De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Brief aan de Romeinen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Brief aan de Romeinen.

7 minuten leestijd

Hoofdstuk 2 vers 6—12. ..... in den dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, welke een iegelijk zal vergelden naar zijne werken, dengenen wel, die met volharding in goeddoen, heerlijkheid en eer en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwige leven; maar dengenen die twistgierïg zijn, en die der waarheid ongehoorzaam; doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden. Verdrukking en benauwdheid over alle ziel des menschen, die het kwade werkt, eerst van den Jood en ook van den Griek; maar heerlijkheid en eer en vrede een iegelijk, die het goede werkt, eerst Jood en ook den Griek. Want er is geene aanneming des persoons bij God. Want zoovelen als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan, en zoovelen als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden.

Neen, laat de Jood niet denken, dat hij in den dag des gerichts iets zal voor hebben boven den heiden. Er is geen aanneming des persoons bij God. De Heere oordeelt enkel naar de werken der menschenkinderen. In het heilig visioen heeft de ziener van Patmos het met geestesoog aanschouwd, hoe de boeken werden geopend en elkeen werd geoordeeld naar hetgeen in die boeken stond geschreven.
Neen, lezers, 't zal maar niet met een vroom praatje zijn goed te maken. „Niet een iegelijk, die tot mij zegt Heere, Heere, zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil mijns Vaders, die in de hemelen is", sprak eens de Heere Jezus. 
Bij het lezen dezer woorden zal menig verbroken en verslagen hart sidderen en beven. Met angst vraagt men zich af: Is er bij mij wel een volharden in goeddoen? Is er wel een gedung zoeken naar de zaligheid Zijns rijks die vervat is in de woorden: heerlijkheid en eer en onverderfelijkheid? Zal het oordeel op grond mijner werken mij het eeuwige leven schenken?
Zal niet veeleer een ieder bij ontdekkend genadelicht moeten uitroepen, dat alles met zonde en ongerechtigheid bevlekt en besmet was? Uit en van zichzelf onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad!
Maar, zegt ge, als dan het oordeel naar onze werken zal geschieden, zal men dan niet veeleer met weemoed moeten uitroepen: „Vaarwel u, gij hemelen, want mijne voeten zullen nimmer uwe hallen betreden". Het is echter slechts schijn, als Paulus hier de genade uitschakelt en slechts spreekt van een oordeel op grond van onze werken.
In het stuk van de rechtvaardigmaking door het geloof vallen alle werken des menschen weg als wegwerpelijke kleederen. Als God den zondaar opzoekt, vindt Hij hem als een verlorene, als een die dood is in zonden en in misdaden,  als een, die alle gerechtigheid der wet mist. Als de Heere nu uit enkel ontferming zulk een zondaar nochtans vrijspreekt, ziende op de gerechtigheid van den grooten Borg en Middelaar Jezus Christus, is daarmee de herscheppende daad niet voleindigd, maar veeleer begonnen. God rechtvaardigt den mensch niet zonder hem te heiligen. Er is geen ware rechtvaardigmaking of er moet heiligmaking op volgen. Met recht spraken onze Vaderen van de herscheppende en vernieuwende daden Gods. Door dat werk der herschepping wordt het nu ook de lust van alle in Christus gerechtvaardigden, om de overige dagen en jaren des levens, die hun nog resten, te leven tot eer van Hem, die hen trok uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. In beginsel wordt dan ook aan de zonde den scheidbrief gegeven. Het blijft echter een strijd tot den einde toe, waarin de woorden; ,,Hoe lief heb ik Uw wet" en „Ik, ellendig mensch", elkander afwisselen.
Maar nu begrijpt ge dus wel, dat de apostel Paulus hier niet de werken tegenover de genade stelt. Neen, de werken, door hem bedoeld, zijn vruchten van dat nieuwe leven, gewekt door Hem, van Wien hij mocht getuigen dat Hij geworden is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en een volkomene verlossing.
O, lezers, denkt aan dat woord: „Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen". 'En laat dan Gods kind de discipelen vol verwondering nazeggen: „Heere, wanneer hebben we U hongerig gezien en te eten gegeven, en dorstig en te drinken gegeven", enz., Hij zal antwoorden: „Voor zooveel gij het aan één van deze minste broeders gedaan hebt, hebt ge het ook Mij gedaan". 
„Uwe vrucht is uit Mij gevonden", zegt de Heere door den mond van den profeet.
Noem mij dan toch eens een van die werken, hoor ik anderen zeggen.
Welke werken zijn het dan toch, die de apostel op het oog heeft, als hij zegt in het boek der Openbaring van degenen, die zalig in den Heere gestorven zijn, dat hunne werken met hen volgen. Ik kan, mij vasthoudend aan de Schrift, o zoo kort zijn. Ik wil u maar één enkel voorbeeld noemen. Zoo ge iemand een beker waters zoudt geven in den naam eens profeten, voorwaar, ge zult in den hemel loon hebben.
Nu ziet ge toch wel, lezers, dat er geen sprake van is dat de apostel zou willen leeren, dat de mensch door de werken der wet eenmaal in den oordeelsdag zal gerechtvaardigd worden. Neen, het is veeleer het tegengestelde. Die Christus mist, mist rechtvaardigmaking, maar ook heiligmaking, en dus ook de werken. Want het is onmogelijk dat een mensch buiten Christus zou kunnen voortbrengen vruchten der dankbaarheid. Maar waar God Zijn genade verheerlijkt, daar moet telkens weer de bede oprijzen:
Och, of wij Uw geboon volbrachten,
Gena, o Hoogste Majesteit!
Gun, door 't geloof in Christus, krachten.
Om die te doen uit dankbaarheid.
Zonder die genade blijft men der waarheid ongehoorzaam, doch der ongerechtigheid gehoorzaam. Men moge dan veel redeneeren over allerlei splinterige wetstvraagstukken, gelijk de Joden zulks plachten te doen, men haalt zich daarmee voor God slechts den naam van „twistgierig" op den hals. Verbolgenheid en toorn zal God den mensch vergelden, die onder al de roepstemmen den nek verhardt. Verdrukking en benauwdheid over alle ziel van zulke menschen.
Met opzet is de apostel er toe overgegaan om zich wat breeder uit te drukken. Met allen ernst wil hij hun aanzeggen wat te wachten staat aan den mensch, die zich tot God niet bekeeren wil.
Met recht teekent Calvijn hierbij aan: hoewel hij de zaligheid der vromen en het verderf der goddeloozen met een paar woorden had kunnen beschrijven, gebruikt hij nu daartoe vele woorden, om de menschen krachtiger aan te grijpen met de vrees van den toorn Gods en de begeerte in hen op te wekken om door Christus begenadigd te worden.
Moge deze ernstige aankondiging van de eeuwige rampzaligheid op onze lezers nog eens dien indruk maken, die er van is uitgegaan op de lezers in Paulus' dagen.
Van vele gemeenten in onze dagen geldt helaas, dat ze zijn doodgepreekt. Men is al zoo gewoon aan die terminologie van hel en eeuwige verdoemenis, dat 't niet meer den minsten indruk maakt. Men laat het eenvoudig langs z'n koude kleeren afglijden. En bij de aankondiging van eeuwig wèl en wee, scheert Paulus Jood en Griek over één kam. De Heere trekt den Jood niet vóór den heiden. Die heiden kent de wet Gods wel niet; hij zal echter naar zijne werken geoordeeld worden en daarom verloren gaan. De Joden echter, zoovelen als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden.
Let wel, van den heiden wordt gesproken van „verloren gaan" ; bij den Jood van een ,,geoordeeld worden" naar de wet.
't Zal den lande van Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan den Joden, die zich onder Christus' prediking hebben verhard. O, lezers, trekt uit dit „verdragelijker" geen verkeerde conclusie. De lichtste eeuwige straf blijft toch op zichzelf diepe rampzaligheid.
Lezers, had dit gedeelte uit den brief van den apostel Paulus ook ons niets te zeggen? Zeg nu niet: Ik ben geen Jood, en ook geen heiden. Het past op mij niet. Gods Woord heeft een draagkracht voor alle eeuwen. Ook nu zijn er duizenden, die van God en Zijn Woord niet willen weten. Ze leven voort in de zonde. Men danst en springt naar de eeuwige rampzaligheid. Daartegenover staan weer anderen, die, evenals de Joden, zich op hun wetskennis beroemen. Zij achten zich als degenen die de wet kennen en de anderen zijn van God vervloekt. Maar Hij, bij Wien geen aanneming des persoons is, laat het allen aanzeggen dat ze zonder onderscheid naar hunne werken zullen geoordeeld worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 mei 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Brief aan de Romeinen.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 mei 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's