De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE  RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

9 minuten leestijd

Vergulde armoe.
Wij hebben, toen ds. Van Wijhe heenging als hoofdredacteur van het Vrijz. Herv. Weekblad „Kerk en Volk", hem gaarne hulde gebracht voor zijn arbeid, dien hij als rustend predikant en bezoldigd journalist gedaan heeft in het belang van de Vrijzinnige Hervormden door de wekelijksche verzorging van hun Orgaan. Eere wien eere toekomt! Ds. Van Wijhe is toen weer naar de pastorie gegaan als modern predikant van Nieuwveen. (Z.-H.).
Wij dachten, dat hij sinds sliep. Want eenigen tijd geleden hebben wij hem eens een vraag gesteld en we kregen geen antwoord. Ds. Van Wijhe had gezegd, dat een dominé in de Hervormde Kerk zoo vrij was als een vogeltje in de lucht en dat hij in zijn ambt geenszins gebonden was; niet aan de belijdenis, ook niet aan hetgeen Petrus of Paulus gezegd heeft, enz. Van gebondenheid aan de Schriften was geen sprake, beweerde hij heel parmantig.
We hebben hem toen gevraagd of hij, pas weer in het ambt, dan niet wist wat in den beroepsbrief van alle Hervormde dominé's staat? „Het Evangelie verkondigen en de Sacramenten bedienen overeenkomstig GODS HEILIG WOORD", lezen we daar toch!
Maar ds. Van Wijhe zweeg sinds als een mof. Hij sliep.
Nu is hij weer wakker. Hij moest in de orthodoxe, ,,zwaar gereformeerde" gemeente Noorden een vacature-beurt vervullen. De menschen in Noorden verlangen naar „het Evangelie van Jezus Christus overeenkomstig Gods Heilig Woord" — waaraan ieder Hervormd predikant, die eerlijk is, zich gebonden weet. En ds. Van Wijhe brengt dat niet. Hij vraagt, heel eigenwijs en anarchistisch van nature, niet wat de Schrift in deze leert, hoewel hij beloofd heeft geen ander Evangelie te zullen brengen. Maar dan komen de menschen in Noorden niet ter kerk. Natuurlijk niet.
De wijze weet raad. En ds. Van Wijhe nam een groepje menschen, per fiets, uit Nieuwveen mee, om in Noorden te kerken. Toen was er toch een groepje hoorders in de kerk te Noorden. Wij denken aan iemand, die arm is, en zich groot houdt.
Die „verlichte" Nieuwveners zullen die ,,dompers" in Noorden wel eens leeren hoe 't moet! Waarbij de menschen in Noorden evenwel verstandiglijk bedanken voor de eer van zulk onderricht.
Wat een vertooning dus!
Zoo paradeert ds. Van Wijhe met een groepje fietsrijders, om twee gemeenten te bewerken. In twee gemeenten kan men, bij al z'n armoe, dan figuur slaan. In Nieuwveen ziet men ze gaan; in Noorden ziet men ze komen!
Wij zouden zeggen: laat men die comedie nu toch nalaten. En laat ds. Van Wijhe nu in het „verlichte" Nieuwveen blijven, daar zijn ze gelukkig(!) met hetgeen het modernisme opdient. Dan kan Noorden, in al z'n achterlijkheid, voor zichzelf zorgen en daar kan dan „het Evangelie van Jezus Christus overeenkomstig Gods Heilig Woord" gebracht worden; zooals het in de Ned. Hervormde Kerk behoort te geschieden overal.
Intusschen is het geknoei van de modernen weer op een nieuwe wijze openbaar geworden. Arm modernisme!
En wij zullen er ons over verblijden, indien meer en meer elk weldenkend mensch tegen zulke onbehoorlijke, lompe, tergende manieren zal gaan protesteeren. Hoort dat in de Kerk van Christus thuis? Die arm is, moet zich maar niet aanstellen alsof hij rijk is. Arm is arm. En of men al protsig allerlei drukte maakt, baat toch niet. Iemand die iets verder kijkt dan z'n neus lang is, geeft er geen cent voor! 't Is vergulde armoe.

Kerkelijke Huwelijksinzegening
Op den trouwdag naar 's Heeren huis. Om daar in het midden van de gemeente een zegen af te smeeken! 't Moest algemeen gewoonte wezen onder christenen. 't Moest maar 't is niet altijd zoo. Men zegt, dat er Kerken zijn, waar in een heel jaar niet één huwelijk kerkelijke wijding vroeg. Blijkens de officiëele opgaven der Kerkvisitatie valt er ten deze een gunstige verandering te constateeren. Maar volmaakt is 't nog lange niet.
In de jaren 1925 en 1926 zijn er in de Ned. Hervormde Kerk 10088 huwelijken kerkelijk ingezegend. In Gelderland, Zuid-Holland en Utrecht zijn in genoemde jaren onderscheidenlijk 2080, 3212 en 1107 huwelijken ingezegend; tezamen dus 6399 of méér dan de helft van het totale aantal. In Noord-Holland (Amsterdam, Haarlem, Huizen, Bussum enz., meegerekend) bedroeg het aantal 1303. In Groningen slechts 153; in Drenthe 83. Friesland telde 427; Noord-Brabant met Limburg 241; Overijssel 1104. In Zeeland kwam het getal niet hooger dan 357. In de overwegend orthodoxe provincies worden de kerkelijke huwelijksinzegeningen nog 't meest in eere gehouden, hoewel ook daar door „gedwongen" huwelijken het getal niet valt te loven.
Over de huwelijksinzegeningen in vroeger tijd vertelt Schotel 's boek over den eeredienst aardige bizonderheden. Zoo was het vroeger gewoonte, dat aanzienlijke lieden, lui van stand, bij voorkeur in de Engelsche of Fransche Kerk trouwden. De burgers gingen naar de Nederduitsche Kerk. De kerken werden dan niet zelden met kostbare tapijten versierd, waarop twee met groen versierde armstoelen voor 't bruidspaar stonden. Het doophek met het koor werden tot een soort eerepoort gemaakt. In de consistoriekamer werden ververschingen aangeboden. De collecten waren soms fabelachtig hoog. Schotel spreekt van ƒ 4000.—, zelfs van ƒ 8000.—.
Tegenwoordig gaat 't wel eens anders
Dan is de bruiloft wel royaal, soms héél royaal, maar men moet niet in het kerkezakje kijken!
Een eigenaardige liefhebberij was 't vroeger soms, om in de kerk het huwelijk te laten voltrekken, op 't graf van een nabestaande. Er waren zelfs erflaters, die een gift aan de Kerk vermaakten voor dit doel. Melding wordt gemaakt van een schilder, die de inkomsten van een stukje land na zijn dood bestemde voor „schamele doch eerlycke jongelieden, die op zijn graf in de Groote Kapel te Haerlem zouden trouwen".
Tal van vreemde dingen waren er vroeger, omdat men de Kerk en den godsdienst ook zoo anders zag dan nu. Ook onder de Gereformeerden in de Gereformeerde Kerk — de officiëele Kerk — waren zooveel Roomsche en wereldsche bijgeloovigheden en gewoonten. Als men maar in de kerk geweest was, dan was 't goed. De aanhankelijkheid aan de Kerk op die manier kan niet zoo hoog gewaardeerd worden natuurlijk. Maar nu is het gevaar aan den anderen kant zoo groot, dat men geheel los van de Kerk komt staan, ook in kringen, waar men iets anders mocht verwachten.
Hoe meer het huwelijk zelf in zijn hooge en heerlijke beteekenis gekend wordt, hoe meer men ook er naar zal uitgaan om het huwelijk niet zonder God te beginnen en niet zonder naar Gods huis te gaan, om daar, met familie en vrienden, den Heere te danken en Zijn Naam aan te roepen om een zegen; ook om zich juist in Gods huis 't rechte doel van het huwelijk goed voor oogen te stellen, bij het licht van Gods Woord, dat ook hier alleen een goede gids is.

De Bijbel Gods Woord.

't Is niet zóó, dat we met de Ethischen zeggen: „in den Bijbel is Gods Woord", waarbij het dus aan den mensch staat om uit te maken wat in den Bijbel wel en wat in den Bijbel niet Gods Woord is. Waarbij de mensch dus als criticus, als beoordeelaar boven den Bijbel komt te staan om uit te maken wat wel en wat niet moet worden aanvaard van de H. Schrift.
Zóó is het niet. De Heilige Schrift komt met autoriteit tot ons als zijnde Gods Woord, de Heilige Schrift — zoo zegt prof. dr. Honig in „De Bazuin" — kan Gods Woord genoemd worden èn om haar oorsprong èn om haar inhoud. De Heilige Schrift is van Goddelijken oorsprong. Zij is door God den Heiligen Geest geïnspireerd; van God ingegeven. „De werkzaamheid des Heiligen Geestes" — zoo zegt prof. dr. J.H. Bavinck in zijn Dogmatiek — „de werkzaamheid des Heiligen Geestes bij het schrijven der Bijbelboeken heeft daarin bestaan, dat Hij, na het menschelijk bewustzijn der schrijvers op allerlei wijze, door geboorte, opvoeding, natuurlijke gaven, onderzoek, herinnering, nadenken, levenservaring, openbaring enz. toegerust te hebben, nu in en onder en bij het schrijven zelf in dat bewustzijn die gedachten en woorden, die taal en dien stijl deed opkomen, welke de Goddelijke gedachte, op de beste wijze, voor menschen van allerlei rang en stand, van allerlei volk en eeuw, vertolken konden".
Zoo komt de Heilige Schrift ons dus van God, den Heere, toe in den weg van Zijn bizondere openbaring, in den weg der inspiratie of theopneustie. „Al de Schrift is van God ingegeven". (2 Tim. 3 vers 16). En gelijk de oorsprong van God is, zoo is ook de inhoud van de Heilige Schrift Goddelijk. Het zijn de Schriften, die ons wijs maken kunnen tot zaligheid. Die ons God en onszelven leeren kennen. Die een antwoord geven op de vragen: Vanwaar is de mensch; hoe was vóór den val en hoe is na den val de mensch; werwaarts gaat de mensch? enz. Geen boek heeft zulk een inhoud als onze Bijbel. De Heere Jezus heeft over de Schriften des Ouden Verbonds nooit anders geoordeeld dan dat zij zijn van Goddelijken oorsprong en van Goddelijken inhoud. Wij hebben over de Schriften des Nieuwen Verbonds niet anders te oordeelen dan over Mozes en de Profeten. De Gereformeerde theologen van alle eeuwen hebben in deze nooit een ander geluid laten hooren dan: de Bijbel is Gods Woord.
En als men dan in onze dagen, b.v. onder de Ethischen, principieel onderscheid wil maken tusschen de religieus-ethische en de historische gedeelten der Heilige Schrift, dan begaat men al dadelijk een fout ten opzichte van het onderscheid dat er in de Schrift zou liggen tusschen het religieuse, het ethische en het historische. De historiebeschrijving van de Schrift is toch inderdaad niets anders dan religieus, ethisch. De historische boeken zijn religieus, ethische boeken.
Maar dat nog daar gelaten. Wie zal nu precies zeggen: dit gedeelte van de Schrift is religieus-ethisch en dit gedeelte van den Bijbel is historie; om dan te zeggen: nu mogen we dat historische gedeelte heel anders behandelen dan de religieus-ethische gedeelten van den Bijbel?
Voelt men niet, dat men hier zich als rechter opwerpt op een terrein en ten opzichte van een zaak waar de mensch minder autoritair dient op te treden?
Prof. Bavinck zegt daarvan: „De scheiding tusschen hetgeen ter zaligheid noodig is en het bijkomstig historische is onmogelijk, wijl leer en geschiedenis in de Schrift geheel zijn doorééngeweven. Zij doet tekort aan de bewustheid der schrijvers, die hun gezag volstrekt niet tot het religieus-ethische beperken, maar uitbreiden tot den ganschen inhoud hunner schriften. Zij is in strijd met het gebruik der Schrift door Jezus, de apostelen en heel de Christelijke Kerk. (Deel I, blz. 439).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 mei 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE  RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 mei 1929

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's