De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

De onmisbaarheid van den Heiligen Geest

9 minuten leestijd

Toen kwam de Geest in hen; en zij werden levend, en stonden op hun voeten, een gansch zeer groot heer. Ezechiël 37 vers 10b.

Inderdaad onmisbaar blijft de Heilige Geest voor onze ziel. Wil het wèl met ons staan, dan kunnen we de algeheele leiding en beïnvloeding van dezen Derden Persoon der Heilige Drievuldigheid niet derven. Reeds de Psalmdichter van den ouden dag gevoelde dit, vandaar zijn bede: „Verwerp mij niet van Uw aangezicht en neem Uwen Heiligen Geest niet van mij!" (Ps. 51 vers 13). En ook dat andere smeeken aan den Troon van Jehova's genade:
Doe bij Uw knecht weldadigheid, o Heer!
Opdat ik leev', Uw woorden moog' bewaren;
En dat Uw Geest mij ware wijsheid leer!
Niet waar, mijn lezers, wat zou de Christen zijn zonder den Heiligen Geest? Hij zou zijn beeld vinden in het schip, dat geheel zeilree werd gemaakt maar daar is geen wind, om stuwkracht te verkenen. Een Christendom zonder den Heiligen Geest ware een dood Christendom, een machine zonder stoom, een motor zonder benzine, een vliegtuig zonder propellor.
Van wedergeboorte en geestelijk leven kan geen sprake zijn zonder den Heiligen Geest terwijl onze Hoogste Leermeester ons zeer ernstig betuigde: „Voorwaar, voorwaar! zeg Ik u: tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk van God niet zien" (Joh. 3 vers 3).
Kunnen we bidden zónder den Heiligen Geest? Luistert naar Paulus: „En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort; maar de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen" (Rom. 8 vers 26).
Zouden we ook wel onzen Bijbel in ons bezit hebben, wanneer de Geest niet voor ons aan den arbeid ware gegaan? Luistert naar 't geen Petrus hieromtrent mededeelt; hij schrijft in het eerste capittel van zijn Tweeden Brief: „Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens menschen; maar de heilige menschen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken". Petrus schrijft dit van de profetie; dit geldt ook van de Evangeliën en van de brieven, ja, van 't gansche Woord van God; het werd al geïnspireerd door den Heiligen Geest
Zonder den Geest kunnen we geen enkele godsdienstige handeling verrichten zóó, dat daar eenige kracht van uitgaat voor onze ziel. We kunnen niet in Gods Getuigenis ons verdiepen; niet tempelwaarts treden; ons niet aanzetten aan den Heiligen Avondmaalsdisch; elkander niet liefhebben; geen vijanden vergeven; geen Psalmen zingen; ons kruis niet dragen; niet eenswillend zijn met Gods wil; geen heiligmaking najagen. In één woord: Niets zonder den Geest!
Mocht het volk des Heeren dit steeds en beter inzien! Vooral in onze doodige dagen wordt dit veel te veel uit het oog verloren. Daarin schuilt de breuke. Men kan zich redden en behelpen zonder den Heiligen Geest. Men kan het zelf; men heeft dezen volzaligen Derden Persoon niet meer noodig.
Mocht de Heere zich over Zijn strijdende Kerk ontfermen, en haar schenken een levend gebed door den Geest om den Geest! Zij zou meer eensgezind zijn, beter waken, bidden en strijden. Er zou veel meer kracht van haar uitgaan. De Kerke Gods zou haar roeping duidelijker verstaan; en der wereld tot rijker zegen zijn.
Mochten u en ik, lezers, het persoonlijk beter en meer gevoelen! We hebben den Geest meer noodig dan geld en goed, ja dan spijs en drank; Hij is immers zielespijs, teerkost op den weg naar den Hemel.
De hand des Heeren kwam op Ezechiël, en de Heere voerde den profeet naar het midden eener vallei vol beenderen. Vele beenderen lagen op den bodem uitgespreid. En ziet! zij waren zeer dor. Geen ritsel van leven bewoog in hen; het was slechts het tooneel des doods.
Aldus vertoonen deze beenderen het beeld van den onwedergeboren mensch, en laten duidelijk zien, wat wij door den zondeval geworden zijn. Mochten we allen hieraan worden ontdekt! Mochten we onzen gevallen jammerstaat leeren beweenen! Mocht ons hart er onder verbroken worden! Kwamen we er mee voor God in de schuld! Het zou niet tevergeefs zijn; de Heere Jezus immers heeft op het Pinksterfeest getoond, dat Hem werd gegeven alle macht in hemel en op aarde. Hij heeft slechts te spreken, en het is er; te gebieden, en het staat er.
De Koning der Kerk vroeg aan den profeet of deze beenderen levend zouden kunnen worden. Nimmer had de profeet wijzer antwoord kunnen geven op Gods vraag. Hij beriep zich op de alwetendheid Gods, sprekend: „Heere, Heere, Gij weet het!" Toen gaf de Heere aan Zijnen knecht het volgende bevel: „Profeteer over deze beenderen, en zeg tot hen: Gij dorre beenderen, hoort des Heeren Woord! Alzoo zegt de Heere tot deze beenderen: Ziet! Ik zal den Geest in u brengen, en gij zult levend worden; en Ik zal zenuwen op u leggen, en vleesch op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en den Geest in u geven; en gij zult levend worden; en gij zult weten, dat Ik de Heere ben!"
De Man Gods profeteerde over de dorre doodsbeenderen. Daar kwam beroering en beweging in de bleeke beenderen, geschuifel en klikklakkend geluid; elk been naderde tot zijn been. Ook trokken er zenuwen en vleesch overheen; en een huid bedekte het al. Maar er was geen Geest in hen. En zoo lagen die beenderen daar, geordend en schoon; maar nog altijd dood, geheel dood; zonder sprankje van leven; immers de Geest was nog niet gekomen.
Wonderlijk leerzaam is dit voor ons, van nature doode Adamskinderen! Bedenkt toch: Elk been was genaderd tot het juiste been, waar het bijhoorde. Spieren, vleesch en huid bedekten de beenderen. Ze maakten den indruk van levende menschen in ruste. De vallei had zijn uiterlijk schrikwekkend aanschijn verloren. Groote, heel groote veranderingen waren er reeds gebeurd. Desondanks zwaaide daar nog de dood zijn schepter. En stil bleef het er nog steeds als in een doodenstad. Gelijk er een groot verschil bestaat tusschen de levende bloem en de kunstbloem, zoo treft ons oog ook hier de schoone schijn; maar leven ontbreekt. En op het leven komt het aan.
Zoo kan het ook zijn met een persoon, een huisgezin, een familie, een kerk, een land, een volk. Herinner u de bekeering van Ninevé; dat was slechts een bekeering tot de deugd. Er kunnen reeds groote verbeteringen tot stand worden gebracht, terwijl desniettemin het al bleef dood, niet dan dood.
De Ninevieten verbeterden hun uitwendig leven. Dat was een zaak van heel groot belang; en daardoor kwamen zij van de tijdelijke oordeelen Gods vrij; maar het was niet genoeg, nog lang het ware niet. Bekeering tot de deugd, lezers, is ook voor ons prijzenswaardig en noodig; het brengt ook reeds zijn zegeningen mee. Moeten wij daarbij stil blijven staan? Hebben we er genoeg aan? Schenkt 't voldoenden grond om de eeuwigheid tegen te treden? Neen! dan ontbreekt nog het voornaamste; dan bleef de Geest nog uit. Dan zijn we aan de schoongeordende, maar nog doode, beenderen der vallei gelijk.
De bekeering der Ninevieten heeft geen stand gehouden. Zij vervielen na verloop van tijd in hun oude zonden. Driehonderd jaren later wordt de profeet Joel door God geroepen om hun algeheele vernietiging aan te zeggen. Het zaad had geen wortel geschoten. Het was voor slechts een tijd geweest.
Onze groote Kerkhervormer Luther meende ook eerst door deugden en plichten zijn geweten te kunnen stillen. Hij vastte, en kastijdde zijn vleesch. Hij beklom de Heilige Trap in Rome. Het baatte niets. Hij vond niet eerder vrede voor hij zich zelf had leeren kennen als dood in zonden en misdaden, en hij, door den Geest gedreven, mocht buigen voor den Gekruisten en Gekroonden Christus. Toen kon hij ook Kerkhervormer zijn, wijl hij den weg der genade bij eigen ervaring had leeren kennen. Daarom zal ook ieder ware Christen van harte instemmen met de bede van den grooten dichter Isaac da Costa:
Daal! Schepper, Heil'ge Geest daal af!
Uw adem, die ons 't aanzijn gaf
Herschep de ziel, vervul de borst
Die naar Uw waterstroomen dorst!

Die in der waarheid Parakleet,
Vertrooster, Zalver, Voorspraak heet!
Gij, eeuwig versche Levensbron!
Gij, Ongeschapen Liefdezon!

Bestraal, o Zevenvoudig Licht!
Den Tempel Gods, door U gesticht!
En, Vinger van Gods Rechterhand,
Bespreng den stam, door U geplant!
Geen Geest leefde in de dorre doodsbeenderen. Daardoor geen spiervertrekking, geen zenuwwerking, geen hartklop, geen denkvermogen. Dood waren ze, even dood als voorheen. En zonder den Geest zouden ze dat gebleven zijn, al hadden ze eeuwig daar zoo kunnen blijven liggen. De Heere echter beval Zijn knecht: „Profeteer, menschenkind, en zeg: Gij Geest kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedooden, opdat zij levend worden!" De profeet gehoorzaamt. Alsnu gebeuren groote wonderen: De Geest des Heeren kwam in hen, en zij stonden op hun voeten, een gansch zeer groot heer.
Levende, echte menschen waren het geworden. De Geest had den dood overwonnen. En de dood vlood weg met beschaamde kaken. Het leven regeerde in de vallei. De genaderegen van den Koning der koningen was op den doodsakker gedaald. De wind had gewaaid door de dorre twijgen. Nu was er leven en beweging en groei en Godsverheerlijking! Er ging een sprake uit die levende monden: „Niet ons, niet ons, maar Uwen naam geef eere, om Uwer goedertierenheid en om Uwer waarheid wil!"
Het komt alzoo alles aan op den Geest. Waar die waait daar blijven de weldaden van onzen Heere Jezus Christus, den Koning Zijner Kerke, niet uit. Daar is leven en gebed en samenwerking en eendracht en liefde en ootmoed. Daar blijft het niet bij schijn, maar wordt het zijn. Daar gebiedt de Heere Zijnen zegen. Daar woont de Koning Zelf. Mocht die Geest Christus' Kerk frisch en nieuw doorstroomen! Stemmen we in met de bede der Bruid: „Ontwaak, Noordenwind, en kom, gij Zuidenwind, doorwaai mijnen hof dat zijne specerijen uitvloeien! O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate Zijne edele vruchten!" (Hooglied 4 vers 16).
En wat een ieder van ons persoonlijk aangaat lezers, laten we niet rusten, eer we den Geest bezitten! Dan zijn we 't ééne noodige rijk! Dan hebben we grond onder de voeten, en daarmee een éénigen troost beide in leven en sterven. De Heilige Geest schenke uit genade deze bede aan onze harten:
O Vader, dat Uw liefd' ons blijk'!
O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk!
O Geest, zend Uwen troost ons neer!
Drieëenig God, U zij al d' eer!
Poederooijen.                                  A. Prins

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's