongelukkige synodale besturenorganisatie, aan de Kerk wederrechtelijk en in strijd met haar aard en wezen opgelegd, met berooving van de wettige vergaderingen der Kerk.
De Kerk besnoeien en binden in haar belijden van de Schriftuurlijke waarheid en het leven naar haar belijdenis is natuurlijk de bedoeling indertijd geweest. Maar God heeft nu langer dan een eeuw de belijdenis voor de Kerk en in de Kerk bewaard. 't Gaat er nu maar om, dat al dat oneerlijk gedoe in 't licht treedt als ontoelaatbaar en dat de Kerk des Woords haar rechten en vrijheden weer terugkrijgt, om als Kerk van Christus te leven en zich in dezen lande te openbaren.
Het liberalistisch geschrijf in de N. Rott. Crt. over de kwestie-Bähler, waarbij de besturen, die hier gesproken hebben, belachelijk worden gemaakt en de kloeke(!) daad van dr. Bähler in bescherming wordt genomen, bewijst dat men van de zaak als kerkelijke zaak niets begrijpt of — wil begrijpen.
De Christus onzer belijdenis.
Als de Middelaar Gods en der menschen komt Jezus, de Christus, de Gezalfde des Vaders, van eeuwigheid daartoe verordineerd. Hij komt als de Eeuwige Zoon des Vaders in de menschenhistorie, in de volheid des tijds, ontvangen van den H. Geest, geboren uit de maagd Maria. Hij komt als de Middelaar Gods en der menschen; Hij is God, geopenbaard in het vleesch. Hij is niet de ontwikkeling der historie, vrucht van vleesch en bloed, een bloem des velds uit de aarde opkomend. Hij is niet een mensch uit de menschen, zij 't een eerste onder zijns gelijken. Neen, we hebben met Hem te doen als iets nieuws en iets anders, Iemand anders, met den tweeden mensch, met een ander begin, met den tweeden Adam, het nieuwe Verbondshoofd, krachtens Gods Vrederaad.
Dat is 't toch, wat het Woord des Heeren ons openbaart. En dan komt Hij om de zonde op Zich te nemen, om Gode gehoorzaamheid te bewijzen, om te sterven om onze zonden en opgewekt te worden om onze rechtvaardigmaking.
Omdat wij midden in den dood liggen, kunnen wij nooit uit den dood tot 't leven komen. Wij zijn aangegrepen door den dood naar Gods rechtvaardig oordeel en er is geen redding van den dood. Maar dan komt Christus om in den dood in te gaan. Dat ziet Hij steeds tijdens Zijn omwandeling op aarde voor oogen, en de vreugd, die Hem vervult in en over de verlossing Zijns volks, gaat door den dood, onder den vloek door, door het graf. „De Zoon des menschen moet overgeleverd worden en gekruisigd worden" — dat is Zijn levensprogram. En dan na drie dagen opstaan.
Zoo was heel de Oud-Testamentische symbolische en afschaduwende bedeeling. Door den dood. Door de besnijdenis. Door den nacht van dood in Egypte. Door den dood van het offerbeest. Om in den dood, om in den bloedafgrond in te dalen; om dan te schuilen achter het offerbeest en te hopen op het Lam, dat sterven zou, beladen met de zonden, om dood- en doemwaardigen te bevrijden en te verlossen. Zóó zou de poorte der gerechtigheid zich ontsluiten om God te ontmoeten. Bindt de offerdieren dan met touwen en laten de eeuwige deuren zich ontsluiten, opdat de Koning der eere ingaat.
Al het opkruipen van den mensch om den berg Gods te beklimmen, al het omhoog werken van het schepsel om zijn Rechter te ontmoeten, ligt onder den vloek Gods. De mensch heeft het verdorven en kan het in der eeuwigheid niet goed maken voor God, Zijn Maker en rechtvaardigen Rechter, die de zonde haat en straft en zegt: „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al 't geen geschreven staat in 't boek der wet om dat te doen".
De volkeren hebben zich afgetobt om zich zelf te verlossen, te bevrijden; om verzoening te werken en rust te zoeken, jagend den vrede na. Maar 't is één groote teleurstelling. Want God, die heilig is en rechtvaardig, grijpt alles in het centrale punt van den dood en de opstanding van Jezus Christus, gelijk de groote dag der toekomst, bij bazuingeschal der engelen, zal staan in het teeken van het Lam dat geslacht is. Dien zij doorstoken hebben zullen zij zien, en die door den Geest de hope hunner rechtvaardigheid in Hem hebben, zullen tot de vreugd des Heeren ingaan.
Ze hebben zich gekromd, ze hebben zich gepijnigd, ze hebben zich afgesloofd, Israël en de heidenen, maar achter het offerlam dat Godes is, is in den weg der voldoening verzoening en verlossing voor een iegelijk die in Hem gelooft. Die woorden des levens waren Israël toebetrouwd, zooals de Heere met geen enkel volk gedaan had.
Daarom is het centrale punt bij alles, het wereldfeit bij uitnemendheid, de komst van den Middelaar, Zijn dood en opstanding. Het verleden, het heden en de toekomst zit in Hem, door Wien de Heere Sion verlost in den weg des rechts. God is liefde. God is rechtvaardig. God is de wereld verzoenend in Christus. Welgelukzalig is het volk, dat het geklank kent. Een iegelijk die in Hem gelooft, heeft het eeuwige leven. En het leven van Gods kinderen is uit Hem, die dood geweest is, maar nu leeft. Ranken in den waren Wijnstok, uit Wien het leven en de vrucht is voor al de fijnen en in wie de Vader wordt verheerlijkt.
We behoeven ons voor ons christelijk geloof niet te schamen, we behoeven niet uit den weg te gaan voor niets en voor niemand, we behoeven niets te prijzen en niets te verbreiden en niets te verdedigen, dan wat de Heere Zelf gaf in Christus Jezus, overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Wij hebben in Hem den sleutel van het wereldgeheim, want Jezus Christus heeft den sleutel van hel en dood. Hij, die dood geweest is en nu leeft, is de overwinning. En waar alles buiten hem in den dood ligt, is Hij het eeuwige leven voor een iegelijk, die in Hem gelooft. Onze belijdenis moet aan dat Evangelie onderworpen zijn. (2 Cor. 9 vers 13b). De Kerk die dat verstaat en daaruit leeft is gelukkig te prijzen. Het is de vreugdeboodschap Gods.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1929
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's